id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.002 Rolnummer: A. 217463/X-16399 Zaak: Arrest 243002 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 20/11/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-11-30 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-24 18:45 Fiche Arrest nr 243.002 van 20 november 2018 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 243.002 van 20 november 2018 in de zaak A. 217.463/X-16.399. In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Van Baeveghem kantoor houdend te 9200 Dendermonde Brusselsestraat 108 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : 1. het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering en door de beroepscommissie voor tuchtzaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Geelen en Wouter Moonen kantoor houdend te 3500 Hasselt Gouverneur Roppesingel 131 bij wie woonplaats wordt gekozen 2. de GEMEENTE XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Willy Van Der Gucht kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 34 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 2 november 2015, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de tuchtcommissie van de gemeenteraad van de gemeente XXXX van 2 maart 2015 om XXXX de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen, evenals van het besluit van de beroepscommissie voor tuchtzaken van 31 augustus 2015 om de eerste beslissing niet te vernietigen. X-16.399-1/29 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 234.634 van 3 mei 2016 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing ingewilligd. De verwerende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Sofie De Doncker heeft een verslag opgesteld. De verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2018. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bart Van Baeveghem, die verschijnt voor verzoeker, advocaat Wouter Moonen, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en advocaat Willy Van Der Gucht, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Sofie De Doncker heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. X-16.399-2/29 III. Feiten 3. Wat de uiteenzetting van de feiten betreft, wordt verwezen naar ’s Raads arrest nr. 234.634 van 3 mei 2016. IV. Regelmatigheid van de procedure 4. Met een op 17 september 2018 gedateerd verzoekschrift is namens de tweede verwerende partij een verzoek tot wraking ingediend. Aangezien het zonder voorwerp is geworden, behoeft er geen uitspraak meer over te worden gedaan. V. Onderzoek van het derde, vierde en vijfde middel Standpunt van de partijen 5.1. Verzoeker voert in zijn verzoekschrift een derde middel aan: “schending van de artikelen 2 en 3, Wet 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, artikel 142, Gemeente- decreet, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het materieel motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, gebrek aan bewijskracht van de verklaringen en getuigenissen van de leden van het college van burgemeester en schepenen en de heer [F. V.] (financieel beheerder) wegens vooringenomenheid en vijandigheid ten aanzien van de verzoekende partij”. Het middel verwijt de verklaringen en getuigenissen van de leden van het schepencollege en van de financieel beheerder gebrek aan bewijskracht “wegens vooringenomenheid en vijandigheid ten aanzien van de persoon van de verzoekende partij (partijdigheid)”. In dat verband merkt verzoeker onder andere op dat er in de gemeente sinds het najaar van 2013 wordt gewerkt met “schaduwcolleges” waarbij verzoeker niet aanwezig is, dat de leden van het college een “ongekende verbetenheid” aan de dag leggen om hem “gratuit te beschuldigen van talrijke mogelijke tuchtfeiten”, en dat schepen E. L. de X-16.399-3/29 zienswijze van verzoeker uitdrukkelijk heeft bevestigd tijdens zijn getuigenverhoor van 15 december 2014. In deze context, aldus verzoeker, is het voor de tuchtcommissie relevant om elementen aangebracht door buitenstaanders te betrekken in haar beoordeling. Meer bepaald verwijst verzoeker naar de verklaring van G. B., die als enige externe persoon door de tuchtcommissie is gehoord, en naar de resultaten van een conflictanalyse door de externe dienst Securex, beëindigd op 11 september 2014, die de bevoegde schepen “halsstarrig” weigert ter beschikking te stellen. Volgens verzoeker doet de bestreden tuchtbeslissing “deze elementen geheel ten onrechte eenvoudigweg af als irrelevant zonder er op in te gaan”. 5.2. In een vierde middel doet verzoeker de schending gelden “van de artikelen 2 en 3, Wet 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, artikel 142, Gemeentedecreet, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het materieel motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, ongegrondheid van de weerhouden tenlasteleggingen”. Hij betoogt dat de tuchtfeiten die de eerste bestreden beslissing in aanmerking neemt, niet voor bewezen kunnen worden gehouden: - Obstructie bij het opstellen en de implementatie van de beleids- en beheerscyclus (hierna: BBC) (derde tenlastelegging). De tuchtcommissie verwijst uitsluitend naar het gevoerde tuchtonderzoek en sluit zich daarbij aan; het verweer van verzoeker wordt zelfs niet betrokken bij de beoordeling. “Obstructie” houdt een bewust tegenwerken in; het vermeend gebrek aan initiatief van verzoeker is niet relevant voor het bewezen zijn van de tenlastelegging. Als verzoeker sinds 2012 niet zou meewerken aan de BBC, dan is het opmerkelijk dat hierover nooit een tuchtprocedure is gevoerd en is de tenlastelegging verjaard. Verzoeker “heeft wel degelijk een bijdrage geleverd voor zover dit hem is toegelaten”. Hij heeft daaromtrent stukken bijgebracht. Daaruit blijkt formeel dat hij zijn medewerking heeft verleend aan de aanpassing van het meerjarenplan en de budgetwijzigingen, evenals aan de werking van het X-16.399-4/29 managementteam. Evenwel hebben schepen J. J. en de financieel beheerder bewust de hele meerjarenplanning-BBC naar zich toegetrokken en stonden zij niet open voor suggesties, laat staan voor andere inzichten. - Moedwillig blijven weigeren van de betaling van zitpenningen van eerdere tuchtcommissies (vierde tenlastelegging). De tuchtbeslissing citeert het standpunt van de tuchtonderzoeker en verwijst slechts selectief naar verzoekers verweer. Verzoeker heeft inderdaad geweigerd om op 7 februari 2013 de presentiegelden te betalen, om te vermijden dat hij in tegenspraak zou handelen met het verweer dat hij ter gelegenheid van een voorgaande tuchtprocedure heeft gevoerd en waarbij hij steeds heeft betoogd dat de tuchtcommissie onwettig was samengesteld. Vervolgens heeft het college van burgemeester en schepenen maar liefst vier maanden gewacht om die beslissing te overrulen en nog eens een maand om de provinciegouverneur de gevraagde bijkomende informatie te verschaffen. Voor het overige is het de financieel beheerder die bepaalt wanneer en hoe een uitgave ter betaling wordt aangeboden, die de betaalopdrachten op een betaallijst van Belfius zet en die de betalingen aanmaakt. Het tuchtfeit is verjaard, minstens niet bewezen. - Moedwillig vertragen van de eigen evaluatieprocedure (vijfde tenlastelegging). De tuchtcommissie heeft de tenlastelegging beperkt tot het moedwillig vertragen van de evaluatieprocedure op het niveau van de overheidsopdracht in de periode tussen 12 december 2013 en 20 januari 2014. De tenlastelegging is een “klassieker”; in elk van de drie voorgaande tuchtdossiers is een tuchtfeit in die zin opgenomen. De tuchtcommissie laat na de correcte context te schetsen en die, tezamen met verzoekers standpunt, bij haar beoordeling te betrekken. Vanwege de voorgeschiedenis heeft verzoeker voorbehoud gemaakt ten aanzien van CPM (Consultants in Personnel Management) Gent. Voorts moesten de brieven nogmaals worden uitgeprint omdat vanaf 1 januari 2014 het briefpapier van de gemeente gewijzigd was. Ook mag verzoekers vakantieverlof van 23 december 2013 tot en met 1 januari 2014 niet vergeten worden. Uiteindelijk is de opening van de offertes met slechts één week verschoven, naar 18 februari 2014. Een en ander “staat overigens in schril contrast met de maanden en jaren die het bestuur heeft laten voorbijgaan in het kader van de evaluatieprocedure”. X-16.399-5/29 - Obstructie bij de organisatie van bewonersvergaderingen (zesde tenlastelegging). Volgens verzoeker wordt hem in essentie het gebrek aan communicatie verweten over het terugkomen op een bestaande afspraak in verband met het digitaal ondertekenen van briefwisseling. Er mag hieruit niet worden geoordeeld dat hij bewust beoogd zou hebben om de organisatie van de betrokken bewonersvergaderingen te belemmeren. Verzoeker heeft zijns inziens aan de tuchtcommissie bewezen dat er geen vaste lijn zit in de ondertekening van de bewonersbrieven “waardoor niet kan worden gesproken van een vaste regeling/werkwijze dan [...] wel het terugkomen op deze vaste regeling/werkwijze”. In 2014 zijn de bewonersbrieven “nagenoeg allemaal door iedereen origineel ondertekend op een enkele uitzondering na”. Indien de schepenen B. V. en P. R. erop staan dat zij op bewonersbrieven worden vermeld en dat hun handtekening mee wordt opgenomen, moeten zij zich naar de toepasselijke regels gedragen. De enige wettige wijze van ondertekenen vereist de originele handtekening. - Moedwillig foute informatie over beslissingen van het college van burgemeester en schepenen verspreiden (zevende tenlastelegging). Over het plaatsen van een groot scherm voor de WK-wedstrijden van de Rode Duivels was er van meet af aan de grootste spraakverwarring. Schepen P. R. heeft op 26 november 2013 voor zijn beurt gesproken; dit wordt bevestigd door de getuigenverklaring van schepen B. V. die zelf verwijst naar de bespreking in de schoot van het schepencollege in januari of februari 2014. Het klopt niet dat er onmiddellijk een consensus bestond binnen het college en al zeker niet op het ogenblik dat schepen P. R. beweert. Wat de invulling van blok C van het gemeentehuis betreft, doet verzoeker gelden meermaals aan schepen E. L. te hebben uitgelegd dat de tweede verdieping niet geschikt is voor een dienstverlening als het Sociaal Huis. Inderdaad heeft verzoeker er naar gestreefd om het oorspronkelijke plan uit te voeren dat door de toenmalige stuurgroep en het toenmalige schepencollege “gevalideerd” was. Slechts op 15 mei 2014 heeft het schepencollege de principebeslissing genomen om de lokalen op de tweede verdieping toe te voegen aan het Sociaal Huis, nadat de nodige ingrepen zijn gebeurd. Die ingrepen werden nog niet uitgevoerd. Het schepencollege is bevoegd om de openingsuren voor de diensten Sociale Zaken en Huisvesting vast te stellen en te wijzigen, maar de gemeenteraad heeft X-16.399-6/29 de uurroosters voor de verschillende diensten bepaald als bijlage bij het arbeidsreglement. Weliswaar is de avonddienst op woensdagnamiddag niet populair bij de dienst Sociale Zaken en Huisvesting sinds die in het Sociaal Huis gehuisvest is, maar de gemeentesecretaris moet zich houden aan wat de gemeenteraad heeft vastgesteld. - Moedwillig wijzigen van de authentieke akte in dossier Graalridders Gudrun (achtste tenlastelegging). Volgens de bestreden tuchtbeslissing blijkt uit de stukken dat de gemeentesecretaris de instrumenterende notaris zonder voorafgaand overleg met de burgemeester zou hebben gevraagd om wijzigingen aan te brengen in de authentieke akte. Evenwel heeft verzoeker alleen, en in alle openheid, in een e-mail van 13 december 2013 aan de burgemeester, met de notaris in cc, een verwijzing gesuggereerd naar de ingekomen brief van de toezichthoudende overheid van 12 december 2013. Die suggestie is niet gelijk te stellen met het wijzigen van een authentieke akte en de burgemeester is van de suggestie uitdrukkelijk in kennis gesteld. Het is de notaris die beslist heeft de brief in de ontwerptekst van de notariële akte op te nemen. Dat is ook het geval voor de vermelding van de voorzitter van de gemeenteraad in de ontwerpakte. De notaris is daar blijkbaar toe gekomen omdat de gemeenteraadsbeslissing is ondertekend door de voorzitter van de gemeenteraad en medeondertekend door de gemeentesecretaris. 5.3. Een vijfde middel voert de schending aan “van de artikelen 2 en 3, Wet 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, artikel 142, Gemeentedecreet, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het materieel motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel”. Toegelicht wordt dat er blijkens de tuchtbeslissing sprake zou zijn van “blijvende onwil” in hoofde van verzoeker om zijn houding en gedrag te corrigeren. Die blijvende onwil kan naar de mening van verzoeker echter niet worden verantwoord door de in aanmerking genomen tenlasteleggingen. Evenmin wordt verantwoord dat de vertrouwensbreuk “uitsluitend” te wijten zou zijn aan de houding van verzoeker. Er wordt geheel voorbijgegaan aan verzoekers X-16.399-7/29 verweer over de context waarbinnen moet worden gewerkt. De gebreken in de samenwerking worden gemakshalve en ten onrechte volledig toegerekend aan verzoeker. Op basis van enkele tenlasteleggingen kan geen algemene houding worden aangenomen dat de gemeentesecretaris zich niet loyaal zou gedragen. De tuchtstraf van ontslag van ambtswege staat ook in schril contrast met de termijnen die zijn verstreken, de duur van het tuchtonderzoek en de duur van de tuchtprocedure. 6.1. Met betrekking tot het derde middel werpt de gemeente als tweede verwerende partij in haar memorie van antwoord tegen dat niet aannemelijk wordt gemaakt dat er in hoofde van verschillende getuigen effectief sprake was van vooringenomenheid of een persoonlijke vijandigheid. De diverse getuigenverklaringen stemmen dermate met elkaar overeen dat het “absoluut niet onredelijk” is er grote bewijswaarde aan toe te kennen. Uit het feit dat een professionele relatie niet van een leien dakje loopt, kan niet worden afgeleid dat er ongeloofwaardige verklaringen worden afgelegd. Wat de conflictanalyse door Securex betreft, ziet de tweede verwerende partij niet wat verzoeker concreet wil aantonen. Verzoeker “toont ook niet aan dat de mogelijkheid bestond om de conflictanalyse bij te brengen in het tuchtonderzoek”, noch “dat het bijbrengen ervan enige inhoudelijke relevantie zou hebben voor de beoordeling van de tuchtfeiten”. De conflictanalyse staat de iure volledig los van een tuchtrechtelijk gebeuren en betreft een vertrouwelijk stuk dat “louter bestemd was voor de bevoegde schepen van personeel”. De tuchtcommissie had er geen kennis van, zodat zij er ook geen rekening mee kon houden. Het staat niet aan de Raad van State om met dit stuk, waarvan de tuchtoverheid zelf geen kennis had of kon hebben, rekening te houden. 6.2. Aangaande het vierde middel meent de tweede verwerende partij in haar memorie van antwoord dat verzoeker niet aannemelijk maakt “dat de tuchtoverheid bij zijn beoordeling van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten, tot een conclusie is gekomen die de grenzen van de redelijkheid te buiten zou gaan”. X-16.399-8/29 - Inzake “Obstructie bij het opstellen en de implementatie van de BBC” (derde tenlastelegging) hebben schepen J. J. en de financieel beheerder zich in ondubbelzinnige bewoordingen uitgesproken. Naast hun verklaringen is er ook de bevestiging van F. D. De tuchtrechtelijk bevoegde overheid is met een brief van het schepencollege van 13 februari 2014 op de hoogte gesteld van de ten laste gelegde feiten en op 12 maart 2014 besliste de tuchtcommissie om een tuchtprocedure te starten. De tenlastelegging is bijgevolg niet verjaard. De Raad van State kan “de bewezenverklaring van deze tenlastelegging bezwaarlijk […] beoordelen in het licht van de conflictanalyse” waarvan de tuchtoverheid niet eens kennis had. Daarenboven doen de resultaten van die analyse geen afbreuk “aan het tuchtrechtelijk karakter van de bewezen verklaarde feiten”. - Ook de tenlastelegging “Moedwillig blijven weigeren van de betaling van zitpenningen van eerdere tuchtcommissies” (vierde tenlastelegging) is niet verjaard. De tenlastelegging is niet beperkt tot het weigeren op 7 februari 2013, maar betreft het “blijven” weigeren. De presentiegelden zijn uiteindelijk maar op 21 januari 2014 betaald; pas van dan af kan de verjaringstermijn lopen. De weigering was volkomen ten onrechte, zoals genoegzaam blijkt uit de brief van de provinciegouverneur van 19 december 2013. Er was bovendien belangenvermenging, doordat verzoeker “in deze zijn eigen belang heeft laten primeren boven het rechtmatig belang van de leden van de tuchtcommissie”. Er mag geen abstractie worden gemaakt van “de dreigende toon” waarin de brief van 7 februari 2013 is opgesteld. - Wat de vijfde tenlastelegging, “Moedwillig vertragen van de eigen evaluatieprocedure”, betreft, betwist de tweede verwerende partij dat verzoeker zich niet mengde in de overheidsopdracht met betrekking tot zijn eigen evaluatie. Verwezen wordt naar de e-mails die in dat verband worden voorgelegd. De tenlastelegging is niet beperkt “tot hetgeen zich afspeelde in de periode van 13 januari 2014 t.e.m. 18 februari 2014, maar heeft ook betrekking op het gedrag van de verzoekende partij in de daaraan voorafgaande periode”. Zo wordt in de bestreden beslissing uitdrukkelijk verwezen naar de “deconstructieve houding van de verzoekende partij ten aanzien van de destijds aangeduide externe dienstverlener CPM”. X-16.399-9/29 - Volgens de gemeente is ook terecht “[o]bstructie bij de organisatie van bewonersvergaderingen” (zesde tenlastelegging) voor bewezen gehouden. De praktijk waarbij schepen P. R. en B. V. eerst hun digitale handtekening plaatsten en de burgemeester en de gemeentesecretaris vervolgens hun echte handtekening, werd effectief toegepast. Plots, op een gegeven moment, achtte verzoeker die praktijk niet meer toelaatbaar, zonder de schepenen hierover in te lichten. Het louter doorstrepen van de brief en het niet verzenden ervan zonder daarover te communiceren met de bevoegde schepen, getuigt van een deloyale houding. - Met betrekking tot de zevende tenlastelegging, en meer bepaald de organisatie van het WK voetbal op een groot scherm, blijkt uit getuigenissen dat verzoeker zijn eigen wil wou doordrijven (organisatie in de sporthal) en de voorkeur van het college niet wou uitvoeren. Het loutere feit dat de eensgezindheid binnen het schepencollege omtrent de organisatie van het WK voetbal op groot scherm niet in een formele beslissing was gegoten, doet daaraan geen afbreuk. Ook in zijn verzoekschrift erkent verzoeker, wat de invulling van blok C van het gemeentehuis betreft, dat hij er inderdaad naar gestreefd heeft het oorspronkelijke plan uit te voeren. Als gemeentesecretaris moet hij zich echter houden aan de onderrichtingen die hem door het college van burgemeester en schepenen gegeven worden. Aangaande het sluitingsuur van het Sociaal Huis houdt de secretaris klaarblijkelijk geen rekening met het feit dat door de beperking van het openingsuur tot 17.00 u een tewerkstelling aan het onthaal “compleet zinloos” was geworden. Bij de invulling van Blok C van het Sociaal Huis en bij de organisatie van het WK voetbal handelde de verzoekende partij doelbewust in strijd met de plannen van het schepencollege. - In verband met het “Moedwillig wijzigen van de authentieke akte in dossier Graalridders Gudrun” (achtste tenlastelegging) is het naar de mening van de tweede verwerende partij in de eerste plaats merkwaardig dat de gemeentesecretaris buiten het medeweten van de gemeenteraad en het schepencollege een adviesaanvraag tot de diensten van de gouverneur heeft gericht. Door verzoekers toedoen week de akte die de gemeenteraad had goedgekeurd af van de akte die op 19 december 2013 ter ondertekening werd X-16.399-10/29 voorgelegd. De notaris handelde op instructie van de gemeentesecretaris. Het blijkt niet dat de notaris de gewijzigde ontwerpakte voorafgaandelijk aan de burgemeester zou hebben doorgemaild. De burgemeester heeft op geen enkel moment expliciet ingestemd met de voorgestelde wijzigingen in de notariële akte. 6.3. Ten aanzien van het vijfde middel stelt de tweede verwerende partij in haar memorie van antwoord hoofdzakelijk dat zij bij het bepalen van de strafmaat over een bijzonder ruime appreciatiebevoegdheid beschikt en dat de bestreden tuchtfeiten, samengenomen, bijzonder ernstig zijn. Ze doen er ook van blijken dat verzoeker zijn professioneel gedrag niet wil verbeteren. De vertrouwensbreuk is volledig en de tuchtsanctie van het ontslag van ambtswege is allerminst onredelijk. Verzoeker maakt niet aannemelijk dat de tuchtoverheid bij het bepalen van de tuchtstraf tot een conclusie is gekomen die de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat. 7.1. De eerste verwerende partij voegt daar in haar memorie van antwoord, wat het derde middel betreft, onder meer nog aan toe dat de conflictanalyse een vertrouwelijk document betreft dat “niet gericht is op het bewijs van de tuchtfeiten”. De resultaten ervan doen volgens de eerste verwerende partij ook “geen afbreuk aan de tuchtfeiten die de verzoekende partij beging”. 7.2. Wat de in het vierde middel bekritiseerde derde tenlastelegging (obstructie bij het opstellen en de implementatie van de BBC) betreft, voegt zij nog toe dat de verklaring op basis waarvan de tenlastelegging bewezen wordt geacht “niet alleen voortkomen van personen met wie de verzoekende partij een conflict zou hebben [gehad]”. Ten aanzien van de vierde tenlastelegging (moedwillig blijven weigeren van de betaling van zitpenningen van eerdere tuchtcommissies) stelt de eerste verwerende partij dat verzoeker in het schrijven van 7 februari 2013 “minstens impliciet te kennen [geeft] dat [hij] er geenszins op aanstuurt dat het [college van burgemeester en schepenen] toepassing zou maken van art. 163 Gemeentedecreet”. Met betrekking tot de vijfde tenlastelegging (moedwillig vertragen van de eigen evaluatieprocedure) betoogt zij net als de X-16.399-11/29 tweede verwerende partij dat het “niet alleen om de periode tussen 13 januari 2014 en 18 februari 2014 [gaat], maar ook de periode die hieraan voorafging”. 7.3. Wat het vijfde middel aangaat, betoogt de eerste verwerende partij nog bijkomend dat de bestreden beslissingen “zijn voorafgegaan door een zorgvuldig onderzoek van de feiten en in redelijkheid zijn genomen”. 8.1. Verzoeker stelt in zijn memorie van wederantwoord, wat het derde middel betreft, dat het bewust achterhouden van de conflictanalyse van Securex “voldoende [zegt]” en dat deze analyse bovendien bevestigt wat hij steeds heeft aangevoerd, “namelijk het gebrek aan objectiviteit ten aanzien van zijn persoon”. De tuchtcommissie “kan haar verantwoordelijkheid niet afwentelen”, zij had “de voorlegging van de conflictanalyse moeten eisen en zelf uitmaken of het stuk relevant was of niet”. 8.2. Wat het vierde middel aangaat, blijft verzoeker met betrekking tot de derde tenlastelegging (obstructie bij het opstellen en de implementatie van de BBC) “ten zeerste betwisten dat een enkele afgelasting zou moeten worden begrepen als een geheel eigen manier van tegenwerken”. Wat de vijfde tenlastelegging (moedwillig vertragen van de eigen evaluatieprocedure) betreft, betoogt verzoeker dat “[u]it de bewust achtergehouden conflictanalyse van Securex [des te meer] blijkt dat [hij] met enige argwaan naar de initiatieven van het college kijkt” en dat hem niets ten laste kan worden gelegd. Met betrekking tot de zesde tenlastelegging (obstructie bij de organisatie van de bewoners- vergaderingen) en zevende tenlastelegging (moedwillig foutieve informatie over beslissingen van het college van burgemeester en schepenen verspreiden) stelt verzoeker dat hem geen enkel tuchtrechtelijk feit kan worden verweten. 8.3. Ten aanzien van het vijfde middel betoogt verzoeker in zijn memorie van wederantwoord nog dat de “[i]n de bestreden tuchtbeslissing” aangenomen “blijvende onwil [niet] kan […] worden verantwoord door de weerhouden tenlasteleggingen in de voorliggende tuchtprocedure”. X-16.399-12/29 9.1. In haar laatste memorie doet de tweede verwerende partij, wat het derde middel en in het bijzonder de conflictanalyse betreft, nog gelden dat de vertrouwelijkheid van dit document niet zomaar terzijde kan worden geschoven om te worden aangewend in het kader van een tuchtprocedure, “[m]instens dient daarvoor de toestemming te worden verleend door de instantie die het rapport als vertrouwelijk heeft aangemerkt (in casu Securex)”. Zij stelt voorts dat uit de conflictanalyse duidelijk blijkt dat “de moeizame werking van de gemeente voornamelijk aan de verzoekende partij te wijten is”, “dat deze nauwelijks relevante informatie bevat”, en dat “[a]an verzoeker […] ook niet in algemene termen [wordt] verweten dat hij als enige verantwoordelijk zou zijn voor de moeilijke samenwerking”. 9.2. Wat het vierde middel betreft, stelt de tweede verwerende partij, aangaande de derde tenlastelegging (obstructie bij het opstellen en de implementatie van de BBC) dat de tuchtcommissie in de eerste bestreden beslissing terecht heeft verwezen naar het verslag van de tuchtonderzoeker “die expliciet bevestigde ‘dat de respectievelijke verklaringen van [F.V.], [J.J.] en [F.D.] weinig aan duidelijkheid te wensen overlaten’”. De tuchtcommissie stelde in de eerste bestreden beslissing “ook terecht vast dat [F.V.] in zijn getuigen- verklaring melding maakt van ‘tegenwerking’ door de verzoekende partij”. Wat de vierde tenlastelegging (moedwillig blijven weigeren van de betaling van zitpenningen van eerdere tuchtcommissies) betreft, betoogt zij dat het in de specifieke context “niet de minste twijfel [lijdt] dat het moedwillig blijven weigeren van een bepaalde betalingsopdracht als een tuchtrechtelijk vergrijp dient te worden aanzien”. Ten aanzien van de vijfde tenlastelegging (moedwillig vertragen van de eigen evaluatieprocedure) herhaalt de tweede verwerende partij dat deze tenlastelegging ook betrekking heeft op de periode die aan de periode van 13 januari tot en met 18 februari 2014 voorafgaat, en tevens “verband [houdt] met de beweegredenen van de verzoekende partij”. De reden waarom verzoeker dwarslag “is andermaal gelegen in het feit dat het een dossier betrof dat rechtstreeks op hemzelf betrekking had”. Dat verzoeker zich effectief mengde in de overheidsopdracht blijkt afdoende uit de e-mails die daaromtrent worden voorgelegd. Ter zake van de achtste tenlastelegging (moedwillig wijzigen van X-16.399-13/29 een authentieke akte) stelt de tweede verwerende partij dat deze tenlastelegging ook betrekking heeft op het feit dat verzoeker achter de rug van de gemeenteraad en het college van burgemeester en schepenen om “een adviesaanvraag heeft gericht naar de diensten van de gouverneur omtrent een ontwerpakte die reeds was goedgekeurd”, dat het “louter door toedoen” van verzoeker is dat de akte die op 19 december 2013 ter ondertekening werd voorgelegd afweek van de goedgekeurde akte, en dat de burgemeester “op geen enkel moment expliciet zijn akkoord [heeft] betuigd met de door [verzoeker] gevraagde adviezen, en evenmin met de door [hem] voorgestelde wijzigingen in de notariële akte”. 10. De eerste verwerende partij stelt in haar laatste memorie niet in te zien hoe zonder de analyse van Securex niet tot een juiste voorstelling van de feiten zou zijn gekomen. Zij meent dat niet is aangetoond dat er een mogelijkheid bestond om de conflictanalyse bij te brengen in het tuchtonderzoek en betwist dat “het bijbrengen ervan enige inhoudelijke relevantie zou hebben voor de beoordeling van de tuchtfeiten”. Uit de conflictanalyse blijkt volgens haar “een coherentie en gelijkluidendheid in de diverse verklaringen”. Beoordeling 11. Verzoeker herneemt – in zijn vierde middel – goeddeels het verweer dat hij voor de tuchtcommissie voerde. Het komt de Raad van State evenwel niet toe om zijn oordeel over de tegen verzoeker in aanmerking genomen tuchtfeiten in de plaats te stellen van dat van de tuchtoverheid. In het kader van zijn wettigheidstoezicht behoort het de Raad van State, desgevraagd, alleen na te gaan of de overheid binnen de grenzen van het recht tot haar oordeel is gekomen. Inzonderheid gaat hij na of de tuchtoverheid de feiten rechtmatig voor voldoende vaststaand kon houden, of zij ze terecht als een disciplinaire tekortkoming kon beschouwen en of de opgelegde straf niet onevenredig is. Ook gaat de Raad van State na of de tuchtbeslissing naar behoren met formele motieven is omkleed. Die formelemotiveringsvereiste reikt echter niet zover dat het bestuur verplicht is elk onderdeel van het verweer X-16.399-14/29 afzonderlijk te beantwoorden. Het volstaat dat de beslissing afdoende veruitwendigt om welke redenen de tuchtoverheid, niettegenstaande het verweer, tot haar beoordeling van de feiten is gekomen. 12.1. De tuchtcommissie acht de derde tenlastelegging, obstructie bij het opstellen en de implementatie van de BBC, bewezen, gelet op de gelijkluidende verklaringen van de financieel beheerder en schepen J. J., alsmede van mevrouw F. D. Meer bepaald verwijst de tuchtcommissie naar verklaringen van de financieel beheerder die “een waslijst van problemen opsomt” en gewaagt van “constante tegenwerking” door de gemeentesecretaris, onder meer door “gebrek aan eigen initiatief, door vergaderingen tegen te houden, agenda’s en verslagen te manipuleren en tegen te houden”. Ook schepen J. J. meent dat verzoeker bij het opstellen van de BBC geen enkel initiatief heeft genomen en geen bijdragen heeft geleverd. Zowel de financieel beheerder als de schepen voert als bewijs van de tegenwerking aan, onder meer de afgelasting door verzoeker van een vergadering van de BBC-werkgroep op 11 september 2013 en van een opleiding voor het personeel, waarvoor de personeelsdienst de betrokkenen eind december 2013 met een e-mail had aangeschreven. 12.2. Zoals in de omzendbrief BB 2013/4, waarnaar in de beslissing van de tuchtcommissie wordt verwezen, ter sprake komt, beoogt de BBC een nieuwe wijze van plannen, waarbij een integrale strategische meerjarenplanning in de plaats komt van een loutere opsomming van geraamde ontvangsten en uitgaven. Aangezien daarbij de beleidsdoelstellingen van het bestuur centraal staan is, nog volgens de omzendbrief, een grote rol weggelegd voor het managementteam en “is het nodig dat de uitwerking van de BBC gecoördineerd wordt door de secretaris [...], in nauwe samenwerking met de financieel beheerder”. 12.3. Ten onrechte meent verzoeker dat het feit dat hij maar weinig initiatief betoonde en maar een geringe bijdrage aan de BBC leverde, niet X-16.399-15/29 relevant zou zijn omdat het niet onder de noemer “obstructie” zou vallen. De Raad van State neemt immers aan dat ook de belemmering die wordt veroorzaakt doordat niet de medewerking wordt verleend die mag worden verwacht en moet worden gegeven, als een vorm van obstructie bestempeld kan worden. 12.4. De afgelastingen die verzoeker verweten worden, verantwoordt hij respectievelijk door de noodzaak om eerst tot betere afspraken te komen en doordat men hem niet “de gebruikelijke/vereiste formele vormingsbeslissing” had laten nemen, beslissing die hij vervolgens een paar dagen later neemt. Als zodanig blijken de demarches te passen binnen wat F. D. in haar verklaring de “geheel eigen manier” van tegenwerken door de gemeente- secretaris noemt “hoewel hij de indruk wou wekken dat hij wou meewerken”. 12.5. In zoverre verzoeker doet gelden “dat hij steevast zoveel als mogelijk [werd] weggehouden van de voorbereiding van de BBC en dit werd afgeschermd door [schepen J. J. en de financieel beheerder]”, is het antwoord daarop, in de beslissing van de tuchtcommissie, niet vrij van dubbelzinnigheid: zowel volgens de financieel beheerder als de schepen is verzoeker geenszins “moedwillig” buiten de BBC gehouden. Het belet immers niet dat verzoeker, zoals hij betoogt, toch van een en ander onkundig zou zijn gelaten, al was dat dan beweerdelijk niet de bedoeling. Om die reden en gelet op wat hierna, sub randnummer 19, aan bod komt in verband met de conflictsituatie tussen verzoeker, langs de ene kant, en de financieel beheerder en (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.