id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.992 Rolnummer: A. 222071/IX-9060 Zaak: Arrest 242992 - Examens (onderwijs) - 20/11/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-11-27 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-24 22:23 Fiche Arrest nr 242.992 van 20 november 2018 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 242.992 van 20 november 2018 in de zaak A. 222.071/IX-9060 In zake: de ARTESIS PLANTIJN HOGESCHOOL ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Van Caeneghem kantoor houdend te 2000 Antwerpen Vrijheidstraat 32 bus 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: Eva VAN HERCK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het administratief cassatieberoep
- Het administratief cassatieberoep, ingesteld op 28 april 2017, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. 3578 van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen van 28 maart
- II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking nr. 12.417 van 11 mei 2017 is het cassatiebe- roep toelaatbaar verklaard. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Jurgen Neuts heeft een verslag opgesteld. IX-9060-1/9 De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 november
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Rikkert Schoofs, die loco advocaat Wim Van Caeneghem verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Carmen Adriaenssens, die loco advocaat Christophe Vangeel verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend ad- vies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verweerster is in het academiejaar 2015-2016 ingeschreven in de opleiding „bachelor in de verpleegkunde‟ aan de Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen. Voor het opleidingsonderdeel „Klinisch onderwijs 3.2: Mana- gementstage‟ behaalt verweerster 6/
- Op bezwaar van verweerster past de beroepsinstantie van ver- zoekster die score aan naar 8/
- IX-9060-2/9 De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissin- gen vernietigt deze studievoortgangsbeslissing bij arrest nr. 3053 van 8 september
- De daaropvolgende beslissing van 20 september 2016 van de beroepsinstantie van verzoekster wordt vernietigd bij arrest nr. 3470 van 20 de- cember 2016 van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissin- gen. Op 19 januari 2017 neemt de beroepsinstantie van verzoekster opnieuw een beslissing. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissin- gen vernietigt bij arrest nr. 3578 van 28 maart 2017 ook deze beslissing. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging 4.
- In de memorie van wederantwoord vraagt verzoekster om de memorie van antwoord van verweerster wegens laattijdigheid te weren uit het debat. 4.
- Verweerster werd bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs van 23 mei 2017 in kennis gesteld van het verzoekschrift en de beschikking waarbij het huidige cassatieberoep toelaatbaar werd verklaard. Zij heeft die zen- ding ontvangen op 26 mei
- De op 22 juni 2017 ingediende memorie van antwoord is der- halve binnen de in artikel 13 van het cassatieprocedurereglement vermelde ter- mijn van dertig dagen neergelegd. 4.
- Er is geen reden om de memorie van antwoord uit het debat te weren. IX-9060-3/9 V. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
- Het enige middel luidt “schending van de (materiële) bevoegd- heid van de Raad voor Betwistingen inzake Studievoortgangsbeslissingen, zoals omschreven door artikel II.291 Codex hoger onderwijs”. In het aangevochten arrest oordeelt de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen dat de lectoren, stagementoren en verpleeg- kundigen bij hun besluit dat de student de vereiste competenties nog niet be- heerst, de vaststellingen die zij in de loop van de stage deden en die uit de dag- reflecties en de feedback zijn gebleken te streng beoordeeld hebben en dat zij de evolutie die de student heeft doorgemaakt onvoldoende in rekening hebben ge- bracht. Hoewel de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen in zijn arrest vaststelt dat bepaalde competenties inderdaad niet bereikt werden, het niet onredelijk was om hiervoor een onvoldoende toe te kennen en dit ook blijkt uit de motivatie en de bijgebrachte stukken, is deze Raad toch van oordeel dat de beslissing van de beroepscommissie onvoldoende werd gemotiveerd. Het staat niet aan de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen om te oordelen welk gewicht aan bepaalde vaststellingen gegeven dient te worden. Door dit wel te doen, treedt hij in de plaats van verzoekster, wat niet tot zijn be- voegdheden behoort. De toetsingscriteria en hun onderlinge verhoudingen werden vooraf omschreven en aan de studenten ter kennis gebracht en toegelicht. Alle studenten werden op gelijke voet geëvalueerd. Indien verzoekster de aan ver- weerster toegekende score nog gedetailleerder moet motiveren en bijkomende criteria moet betrekken, wordt het gelijkheidsbeginsel geschonden. De door de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen met het bestreden arrest vernietigde beslissing is formeel én materieel afdoende gemotiveerd. Ver- weerster kan daaruit onbetwistbaar afleiden waarom zij een onvoldoende behaal- IX-9060-4/9 de. Ook het voortgangsverslag waarmee de stage werd afgesloten geeft duidelijk de verschillende problemen aan. Er wordt daarin ook aangegeven dat de dagre- flecties van verweerster te summier zijn ingevuld en dat niet alle problemen wer- den weergegeven. Dat verweerster sommige vaststellingen betwist, volstaat ech- ter niet om te besluiten dat de motieven van de beslissing van de beroepsinstantie het redelijkheidsbeginsel schenden. Alle beoordelaars worden geacht voldoende deskundigheid te bezitten in de te beoordelen materie, zodat behoudens tegenbe- wijs hun oordeel over de geleverde prestaties ten volle in aanmerking moet wor- den genomen. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen bespreekt de documenten waaruit de beoordelaars van verweerster afleiden dat zij niet de vereiste competenties heeft bereikt. Verweerster voert enkel aan dat zij de indruk had dat de stage goed verlopen was en dat er sprake was van een positieve evolutie. Dat volstaat niet om het vermoeden van deskundigheid aan het wanke- len te brengen. Door te oordelen dat nog meer verduidelijkt moet worden van wie een opmerking in de aangehaalde bronnen uitgaat en wat de rol van de betrokke- ne in het stageproces was, betwist de eerste rechter de professionele bekwaam- heid van de stagementoren. Alle commentaren zijn trouwens gelijklopend. Deze werkwijze van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen gaat ruim de “marginale toetsing” voorbij. Door te stellen dat als verzoekster beslist om bepaalde elemen- ten uit de dagreflecties of van het platform werkplekleren niet bij de beoordeling te betrekken, zij die keuze nog explicieter in de nieuwe beslissing moet aangeven, gaat de Raad dan weer in tegen zijn eerdere arrest nr. 3053 van 8 september 2016, waarin werd geoordeeld dat de motiveringsplicht niet vereist dat de argumentatie van verweerster punt per punt wordt beantwoord. Er zijn belangrijke tekortko- mingen vastgesteld in hoofde van verweerster; deze zijn ook terug te vinden in haar eigen dagreflecties. Die leiden noodgedwongen en in alle redelijkheid tot de vaststelling dat de vereiste competenties niet werden bereikt. Verzoekster wijst op de specificiteit van de opleiding: het is, in het belang van de patiënt, onont- beerlijk dat de verpleegkundige over alle competenties beschikt. Ook voor de beoordeling van de competenties beschikt de Raad voor betwistingen inzake stu- IX-9060-5/9 dievoortgangsbeslissingen slechts over een marginaal toetsingsrecht. Hij geeft meermaals aan dat hij niet kan vaststellen of verzoekster in alle redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, maar de Raad moet enkel onderzoeken of de beslissing kennelijk de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat. Hier gaat de Raad verder: hij analyseert de feitelijke vaststellingen tot in de details om vervol- gens de competentie van de beoordelaars te betwisten. Uit de stukken blijkt dat in de laatste beslissing van de beroepsinstantie tabellen zijn opgenomen waaruit blijkt welke feitelijke elementen tot welke beoordeling van de competenties heb- ben geleid. Beoordeling
- Artikel II.291 van de Codex Hoger Onderwijs luidt: “De Raad beoordeelt of studievoortgangsbeslissingen in overeenstemming zijn met: 1° de decretale en reglementaire bepalingen en het onderwijs- en examen- reglement; 2° de algemene administratieve beginselen. De Raad stelt zijn appreciatie betreffende de waarde van een kandidaat niet in de plaats van die van het bestuur of enig orgaan dat werkt onder de verantwoordelijkheid van het bestuur.”
- De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissin- gen gaat in het bestreden arrest na of de aan verweerster toegekende, in cijfers 0, 1 of 2 uitgedrukte scores voor de verschillende toetsingscriteria ter beoordeling van het opleidingsonderdeel „Klinisch onderwijs 3.2: Managementstage‟ niet alleen formeel gemotiveerd zijn, maar ook over de rechtens vereiste feitelijke grondslag beschikken en dus uit oogpunt van de materiëlemotiveringsplicht deugdelijk verantwoord zijn. Deze rechter heeft met andere woorden in het arrest onderzocht of de gegeven motivering gedragen kan worden door de feitelijke elementen die in het dossier aanwezig zijn. Daarbij heeft hij bijzondere aandacht besteed aan wat verzoekster voor iedere motivering of „conclusie‟ van elk crite- rium in de voorgelegde evaluatiebeslissing zelf als „bron‟ heeft vermeld. IX-9060-6/9 Zo oordeelt de Raad voor betwistingen inzake studievoort- gangsbeslissingen dat voldoende elementen voorhanden zijn om voor bepaalde criteria de aangegeven conclusie te dragen en dat de aan verweerster toegekende score aannemelijk en niet “kennelijk onredelijk” is; het betreft meer bepaald de beoordelingscriteria „feedback vragen‟, „zelfreflectie‟, „zelfvertrouwen‟, „asserti- viteit‟, „opnemen verantwoordelijkheid‟, „persoonlijke interesse, stiptheid en mo- tivatie‟ en „initiatief nemen‟. Voor een reeks andere beoordelingscriteria leidt het onderzoek van de onderliggende stukken de Raad voor betwistingen inzake studievoort- gangsbeslissingen tot de conclusie dat hij niet kan vaststellen of verzoekster in redelijkheid tot de vastgestelde score mocht komen; het betreft meer bepaald de beoordelingscriteria „kennis‟, „systematisch plannen en organiseren‟, „werktem- po‟, „kwaliteit van het werk‟, „uitvoering met aandacht voor de patiënt‟, „rappor- tage‟, „veiligheid‟, „materiaal‟, „samenwerken‟, „omgang met patiënt, zijn omge- ving en team‟, „innovatie‟ en „voorkomen‟. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissin- gen besluit, alle aspecten van de beoordelingstabel in overweging nemend, dat de beslissing niet afdoende gemotiveerd is om te kunnen standhouden omdat hij op basis van de bijgebrachte motivering niet kan vaststellen of de beoordeling re- gelmatig is en de grenzen van de redelijkheid niet te buiten gaat.
- Zo doende heeft de Raad voor betwistingen inzake studievoort- gangsbeslissingen zich niet in de plaats gesteld van verzoekster om de evaluatie van de prestaties van verweerster over te doen, maar heeft hij de beslissing over- eenkomstig de in het middel aangevoerde codexbepaling getoetst aan “de alge- mene administratieve beginselen”, namelijk aan de materiëlemotiveringsplicht en het redelijkheidsbeginsel. IX-9060-7/9 Dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslis- singen de score voor bepaalde deelcriteria wel afdoende en deugdelijk gemoti- veerd acht, laat niet toe anders te besluiten. Integendeel, indien de Raad voor be- twistingen inzake studievoortgangsbeslissingen zou besluiten dat er, alles samen- genomen – en dus ondanks de door hem vastgestelde motiveringsgebreken in de evaluatie – toch voldoende elementen voorhanden zouden zijn om de gegeven quotering te behouden, zou deze rechter zich precies in de plaats van verzoekster stellen.
- Overigens – want vreemd aan het cassatiemiddel – mag eraan herinnerd dat het gegeven dat evaluatoren worden vermoed deskundig te zijn, verzoekster niet ontslaat van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht. Voorts kan een loutere puntenscore nooit volstaan als rechtens vereiste feitelijke grondslag voor de evaluatie van een opleidingsonderdeel. Ook de overige in de toelichting gemaakte opmerkingen zijn vreemd aan de codexbepaling waarvan het cassatiemiddel de schending aanvoert.
- Het middel is ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatiebe- roep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. IX-9060-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 20 november 2018, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9060-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.992 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.