id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.935 Rolnummer: A. 225297/XIV-37729 Zaak: Arrest 242935 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 14/11/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-11-27 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-24 22:05 Fiche Arrest nr 242.935 van 14 november 2018 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 242.935 van 14 november 2018 in de zaak A. 225.297/XIV-37.729 In zake: de VZW HET NEUTRAAL SYNDICAAT VOOR ZELFSTANDIGEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Helga Van Peer kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 268 A bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christian Bayart kantoor houdende te 2600 Antwerpen Uitbreidingstraat 72/b3 tegen: de HOGE RAAD VOOR DE ZELFSTANDIGEN EN DE KLEINE EN MIDDELGROTE ONDERNEMINGEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Willy Van Eeckhoutte kantoor houdend te 9051 Gent Driekoningenstraat 3 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen :
- de VZW UNIE VAN ZELFSTANDIGE ONDERNEMERS (UNIZO) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Véronique Pertry en Bart Martel kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen
- ASBL U.C.M. NATIONAL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pierre Joassart kantoor houdend te 1000 Brussel Regentlaan 37-40 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- XIV-37.729-1/16 I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 25 mei 2018, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van verwerende partij [van 27 maart 2018] tot voordracht van kandidaten voor benoeming in de Nationale Arbeids- raad.” II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 oktober
- Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaten Christian Bayart en Helga Van Peer, die verschijnen voor de verzoekende partij, advocaat Hannes Delagrange, die loco advocaat Willy Van Eeckhoutte verschijnt voor de verwerende partij, advocaten Véronique Pertry en Bart Martel, die verschijnen voor de eerste tussenkomende partij en advocaat Catherine Coomans, die loco advocaat Pierre Joassart verschijnt voor de tweede tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. XIV-37.729-2/16 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Tussenkomsten
- Met een verzoekschrift van 22 juni 2018, respectievelijk 6 juli 2018 hebben de VZW Unie van Zelfstandige Ondernemers (hierna: UNIZO) en de ASBL U.C.M. National (hierna: UCM) gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Er is grond om beide verzoeken in te willigen. IV. Feiten 4.
- De verwerende partij is een federale instelling van openbaar nut met rechtspersoonlijkheid. Haar opdrachten worden omschreven in de wet van 24 april 2014 „betreffende de organisatie van de vertegenwoordiging van de zelfstandigen en de kmo‟s‟ (hierna: de organieke wet van 24 april 2014). Overeenkomstig artikel 10 van die wet heeft de verwerende partij een drievoudige opdracht: overleggen, adviseren en vertegenwoordigen. Als overlegorgaan telt de verwerende partij ongeveer 170 erkende beroeps- en interprofessionele organisaties. 4.
- Eén van de organen waarin de Hoge Raad de vertegenwoordiging van de zelfstandigen en de kleine en middelgrote ondernemingen verzekert, is de Nationale Arbeidsraad (hierna: de NAR). Met toepassing van artikel 2, § 3, van de wet van 29 mei 1952 „tot inrichting van de Nationale Arbeidsraad‟ (hierna: de NAR-wet) dient de XIV-37.729-3/16 Hoge Raad daartoe drie dubbele lijsten van kandidaat-werkende en kandidaat-plaatsvervangende leden aan de Koning voor te dragen. De Koning gaat over tot benoeming van drie van de door de Hoge Raad voorgedragen werkende en plaatsvervangende leden, die Hij op de voorgedragen dubbele lijsten kiest. 4.
- Het hoogste besluitvormingsorgaan van de verwerende partij is de algemene vergadering. De algemene vergadering is samengesteld uit zestig werkende en zestig plaatsvervangende leden, waarvan telkens dertig leden van beroepsorganisaties en dertig leden van interprofessionele organisaties (cfr. artikel 15 van het koninklijk besluit van 12 november 2015 „tot uitvoering van de wet van 24 april 2014 betreffende de organisatie van de vertegenwoordi- ging van de zelfstandigen en de kmo‟s‟ (hierna: het koninklijk besluit van 12 november 2015). Het is dan ook in dit orgaan dat over de voordracht van de dubbele lijsten van kandidaat-werkende en kandidaat-plaatsvervangende leden wordt beslist. 4.
- Met een uitnodiging om kandidaten voor te stellen met het oog op de voordracht voor benoeming in de Nationale Arbeidsraad, nodigt de verwerende partij op 13 maart 2018 de leden van de algemene vergadering uit voor de algemene vergadering van 27 maart
- 4.
- Acht kandidatenlijsten worden ingediend: de dubbele kandidatenlijsten 1-4 betreffen de voordrachten voor de drie mandaten van werkend lid, 5-8 die voor de drie mandaten van plaatsvervangend lid:
- Cabooter Koen/Gillis Mien (UNIZO)
- Deiteren Caroline/Cloots Lieven (UNIZO)
- Dewevre Matthieu/Deplae Arnaud (UCM)
- Rauws Margot/Delwiche Tom (NSZ)
- Wyverkens Mona/Renard Joris (UNIZO)
- Warlop Louis/Vancompernolle Mia (UNIZO)
- Ramekers Clarisse/Delbrouck Brigitte (UCM)
- Ruelens Philippe/Meytap Pala (NSZ) XIV-37.729-4/16 4.
- Op de algemene vergadering van 27 maart 2018 wordt tot een stemming overgegaan voor de voordracht van kandidaten voor benoeming in de Nationale Arbeidsraad. De uitslag van de stemming is als volgt: Effectieve leden Kandidaten Aantal stemmen UNIZO Cabooter Koen/Gillis Mien 39 UCM Dewevre Matthieu/Deplae Arnaud 35 UNIZO Deiteren Caroline/Cloots Lieven 33 NSZ Rauws Margot/Delwiche Tom 13 Plaatsvervangende leden Kandidaten Aantal stemmen UNIZO Wyverkens Mona/Renard Joris 40 UNIZO Warlop Louis/Vancompernolle Mia 37 UCM Ramakers Clarisse/Delbrouck Brigitte 36 NSZ Ruelens Philippe/Meytap Pala 12 De zes kandidatenduo‟s die meer dan de helft van de geldige stemmen behaalden (namelijk 25 of meer van de 49 geldige stembrieven), werden verkozen om aan de Koning te worden voorgedragen als kandidaat voor een mandaat in de Nationale Arbeidsraad. De kandidatenduo‟s van de verzoekende partij kregen onvoldoende stemmen achter zich. De voordracht van de gekozen kandidaten, waartoe op 27 maart 2018 bij geheime stemming is beslist door de algemene vergadering van de verwerende partij, is de bestreden beslissing. 4.
- Met een brief van 15 mei 2018 vraagt de minister van Middenstand, Zelfstandigen, KMO‟s, Landbouw en Maatschappelijke Integratie aan de voorzitter van de verwerende partij hoe artikel 2, § 3, van de NAR-wet moet worden gelezen. Hij vraagt tevens of het juridisch correct is een beslissing te nemen waardoor geen leden van de verzoekende partij in de Nationale Arbeidsraad zetelen. XIV-37.729-5/16 V. Ontvankelijkheid van het beroep
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende en de tweede verzoekende partij tot tussenkomst opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. VI. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VII. Ernst van de middelen Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 40, §3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 12 november 2015, gelezen in samenhang met artikel 27, §1, eerste en tweede lid, van datzelfde koninklijk besluit. De verzoekende partij betoogt dat, bij gebrek aan consensus over de voordachten, per effectief mandaat en per plaatsvervangend mandaat een afzonderlijke verkiezing diende te worden georganiseerd. Gezien het aantal voor XIV-37.729-6/16 te dragen dubbele kandidatenlijsten, met name drie voor de effectieve mandaten en drie voor de plaatsvervangende mandaten, dienden dan ook minstens zes afzonderlijke stemmingen te worden georganiseerd. Tijdens de vergadering van de algemene vergadering van 27 maart 2018 zijn slechts twee verkiezingen georganiseerd, één verkiezing voor de voor te dragen kandidatenlijsten in de effectieve mandaten en één voor de plaatsvervangende mandaten. Beoordeling
- De aanduiding van kandidaten voor externe functies - dit zijn functies buiten de Hoge Raad -, wordt geregeld door artikel 40, §3, van het koninklijk besluit van 12 november 2015, dat luidt: “§
- Indien de beslissing betrekking heeft op de aanwijzing, voordracht of benoeming van personen in andere functies dan deze bedoeld in artikel 24, en er geen consensus inzake de beslissing bestaat, geldt de procedure zoals voorzien in artikel 27, § 1, eerste en tweede lid. Bij staking van stemmen tijdens de tweede ronde is de stem van de voorzitter beslissend. Indien het aantal kandidaten overeenstemt met het aantal te begeven functies, geldt de procedure zoals voorzien in artikel 27, § 2, eerste en tweede lid. Indien het voorstel het in artikel 27, § 2, tweede lid, bedoelde minimum niet behaalt of indien er geen consensus is om over één globaal voorstel te stemmen, wordt voor elke functie een afzonderlijke verkiezing georganiseerd overeenkomstig het eerste lid.” Artikel 27, §§ 1 en 2, van hetzelfde koninklijk besluit bepaalt: “Art.
- §
- De kandidaat die minstens de helft plus een van de geldige stemmen, zonder rekening te houden met de blanco stemmen en de onthoudingen, behaalt, is verkozen. Indien de helft plus een van de geldige stemmen een decimaal getal oplevert, wordt het afgerond naar de lagere eenheid die dan aanzien wordt als dit minimum. Indien geen enkele kandidaat het in het eerste lid bedoelde minimum behaalt, volgt een tweede stemronde waarbij de kandidaat met de meeste geldige stemmen, zonder rekening te houden met de blanco stemmen en de onthoudingen, verkozen is. Bij staking van stemmen tijdens de tweede ronde is de oudste van de kandidaten verkozen. §
- Indien het aantal kandidaten overeenstemt met het aantal te begeven functies kan de vergadering bij consensus beslissen om over één globaal voorstel ter invulling van de verschillende te begeven functies te stemmen. Indien dat voorstel het minimum, zoals bepaald in paragraaf 1, eerste lid, behaalt, zijn de verschillende kandidaten verkozen. XIV-37.729-7/16 Indien dat voorstel dat minimum niet behaalt of indien er geen consensus is om over één globaal voorstel te stemmen, wordt voor elke functie een afzonderlijke verkiezing georganiseerd overeenkomstig paragraaf
- […].” Uit de lezing van de geciteerde bepalingen vloeit op het eerste gezicht voort dat de afwijkende stemprocedure voorzien door artikel 27, §2, van het koninklijk besluit van 12 november 2015 vooronderstelt dat het aantal kandidaten overeenstemt met het aantal te begeven functies. Te dezen stemde het aantal kandidaten evenwel niet overeen met het aantal te begeven functies. Voor de voordracht door de verwerende partij van zes dubbele lijsten van kandidaten voor een benoeming tot werkend/plaatsvervangend lid van de Nationale Arbeidsraad, hebben acht duo‟s zich kandidaat gesteld. Aan de eerste toepassingsvoorwaarde voor artikel 40, §3, tweede lid, juncto artikel 27, §2, van het koninklijk besluit van 12 november 2015 is derhalve niet voldaan. Het standpunt van de verzoekende partij dat de verwerende partij verplicht zou zijn geweest tot de organisatie van een afzonderlijke verkiezing voor elke functie, steunt dan ook op een foutieve lezing van de toepasselijke regelgeving. Voorts blijkt uit de uitslag van de verkiezingen zoals weergegeven onder punt 4.
- dat zowel voor de effectieve leden als voor de plaatsvervangende leden op elk kandidatenduo is gestemd. Het eerste middel is niet ernstig. XIV-37.729-8/16 Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Een tweede middel wordt geput uit de schending van “artikel 2, § 3, van de [wet van 29 mei 1952], artikelen 27 en 23, derde lid, 1°, van de Grondwet (in samenhang gelezen met artikel 11 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, artikel 22 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, artikelen 5 en 6 van het Europees Sociaal Handvest, artikel 8 van het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten, Verdrag nr. 87 van de Internationale Arbeidsorganisatie en Verdrag nr. 98 van de Internationale Arbeidsorganisatie), afzonderlijk, en in samenhang gelezen met het gelijkheidsbeginsel zoals onder meer vervat in de beginselen van behoorlijk bestuur en zoals gewaarborgd door artikelen 10 en 11 van de Grondwet (in samenhang met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens)”. De verzoekende partij stelt in essentie dat de bestreden beslissing de NAR-wet van 29 mei 1952, de vrijheid van vereniging en het recht op collectief onderhandelen waarop zij aanspraak kan maken, al dan niet in samenhang gelezen met het gelijkheidsbeginsel, schendt. De verzoekende partij licht toe dat zij zich als werkgevers- organisatie rechtstreeks kan beroepen op de vrijheid van (vak)vereniging en daarmee het afgeleid recht op collectief onderhandelen. De verzoekende partij vervolgt dat het recht op het collectief onderhandelen kan worden voorbehouden aan representatieve organisaties, op voorwaarde dat dergelijke bevoorrechting in het kader van het representativi- teitsstelsel wordt bepaald op grond van objectieve criteria die vooraf bepaald en gedetailleerd zijn aan de hand van een proces dat partijdigheid en misbruik uitsluit en voor gerechtelijke controle vatbaar is. Daarbij moet volgens de XIV-37.729-9/16 verzoekende partij steeds rekening worden gehouden met de relatieve representativiteit van de verschillende organisaties en moet het gelijkheids- beginsel worden gerespecteerd. De verzoekende partij leidt hieruit af dat de verwerende partij niet kon beslissen om een objectief minder representatieve organisatie voor te dragen ten nadele van een meer representatieve organisatie. De verzoekende partij steunt haar betoog op artikel 2, § 3, van de NAR-wet luidens welk de “meest representatieve werkorganisaties” moeten worden vertegenwoordigd in de Nationale Arbeidsraad. Dit betekent volgens de verzoekende partij dat de Hoge Raad bij haar voordracht rekening moet houden met de relatieve representativiteit van de organisaties die kandidatenlijsten hebben ingediend, en dus steeds die kandidatenlijsten moet voordragen die werden voorgesteld door de organisaties die het meest representatief zijn. Te dezen ziet de verzoekende partij geen enkele verklaring om toe te laten dat de leden van de minder representatieve werkgeversorganisatie UCM zouden worden voorgedragen en vertegenwoordigd in de Nationale Arbeidsraad ten nadele van haarzelf, die meer leden heeft dan UCM en bovendien nationaal actief is, zodat zij “manifest” een meer representatieve werkgeversorganisatie is dan UCM. Beoordeling
- Artikel 2, § 3, van de NAR-wet, zoals vervangen door artikel 91 van de wet van 30 december 2009 „houdende diverse bepalingen‟ luidt: “§
- De leden die de meest representatieve werkgeversorganisaties uit de nijverheid, de diensten, de landbouw, de handel, het ambachtswezen en de niet-commerciële sector vertegenwoordigen, worden gekozen op een door die organisaties voorgedragen dubbele lijst van kandidaten, van wie een bepaald aantal de kleine en de middelgrote ondernemingen alsmede de familiebedrijven vertegenwoordigen. De dertien mandaten voor de meest representatieve werkgeversorganisaties worden als volgt verdeeld : XIV-37.729-10/16 - acht mandaten voor de meest representatieve werkgeversorganisatie die voor het gehele land is opgericht en die de werkgevers uit de absolute meerderheid der sectoren uit de nijverheid, de handel en de diensten vertegenwoordigt voor zover tevens de meerderheid van de werkgevers vertegenwoordigd is. - drie mandaten op voordracht van de Hoge Raad voor de zelfstandigen en de kleine en middelgrote ondernemingen; - één mandaat voor de meest representatieve werkgeversorganisaties die de werkgevers uit de landbouw vertegenwoordigen; - één mandaat voor de meest representatieve werkgeversorganisatie die voor het gehele land is opgericht en die de werkgevers uit de niet-commerciële sector vertegenwoordigt.” In de memorie van toelichting bij het ontwerp van wet dat de wet van 30 december 2009 „houdende diverse bepalingen‟ is geworden, kan worden gelezen dat “[i]n tegenstelling tot de opmerking van de Raad van State de wet niet alleen criteria voor de meest representatieve werknemersorganisaties (zie § 4) bevat, maar ook voor de meest representatieve werkgeversorganisaties. Wat de sectoren van de nijverheid, de handel en de diensten betreft, is vereist dat de organisaties voor het gehele land zijn opgericht, de 3 betrokken sectoren vertegenwoordigen en hierbinnen de grote meerderheid vertegenwoordigen. Wat de kleine en middelgrote ondernemingen betreft, worden criteria opgelegd door de wetten betreffende de organisatie van de Middenstand, gecoördineerd op 28 mei 1979 en het koninklijk besluit tot regeling van de toepassing van de wetten betreffende de organisatie van de Middenstand.” (Parl.St. Kamer, 2009-2010, nr. 52-2299/001) Die wetten „betreffende de organisatie van de Middenstand‟ en het daaraan verbonden koninklijk uitvoeringsbesluit zijn opgeheven en vervangen door de hogergenoemde organieke wet van 24 april 2014 en het koninklijk besluit van 12 november 2015 (supra punten 4.
- en 4.3.). In de thans geldende organieke wet van 24 april 2014 en het daaraan verbonden uitvoeringsbesluit van 12 november 2015 zijn criteria opgenomen die bepalen wanneer beroepsorganisaties en interprofessionele organisaties erkend kunnen worden. Met betrekking tot de interprofessionele organisaties, zoals de verzoekende partij, zijn die erkenningscriteria opgenomen in artikel 4 van de XIV-37.729-11/16 organieke wet van 24 april 2014, gelezen in samenhang met artikel 2 van het koninklijk besluit van 12 november
- Artikel 4, 7°, van die organieke wet bepaalt dat een interprofessionele organisatie om erkend te worden, voldoet aan de door de Koning bepaalde criteria inzake de representativiteit van de organisatie. Artikel 2 van het koninklijk besluit van 12 november 2015 verleent uitvoering aan artikel 4, 7°, van de organieke wet van 24 april
- Deze criteria zijn, transparant, op voorhand bepaald en lijken objectief. Artikel 9 van de organieke wet van 24 april 2014 bepaalt voorts dat “door de erkenning toegekend in het kader van deze wet […, ] de organisatie het statuut van erkende organisatie [verkrijgt] wat een waarborg van haar representativiteit inhoudt”. De erkenning waarborgt met andere woorden de representativiteit. In de memorie van toelichting bij het ontwerp van wet dat tot de genoemde wet heeft geleid, kan immers worden gelezen dat “[d]oor de erkenning van de representatieve beroeps- en interprofessionele organisaties de beleidsverantwoordelijken [weten] met welke gesprekspartners zij daartoe best in overleg treden. Momenteel zijn er zo ongeveer 170 organisaties erkend. De Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen groepeert in zijn midden al die erkende beroeps- en interprofessionele organisaties en kan daarom naar de beleidsverantwoordelijken toe als spreekbuis optreden voor alle zelfstandigen en kmo‟s”. Artikel 15 van diezelfde organieke wet bevestigt dat de leden van de Hoge Raad vertegenwoordigers zijn van de erkende organisaties. Uit het aangehaalde artikel 9 van dezelfde wet volgt derhalve dat de Hoge Raad is samengesteld uit representatieve organisaties. Er wordt op het eerste gezicht in die wet geen verder onderscheid gemaakt tussen haar leden, in die zin dat de ene organisatie minder of meer representatief zou zijn dan de andere. Wel integendeel lijkt de normsteller met de betrokken wet en het uitvoeringsbesluit van 12 november 2015 een eigen mechanisme te hebben ontwikkeld dat moet toelaten aan het vereiste van de “meest representatieve werkgeversorganisaties” in de zin van de NAR-wet invulling te geven, namelijk een verkiezing voor een vertegenwoordiging in de NAR waaraan alle erkende - en, derhalve, representatieve - leden van de Hoge Raad kunnen deelnemen. XIV-37.729-12/16 Zo bepaalt artikel 26 van de bedoelde organieke wet van 24 april 2014 nog dat, indien de vertegenwoordiging van de zelfstandigen en de kmo‟s in andere federale organen wordt vastgelegd (de zogenoemde “externe vertegenwoordiging”), deze vertegenwoordigers door de Hoge Raad worden voorgedragen wanneer er geen specifieke bepalingen inzake die aanwijzing of voordracht bij wet of koninklijk besluit genomen zijn (artikel 26, § 1). De Hoge Raad maakt een dubbele lijst op van de kandidaten, onder wie de gewone en plaatsvervangende leden worden aangewezen die tot taak hebben in de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven alsmede in de Nationale Arbeidsraad de activiteiten- sectoren te vertegenwoordigen welke in zijn midden en bij die raden zijn vertegenwoordigd (artikel 26, § 2). Artikel 27 van het koninklijk besluit van 12 november 2015 (cfr. supra punt 8), tot slot, bepaalt de in artikel 26 bedoelde verkiezings- procedure: de kandidaat die (in de eerste stemronde), zonder rekening te houden met de blanco stemmen en de onthoudingen, minstens de helft plus een van de geldige stemmen, behaalt, is verkozen.
- Zonder het met zoveel woorden te zeggen - en ook op de terechtzitting blijft de verzoekende partij daarover, desgevraagd, vaag -, lijkt het betoog van de verzoekende partij er in wezen op neer te komen dat het door de normsteller uitgewerkte mechanisme dat in punt
- is uiteengezet, op zich niet zou kunnen waarborgen dat de meest representatieve werkgeversorganisaties worden voorgedragen als toekomstige leden van de NAR. Dit lijkt een kritiek op de wet te zijn. Volgens de verzoekende partijen is de relatieve representati- viteit van de kandiderende organisaties volgens ledenaantal en geografische activiteit determinerend. Zulks lijkt evenwel op het eerste gezicht niet onomwonden besloten te liggen in de bepalingen of beginselen die de verzoekende partij als geschonden inroept. XIV-37.729-13/16 De sociale grondrechten waarop de verzoekende partij zich beroept, impliceren weliswaar dat zij niet mag worden uitgesloten van de mogelijkheid kandidaten voor te stellen met het oog op lidmaatschap van externe organen en van de stemming, maar lijken niet ook te waarborgen dat de door haar voorgedragen kandidaten ook effectief moeten worden voorgedragen door de Hoge Raad. De bepaling van artikel 2, § 3, tweede lid, tweede streepje, van de NAR-wet (cfr. aangehaald in punt 10.) lijkt voorts de invulling van de “meest representatieve werkgeversorganisaties” voor wat de zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen betreft, enkel te koppelen aan de voordracht door de Hoge Raad. Artikel 26 van de organieke wet draagt de externe vertegenwoordi- ging van de zelfstandigen en kmo‟s effectief op aan de Hoge Raad wanneer er geen specifieke bepalingen inzake die aanwijzing of voordracht bij wet of koninklijk besluit zijn genomen. In de memorie van toelichting bij die bepaling kan worden gelezen dat “[d]e Hoge Raad […] de meest geschikte instantie [is] om de vertegenwoordigers van de zelfstandigen en de kmo‟s voor te dragen wanneer daarover geen andere bepalingen bij wet of koninklijk besluit genomen zijn. Deze wet garandeert namelijk de representativiteit van de Hoge Raad en van de bij hem vertegenwoordigde erkende beroeps- en interprofessionele organisaties” (Parl.St. Kamer, 2013-2014, nr. 53-3323/001). Noch de NAR-wet, noch de organieke wet van 24 april 2014 bevatten vaste criteria voor dit segment van het economisch leven (zelfstandigen en kmo‟s) om de “meest representatieve werkgeversorganisaties” te bepalen. Gelet op de inhoud van het hiervoor aangehaalde artikel 26 van laatstgenoemde wet lijkt overigens de vertegen- woordiging van de activiteitensectoren minstens even relevant als het ledenaantal en de geografische activiteit. De verzoekende partij heeft voorts op gelijke wijze als de andere leden van de Hoge Raad kunnen deelnemen aan de verkiezingen en lijkt al evenmin het systeem zelf van een verkiezing te betwisten, wel de wijze waarop die is verlopen (cfr. het eerste middel). Een voor haar nadelig resultaat van de verkiezingen doet hieraan geen afbreuk. XIV-37.729-14/16 Hieruit volgt prima facie, en nog daargelaten de vraag welke waarde moet worden gehecht aan de ledenaantallen en geografische activiteit naar representativiteit toe van de verzoekende partij, dat de bestreden beslissing, die het resultaat is van een verkiezing waaraan alle organisaties die de Hoge Raad in zijn midden heeft, hebben kunnen deelnemen en waarbij die kandidaten worden gekozen die blijkens die verkiezing het meest geschikt worden geacht om de activiteitsectoren in de schoot van de Hoge Raad en de Nationale Arbeidsraad te vertegenwoordigen, niet onverenigbaar met de in het tweede middel ingeroepen bepalingen en beginselen.
- Het tweede middel is niet ernstig.
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. VIII. Kosten
- Wat de vraag van de verzoekende partij tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring. BESLISSING
- Het verzoek van UNIZO respectievelijk UCM tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd.
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 300 euro, elk voor de helft. XIV-37.729-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien november tweeduizend achttien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Kaat Leus, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Kaat Leus XIV-37.729-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.935 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.369 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div