← België

Arrest 243070 - Milieuvergunningen - 29/11/2018

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.070 Rolnummer: A. 225944/VII-40363 Zaak: Arrest 243070 - Milieuvergunningen - 29/11/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-12-06 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-24 22:47 Fiche Arrest nr 243.070 van 29 november 2018 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 243.070 van 29 november 2018 in de zaak A. 225.944/VII-40.

  1. In zake : Anna WEERTS-SMITSHUYSEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Mertens kantoor houdend te 3580 Beringen Paalsesteenweg 81 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN LIMBURG Tussenkomende partij : Philippe L‟HOMME bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Geelen, Wouter Moonen en Nick Parthoens kantoor houdend te 3500 Hasselt Gouverneur Roppesingel 131 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  2. De vordering, ingesteld op 20 augustus 2018, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de deputatie van de provincieraad van Limburg van 5 juli 2018 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Voeren van 28 februari 2018, houdende het verlenen van een milieuvergunning aan Philippe L‟Homme voor het exploiteren van een opslag- en verkoopplaats voor graanproducten, kunstmest, strooizout, en dergelijke, gelegen aan de Molen 10 te VII-40.363-1/14 Voeren, slechts gedeeltelijk wordt ingewilligd en waarbij de beroepen beslissing wordt bevestigd met beperkte wijzigingen. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 november
  4. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Wim Mertens, die verschijnt voor verzoekster, bestuurssecretaris Tom Loose, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Wouter Moonen, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Tussenkomst
  6. Met een op 18 september 2018 ingediend verzoekschrift vraagt Philippe L‟Homme om in het geding te mogen tussenkomen. VII-40.363-2/14 Er is grond om dat verzoek in te willigen. IV. Feiten 4.
  7. De tussenkomende partij dient op 20 december 2017 bij de deputatie van de provincieraad van Limburg een aanvraag in tot het verkrijgen van een milieuvergunning klasse II voor het veranderen en uitbreiden van een opslag- en verkoopplaats voor graanproducten, kunstmest, strooizout, en dergelijke, te Voeren, Molen 10, kadastraal gekend afdeling 6, sectie A, nrs. 511E, 500B, 500C, 499H, 499G, 498K. 4.
  8. De percelen liggen, volgens het gewestplan Sint-Truiden/Tongeren, grotendeels in woongebied met landelijk karakter (eerste 50 meter) en gedeeltelijk in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. De woning van verzoekster (perceel kadastraal gekend als 499f) wordt aan minstens drie zijden omringd door de exploitatie van de tussenkomende partij. 4.
  9. De exploitant vermeldt in zijn aanvraag onder andere het volgende (bijlage D3: algemene beschrijving van de productieprocessen): “De aanvraag betreft een milieuvergunning voor de op- en overslag van enkele producten (kunstmest, granen, veevoeders, strooizout, …). De aanvraag betreft enkel een opslag- en overslag van producten en de beperkte thuisverkoop ervan. De granen worden aangekocht en opgeslagen op het bedrijf. Regelmatig worden deze afgevoerd naar veevoederfabrikanten, waar men deze verwerkt tot kwalitatieve veevoeders. Bij transporten van granen naar deze fabrikanten, transporteert men afgewerkte veevoeders naar klanten in een straal van 30 km rond de exploitatie. Opgeslagen kunstmest wordt verkocht aan landbouwers in de nabije omgeving. Het bedrijf betrof vroeger een kleine maalderij dewelke door de jaren heen is uitgegroeid tot een opslag- en verkoopplaats van bepaalde landbouwproducten. De oude molen is nog steeds behouden en is beschermd, maar wordt binnen de exploitatie niet meer gebruikt. De exploitatie is gelegen in agrarisch gebied en gedeeltelijk in woongebied met landelijk karakter volgens het gewestplan (voor 1962). In de jaren 70 was VII-40.363-3/14 de exploitatie vrij gelegen in de omgeving, door de jaren heen werden er woningen gebouwd rondom de exploitatie. De loods voor de opslag van granen, kunstmest en strooizout is grotendeels gelegen in woongebeid met landelijk karakter. Het overige gedeelte van de exploitatie is grotendeels gelegen in agrarisch gebied. De bestaande gebouwen dateren van voor inwerkingtreding van het gewestplan en worden vergund geacht. De gebouwen zijn zone-eigen. De bouwvergunning voor de nieuwe loods werd reeds goedgekeurd op 14 september 2017 door het college van burgemeester en schepenen. De opslag van producten vindt plaats in afgesloten loodsen. Het laden en lossen van de producten vindt eveneens plaats in deze loodsen. […]”. 4.
  10. Tijdens het openbaar onderzoek van 29 december 2017 tot en met 28 januari 2018 dient verzoekster een bezwaarschrift in. 4.
  11. Op 28 februari 2018 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Voeren de vergunning. 4.
  12. Hiertegen dient verzoekster een bestuurlijk beroep in bij de deputatie van de provincieraad van Limburg. 4.
  13. De Vlaamse Milieumaatschappij VMM, de afdeling Milieuvergunningen en de provinciaal stedenbouwkundig ambtenaar verleenden een voorwaardelijk gunstig advies. 4.
  14. De Provinciale Milieuvergunningscommissie, die zowel exploitant als beroepsindienster hoorde, adviseert het beroep deels in te willigen en het bestreden besluit te wijzigen (onder andere door het opleggen van bijzondere voorwaarden). 4.
  15. Op 5 juli 2018 willigt de deputatie van de provincieraad van Limburg het beroep gedeeltelijk in. Zij verleent de vergunning onder voorwaarden, om een inrichting te exploiteren met volgend voorwerp: VII-40.363-4/14 “- Rubriek 6.5.2°: 2 brandstofverdeelsinstallaties met elk één verdeelslang - nieuwe rubriek - klasse 2 - Rubriek 15.1.1°: stallen van 11 bedrijfsvoertuigen en/of aanhangwagens - nieuwe rubriek - klasse 2 - Rubriek 17.3.2.1.1.1.°b): opslag van 10.000 l of 8,4 mazout (BG, D) + opslag van 4.500 l of 3,78 T Diesel (BG + DW) - nieuwe rubriek - klasse 3 - Rubriek 17.4: de opslag van 1.000 liter gevaarlijke vloeistoffen in kleine verpakkingen - nieuwe rubriek - klasse 3 - Rubriek 28.1.f)2°: opslag van 3.500 ton kunstmest - nieuwe rubriek - klasse 2 - Rubriek 45.14.1°b): opslag van 4.860 m³, 1.700 m³ gerst, 475 m³ droge pulp, 120 m³ verpakte veevoeders - nieuwe rubriek - klasse 2 - Rubriek 45.14.3°: opslag van 4.860 m³, 1.700 m³ gerst, 475 m³ droge pulp, 120 m³ verpakte veevoeders- nieuwe rubriek - klasse 2 - Rubriek 50: opslagplaatsen van strooizout van meer dan 20T - opslag van 50 T zout - nieuwe rubriek - klasse 2”. Dit is de bestreden beslissing. 4.
  16. De stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een loods op perceel nr. 499H, 499G, 498K en 499K werd verleend op 14 september
  17. Verzoekster stelde hiertegen een bestuurlijk beroep in bij de deputatie maar haar beroep werd op 20 december 2017 onontvankelijk verklaard wegens laattijdigheid. Haar beroep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, is hangende. V. Schorsingsvoorwaarden
  18. Luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een procedure tot nietigverklaring en dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van het besluit prima facie kan verantwoorden. VII-40.363-5/14 VI. Onderzoek van de middelen Tweede middel Standpunt van de partijen
  19. Verzoekster voert de schending aan van artikel 5.15.0.6 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna: Vlarem II), artikel 30bis, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I), het zorgvuldigheidsbeginsel en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt volgens verzoekster niet waarom van de norm van artikel 5.15.
  20. van Vlarem II, die het principe vooropstelt dat rustverstorende werkzaamheden verboden zijn op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur alsmede op zon- en feestdagen, kan worden afgeweken. De verwerende partij heeft de betreffende kritieken van verzoekster niet met afdoende motieven weerlegd.
  21. De verwerende partij repliceert dat er geen afwijking werd verleend zodat de sectorale norm zijn integrale toepassing vindt. De exploitant heeft overigens evenmin een afwijking aangevraagd. Verzoekster verwijst naar een zeer algemene zinsnede uit de aanvraag (na de werkuren) en uit de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Voeren (buiten de gangbare werkuren). Daaruit blijkt echter niet dat er sprake zou zijn van een afwijking op de aangehaalde sectorale norm. Het naleven van de norm is een zaak van handhaving. VII-40.363-6/14 Waar verzoekster aanhaalt dat de aanvrager de norm op heden niet naleeft, wordt verwezen naar de vaststelling in de bestreden beslissing dat het bedrijf nooit aanleiding heeft gegeven tot klachten inzake milieuhinder of andere hinder.
  22. De tussenkomende partij wijst op de bijzondere voorwaarden en de integrale toepasselijkheid van Vlarem II, hetgeen logisch is nu er geen afwijking werd aangevraagd. Verzoekster baseert zich op algemene zinsneden in de aanvraag en de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Voeren omtrent werken buiten de “(gangbare) werkuren” die overigens niet te vereenzelvigen zijn met rustverstorende werkzaamheden tussen 7 uur en 19 uur. Voor het overige vormt dit een probleem van handhaving. De bewering van verzoekster dat de exploitant niet geneigd is de sectoriale norm na te leven is niet geloofwaardig, gelet op het feit dat geen klachten werden ingediend. Beoordeling
  23. In het administratief beroepschrift wierp verzoekster op dat de aanvraag “bovenmatige hinder voor mens en milieu” veroorzaakt, waarbij zij onder meer wijst op het feit dat zij hinder ondervindt van het aan- en afrijden van voertuigen en op de onduidelijkheden in het aanvraagdossier omtrent de transporten “na de werkuren” (tijdens het oogstseizoen) wat onder andere in tegenspraak is met het verbod op rustverstorende werkzaamheden op werkdagen tussen 19 uur en 7.00 uur en op zon- en feestdagen (indelingslijst bijlage 1, Vlarem II: rubriek 15: garages, parkeerplaatsen en herstellingswerkplaatsen voor motorvoertuigen). VII-40.363-7/14 De aanvraag/vergunning bevat onder meer een rubriek 15.1.1° van Vlarem II, bijlage 1: stallen van elf bedrijfsvoertuigen en/of aanhangwagens. Het daarmee verbonden en toepasselijke artikel 5.15.0.
  24. van Vlarem II bepaalt onder andere: “§
  25. Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 4.
  26. zijn rustverstorende werkzaamheden verboden op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur alsmede op zon- en feestdagen, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning. §
  27. De nodige maatregelen dienen getroffen om de buurt niet te hinderen door geluid en trillingen veroorzaakt door:
  28. het verkeer van voertuigen van, naar en op de parkeerplaatsen […]”. Het toepasselijke artikel 30bis, § 1, eerste lid, van Vlarem I bepaalt dat een vergunning kan worden verleend wanneer deze voorwaarden bevat welke garanderen dat de inrichting voldoet aan de eisen die door dit reglement en titel II van Vlarem zijn gesteld en dat de vergunning wordt geweigerd wanneer dat niet het geval is. Om te voldoen aan de doelstelling van deze bepaling, die preventief van aard is, volstaat het niet dat de exploitant de algemene milieuvoorwaarden van Vlarem II zal dienen na te leven omdat het bestreden besluit er niet van afwijkt. De rechtsplicht, die voortvloeit uit artikel 30bis, bestaat op het ogenblik dat de vergunningverlenende overheid uitspraak doet over de vergunningsaanvraag die haar ter beoordeling is voorgelegd. Uit het aanvraagdossier blijkt prima facie dat de aanvrager, in het bijzonder tijdens de periode van het oogstseizoen, zijn vervoersactiviteiten van en naar de loods(en) moet opdrijven, waarbij hij uitdrukkelijk vermeldt dat die ook buiten de gewone “daguren” zullen plaatsvinden. Verzoekster merkt dit op in haar bestuurlijk beroepschrift, en wijst op artikel 30bis, § 1, van Vlarem I en in het bijzonder op de sectorale voorwaarde, vervat in artikel 5.15.0.6 van Vlarem II met betrekking tot het verbod op rustverstorende werkzaamheden tijdens bepaalde uren VII-40.363-8/14 en dagen en klaagt de onduidelijkheid of vaagheid omtrent die “buitengewone” activiteiten aan in het aanvraagdossier. De verwerende partij lijkt in haar beslissing over de vergunningsaanvraag niet op die kwestie te zijn ingegaan. De vermeldingen in de aanvraag en de aard van de aangevraagde activiteiten wijzen er prima facie nochtans op dat transportactiviteiten (noodzakelijkerwijze) ook buiten de “gangbare” werkuren zullen plaatsvinden in het bijzonder gezien de noden van het (drukke) oogstseizoen, waardoor de situatie op het eerste gezicht op gespannen voet kan komen te staan met de bepalingen in artikel 5.15.0.6 van Vlarem II. Gelet op het beroepschrift waarin verzoekster precies die problematiek aankaart en haar vrees voor onaanvaardbare hinder, mocht van de overheid, in het kader van haar zorgvuldigheidsplicht, op het eerste gezicht worden verwacht dat zij -alvorens de vergunning te verlenen- deze kwestie uitklaarde, minstens haar standpunt terzake vertaalde naar een afdoende motivering in het licht van de verstrengde formelemotiveringsplicht ten aanzien van het op het eerste gezicht relevante argument van beroepster. Het tweede middel is ernstig. VII. Spoedeisendheid
  29. Verzoekster zet het volgende uiteen in haar verzoekschrift: “De hinder en nadelen zullen na de oprichting van de loods enkel maar toenemen. De vergunningsaanvrager omschrijft de exploitatie als volgt in zijn aanvraagdossier: „Het gaat om een bestaande exploitatie waar men graanproducten, kunstmest, strooizout e.d. op- en overslaat. Graanproducten worden aangekocht en opgeslagen. Deze producten worden geregeld afgevoerd naar veevoederfabrikanten waar men deze verwerkt tot hoog kwalitatieve veevoeders. Wanneer men deze producten levert bij de fabrikant, brengt men steeds een hoeveel veevoeders mee die worden geleverd bij de plaatselijke VII-40.363-9/14 landbouwers. Indien er overschotten zijn, worden deze opgeslagen op het bedrijf en geleverd bij een volgend transport‟. Volgens het in de aanvraag beschreven productieproces betreft de aanvraag voor de op- en overslag van enkele producten (kunstmest, granen, veevoeders, strooizout...). De aanvraag betreft enkel een opslag en overslag van producten en de thuisverkoop ervan. De granen worden aangekocht en opgeslagen op het bedrijf. De granen worden verkocht aan klanten in een straal van 30 kilometer rond de exploitatie. Kunstmest wordt verkocht aan landbouwers in de omgeving. De aanvraag voorziet onder meer in het stallen van 12 bedrijfsvoertuigen en/of aanhangwagens, de opslag van 10.000 liter mazout, de opslag van 4.500 liter diesel, de opslag van 202m3 houtkrullen, de opslag van 3.500 ton kunstmest, de opslag van 4.860m3 granen, 1.700m3 gerst, 475m3 droge pulp, 120 m3 verpakte veevoeders en 50 ton zout. Per maand vindt er tot 744 ton overslag aan producten plaats. Per jaar is dit tot liefst 8.960 ton. Dit is een forse toename van de bestaande activiteiten. Volgens verwerende partij zal de hinder voor verzoekende partij afnemen door de oprichting van de enorme loods tegen het perceel van verzoekende partij. De aanvraag zou een „sterke verbetering‟ betekenen naar fijn stof, en ook de geluidshinder zou verminderen door het dempend effect van de loods. Doordat de transporten passeren via de Vitschenstraat, zou verzoekende partij minder hinder ondervinden van de transporten. Het standpunt van verwerende partij is niet ernstig. Nog steeds zal verzoekende partij met zeer ernstige hinder en nadelen worden geconfronteerd. Uit de aanvraag blijkt dat de activiteiten alleen maar fors zullen toenemen. Dat een aantal processen worden doorgevoerd binnen de loods, neemt uiteraard niet weg dat er nog steeds een af- en aanrijden zal zijn van zwaar vrachtverkeer, én dat de woning van verzoekende partij zich vlakbij de exploitatie bevindt. In het oogstseizoen alleen al gaat het volgens de aanvrager om hinderverwekkende mobiliteit tot 240 transporten. Verwerende partij verwijst ook telkens naar de bijzonder voorwaarde dat de poorten gesloten moeten worden tijdens hinderlijke activiteiten. Het zal voor verzoekende partij bijzonder moeilijk worden om deze voorwaarde af te dwingen. Hiervoor dient immers een gerechtelijke procedure te worden opgestart. Verzoekende partij wordt ook nergens tegengesproken dat de vrachtwagens reeds rond 5-6u s‟ morgens warmdraaien naast de woning van verzoekende partij. Verwerende partij verwijst enkel naar de adviesverlening waarin wordt gesteld dat de vrachtwagens binnen de loods zullen warmdraaien, en dat er in de loods een dempend effect geldt, waardoor de hinder wordt verminderd. Verzoekende partij stelt zich de vraag of de poorten gesloten zullen blijven tijdens het op druk brengen van de luchtremmen van de vrachtwagens binnen de loods? Hoogstwaarschijnlijk zullen de poorten worden geopend om het verzamelen van uitlaatgassen in de loods te voorkomen. In ieder geval zal deze hinderlijke mobiliteit zeer vroeg in de ochtend en in de onmiddellijke nabijheid van de woning van verzoekende partij plaatsvinden. In de adviesverlening wordt verder erkend dat „tijdens het oogstseizoen van de granen het mogelijk is dat er aanvoer van granen plaatsvindt tijdens andere VII-40.363-10/14 uren‟ (lees: van „s morgens vroeg tot „s avonds laat). Nochtans wordt door verwerende partij geen afwijking verleend op de betreffende Vlarem-normen. Verwerende partij komt hier ook wijselijk niet op terug in de motivering van de bestreden beslissing. De aanvrager stelt in zijn milieuvergunningsaanvraag dat „het laden/lossen van grondstoffen zal gebeuren zo veel als mogelijk tijdens de werkuren‟. Vergunningsaanvrager geeft dus geen garantie dat de Vlarem-normen zullen worden nageleefd. De notie „zo veel als mogelijk‟ duidt erop dat de aanvrager zich niet altijd aan de regels zal houden. De conclusie is dan ook dat de bouw van de enorme loods de hinderverwekkende nadelen van de aanvraag fors zullen doen toenemen. Dat bepaalde activiteiten zich binnen de loods zouden afspelen, en dat volgens een bijzondere voorwaarde de poorten van de loods dan moeten sluiten, is niet meer dan een doekje voor het bloeden. Verwerende partij kan er niet naast kijken dat er op de percelen van de aanvraag zich een heus distributiecomplex zal bevinden

(1)dat op geen enkele wijze wordt gebufferd voor omwonenden (zichthinder/geluidshinder/stofhinder),
(2)dat niet beschikt over een afdoende ontsluitingsmogelijkheid voor het omvangrijke zware vrachtverkeer en
(3)dat zich kennelijk niet hoeft te conformeren aan het verbod tot rustverstorende werkzaamheden op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur alsmede op zon- en feestdagen, laat staan hiervoor een afwijking moet bekomen. De zaak is te spoedeisend voor een behandeling in een beroep tot nietigverklaring De vergunningshouder beschikt over een uitvoerbare milieuvergunning én over een uitvoerbare stedenbouwkundige vergunning, die daarmee correspondeert. De bestaande hinder en nadelen worden dagelijks gecontinueerd. In de nabije toekomst zal ook de loods worden opgericht en in gebruik worden genomen. De dagelijkse hinder zal dan alleen maar toenemen voor verzoekende partij. Het evenwicht tussen het perceel van verzoekende partij en de omringende percelen met exploitatie van de vergunningshouder is nu reeds ernstig verstoord. De situatie dreigt dan ook onleefbaar te worden voor verzoekende partij. Met een officiële brief van 10 augustus 2018 bevestigt de raadsman van de vergunningshouder dat de vergunningshouder „zo spoedig mogelijk een aanvang wil nemen met de bouwwerken en de exploitatie van de inrichting‟ […]. Er zijn dan ook concrete elementen die erop wijzen dat het bouwproces binnen afzienbare tijd zal worden opgestart. De gekozen bouwmaterialen van de loods voorzien in een vrij eenvoudige oprichting van de loods. Vermoedelijk zal de loods dan ook op enkele maanden tijd volledig in staat van exploitatie zijn gebracht. De ernstige nadelen en hinder kunnen niet worden voorkomen indien verzoekende partij de annulatieprocedure doorloopt. De zaak is te spoedeisend voor een behandeling in een beroep tot nietigverklaring”. VII-40.363-11/14
  1. De verwerende partij repliceert dat verzoekster in gebreke blijft concreet aan te tonen in welke mate uit de bestreden beslissing fundamenteel andere exploitatiehinder te verwachten valt dan deze die nu reeds volgens verzoekster “dagelijks gecontinueerd” wordt, laat staan wat de omvang of ernst hiervan is. In de vergunning wordt duidelijk aangegeven waarom de vergunning net tot een sterke verbetering van de hinderaspecten zal leiden. Uit het dossier blijkt dat de vermeende exploitatiehinder sterk moet worden gerelativeerd bij gebrek aan klachten. Zichthinder door oprichting van een loods houdt geen verband met de milieuvergunning. Verzoekster maakt dus niet aannemelijk dat er, lopende de duur van de annulatieprocedure, onherroepelijk schadelijke gevolgen tot stand zullen komen die slechts kunnen worden vermeden mits een schorsing van de tenuitvoerlegging van de vergunning.
  2. De tussenkomende partij is het niet eens met de wijze waarop verzoekster voorhoudt dat de vergunde inrichting een verzwaring van de hinder tot gevolg zal hebben. De nieuwe loods moet net tot gevolg hebben dat de hinderelementen waar verzoekster gewag van maakt, verminderen of zelfs verdwijnen. Het is wel een vaststaand feit dat de tussenkomende partij zo snel mogelijk wil aanvangen met de bouwwerken voor de nieuwe loods. Zij laat het aan de wijsheid van de Raad van State over of er in die omstandigheden sprake is van een spoedeisende vordering tot schorsing. VII-40.363-12/14 Beoordeling
  3. De bestreden beslissing kan onmiddellijk ten uitvoer worden gelegd. Verzoekster overtuigt voldoende in haar uiteenzetting dat er, lopende de duur van de annulatieprocedure, ernstige dan wel onherroepelijke schadelijke gevolgen kunnen tot stand komen die slechts kunnen worden vermeden mits het schorsen van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. De spoedeisendheid van de vordering is bijgevolg aangetoond.
  4. Er is voldaan aan de voorwaarden van artikel 17, § 1, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. Bijgevolg wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing bevolen, zonder dat in de huidige stand van de rechtspleging, de overige door verzoekster ingeroepen middelen moeten worden beoordeeld. BESLISSING
  6. Het verzoek van Philippe L’Homme tot tussenkomst wordt ingewilligd.
  7. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de deputatie van de provincieraad van Limburg van 5 juli 2018 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Voeren van 28 februari 2018, houdende het verlenen van een milieuvergunning aan Philippe L’Homme voor het exploiteren van een opslag- en verkoopplaats voor graanproducten, kunstmest, strooizout, en dergelijke, gelegen aan de Molen 10 te Voeren, slechts gedeeltelijk wordt ingewilligd en waarbij de beroepen beslissing wordt bevestigd met beperkte wijzigingen.
  8. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het geschorste besluit. VII-40.363-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig november tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.363-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.070 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.001 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.