← België

Arrest 243123 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 06/12/2018

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.123 Rolnummer: A. 222200/XIV-37423 Zaak: Arrest 243123 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 06/12/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-12-13 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-24 23:05 Fiche Arrest nr 243.123 van 6 december 2018 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 243.123 van 6 december 2018 in de zaak A. 222.200/XIV-37.423 In zake : XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Julien Hardy kantoor houdend te 1400 Nijvel rue des Brasseurs 30 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :

  1. de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Orchideestraat 61A alwaar woonplaats wordt gekozen
  2. de GEMEENTE HOEGAARDEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Orchideestraat 61A alwaar woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
  3. Het cassatieberoep, ingesteld op 15 mei 2017, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 185.501 van 18 april 2017 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. XIV-37.423-1/19 II. Verloop van de rechtspleging
  4. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 12.482 van 20 juni
  5. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ten einde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 mei
  6. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Marie El Khoury, die loco advocaat Julien Hardy verschijnt voor verzoeker, en advocaat Brecht Heirman, die loco advocaat Carmenta Decordier verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. XIV-37.423-2/19 III. Feiten 3.
  8. Verzoeker stuurt op 3 november 2016 een “Aanmaning - F-Kaart […]” naar de tweede verwerende partij waarmee hij de afgifte vraagt van die kaart omdat geen beslissing zou zijn genomen binnen de zes maanden na zijn aanvraag van 14 december 2011 of, in ondergeschikte orde, na zijn aanvraag van 16 juli
  9. Verzoeker stuurt op 7 november 2016 een “aanvraag tot erkenning van het recht op verblijf - artikel 40ter VW” naar de tweede verwerende partij als familielid van een burger van de Unie, met name zijn Belgische stiefvader, de partner van zijn moeder. Verzoeker wijst er in die aanvraag op dat hij reeds recht heeft op een F-kaart ingevolge een vorige aanvraag tot gezinshereniging en hij verwijst daartoe naar de hoger vermelde “aanmaning” van 3 november
  10. 3.
  11. Met een e-mail van 29 november 2016 deelt de tweede verwerende partij mee dat zij “geen F-kaart [kan] afleveren” en dat “de gezinshereniging […] met de moeder (brief van 7 november) [niet] gaat […] daar zij ook een verlies van verblijfsrecht gekregen heeft”. 3.
  12. Verzoeker stelt op 8 december 2016 bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in tegen de beslissing waarmee de afgifte van de F-kaart wordt geweigerd. Dezelfde dag stelt hij ook een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in tegen de beslissing waarmee de erkenning van zijn recht op verblijf als familielid van een burger van de Unie wordt geweigerd. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voegt de beide voornoemde zaken met een arrest van 18 april
  13. Hij vernietigt de beslissing van de tweede verwerende partij van 29 november 2016 waarmee “de aanvraag van verzoeker tot erkenning van zijn recht op verblijf als familielid van een burger XIV-37.423-3/19 van de Unie geweigerd wordt” en hij verwerpt de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring voor het overige. Dit is het bestreden arrest. IV. Nadere omschrijving van het voorwerp van het cassatieberoep
  14. In het verzoekschrift tot cassatie wordt aangegeven dat het cassatieberoep is gericht tegen “artikel 4 van het beschikkend gedeelte van het arrest RvV nr. 185 501 van 18 april 2017 […] en de motieven waarop het gestoeld is”. Het voorwerp van het cassatieberoep is derhalve beperkt tot het bestreden arrest in de mate dat de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring tegen de beslissing van 29 november 2016 tot weigering van afgifte van een F-kaart worden verworpen. Enkel deze laatste beslissing wordt als de aanvankelijk bestreden beslissing beschouwd. V. Nader onderzoek van de rechtspleging
  15. In punt 4 hierboven is vastgesteld dat het bestreden arrest enkel is aangevochten in de mate dat de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring tegen de beslissing van 29 november 2016 tot weigering van afgifte van een F-kaart worden verworpen. Deze laatste beslissing is genomen door de tweede verwerende partij, de gemeente Hoegaarden. Bijgevolg dient de eerste verwerende partij, de Belgische staat, buiten de zaak te worden gesteld. De tweede verwerende partij wordt verder “verwerende partij” genoemd. XIV-37.423-4/19 VI. Onderzoek van de middelen Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  16. Verzoeker werpt in een eerste middel de schending op van artikel 149 van de Grondwet, van de artikelen 39/1, 39/2, 39/65 en 42, § 1, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet), van artikel 52 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: het koninklijk besluit van 8 oktober 1981), van “de bewijskracht en draagwijdte van een akte, en artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek” en een “manifeste kwalificatiefout”. Verzoeker bekritiseert de motieven van het bestreden arrest die aan de basis liggen van het oordeel dat de beslissing tot weigering van afgifte van een F-kaart geen aanvechtbare handeling is. In een eerste middelonderdeel voert verzoeker aan dat artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet zijn geschonden doordat in het bestreden arrest niet wordt vermeld op welke rechtsnorm de beoordeling is gesteund dat de aanvankelijk bestreden beslissing geen aanvechtbare handeling is. In een tweede middelonderdeel voert verzoeker aan dat de aanvankelijk bestreden beslissing het schriftelijk instrumentum is van een administratieve beslissing die als gevolg heeft dat verzoekers aanvraag tot erkenning van een verblijfsrecht wordt verworpen. Verzoekers verblijfsrecht wordt niet erkend en dit brengt manifest nadelige gevolgen mee op juridisch vlak. De weigering van de afgifte van de F-kaart vormt volgens verzoeker de verwerping XIV-37.423-5/19 van zijn aanvraag en belet dat verzoeker kan handelen als een legaal verblijvend persoon in België. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen maakt volgens verzoeker een manifeste kwalificatiefout en schendt de artikelen 39/1 en 39/2 van de vreemdelingenwet, het beginsel van de bewijskracht van de akten en artikel 52 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 door de aanvankelijk bestreden beslissing niet te beschouwen als een administratieve beslissing en zijn controlebevoegdheid niet uit te oefenen. In een derde middelonderdeel voert verzoeker aan dat artikel 149 van de Grondwet, de artikelen 39/65 en 42, § 1, van de vreemdelingenwet en artikel 52, § 4, tweede lid, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 zijn geschonden doordat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest aanneemt dat binnen een termijn van zes maanden reeds een beslissing was genomen over verzoekers aanvraag tot gezinshereniging. Verzoeker had nochtans uiteengezet dat die beslissing impliciet werd ingetrokken vermits een nieuwe beslissing werd genomen. Al zou de nieuwe beslissing, waarvan niet wordt betwist dat ze betrekking had op dezelfde aanvraag, per vergissing zijn genomen en vervolgens zijn ingetrokken, volgens verzoeker werd het gezinsverband niet betwist in het bestreden arrest en wijzigt de reden voor de nieuwe beslissing niets aan het feit dat die nieuwe beslissing heeft bestaan en werd voorafgegaan door een impliciete intrekking van de eerdere beslissing. In het bestreden arrest wordt niet duidelijk geantwoord op verzoekers argumentatie dat de beslissing van 13 juni 2012 impliciet werd ingetrokken daar de beslissing van 17 juni 2016 betrekking had op dezelfde aanvraag. Door te oordelen dat verzoeker geen recht had op verblijf, schendt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen artikel 42 van de vreemdelingenwet en artikel 52, § 4, tweede lid, van het koninklijk besluit van 8 oktober
  17. Verzoeker beschouwt de weigering van afgifte van een F-kaart daarom als een beslissing tot weigering van de erkenning van een bestaand verblijf.
  18. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker het middel. XIV-37.423-6/19 Wat het eerste middelonderdeel betreft, betwist verzoeker het standpunt van de verwerende partij dat in het bestreden arrest impliciet doch zeker naar de artikelen 39/2, § 2, en 39/82, § 1, van de vreemdelingenwet zou worden verwezen. Wat het tweede middelonderdeel betreft, benadrukt verzoeker dat het weigeren van een F-kaart onder andere als gevolg heeft dat het verblijfsrecht wordt ontkend. Hij wijst er ook op dat op grond van artikel 52 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 een F-kaart moet worden uitgereikt indien binnen de zes maanden geen beslissing is genomen over de aanvraag. Dat de aanvankelijk bestreden beslissing volgens de verwerende partij “slechts een e-mail” is, doet geen afbreuk aan het feit dat dit instrumentum wel degelijk een aanvechtbare beslissing materialiseert. Wat het derde middelonderdeel betreft, voegt verzoeker toe dat het geen overtollig motief van het bestreden arrest betreft vermits de verwerende partij meermaals verwijst naar het feit dat verzoeker geen recht op verblijf zou hebben om te rechtvaardigen dat hem geen F-kaart werd gegeven. Uit het feit dat de verwerende partij een eigen motivering toevoegt in de memorie van antwoord, leidt verzoeker des te meer af dat het bestreden arrest niet geldig is gemotiveerd. Beoordeling
  19. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. XIV-37.423-7/19 De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt in het bestreden arrest op dat een beroep, om ontvankelijk te zijn, moet gericht zijn tegen een uitvoerbare beslissing, zijnde een handeling waarbij rechtsgevolgen in het leven worden geroepen of belet worden tot stand te komen, met andere woorden waardoor wijzigingen in een bestaande rechtstoestand worden aangebracht dan wel belet worden. Hij wijst erop dat de afgifte van een F-kaart op zich geen rechtscheppende doch slechts een materiële handeling is vermits het verblijfsrecht van een familielid van een Belg een declaratief karakter heeft en de betrokkene wordt geacht dit te hebben genoten vanaf het moment van de aanvraag. Vervolgens overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in concreto dat verzoeker op 14 december 2011 een aanvraag heeft ingediend voor een verblijfskaart als descendent van een Belg, dat de staatssecretaris voor Asiel en Migratie betreffende die aanvraag op 13 juni 2012 heeft beslist tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers beroep tegen die beslissing met een arrest van 5 april 2016 heeft verworpen, dat de huidige verwerende partij op 12 mei 2016 een beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten heeft genomen met verwijzing naar een aanvraag van verzoeker van 16 juli 2012 voor een verblijfskaart van een burger van de Unie, dat dergelijke aanvraag zich echter niet in het administratief dossier bevindt, dat de beslissing van 12 mei 2016 op 17 juni 2016 werd ingetrokken, dat het blijkens het e-mailverkeer tussen de huidige verwerende partij en de dienst Vreemdelingenzaken om een onterechte, bij vergissing genomen beslissing gaat en niet om een beslissing ingevolge een nieuwe aanvraag en dat verzoeker bijgevolg niet ernstig kan voorhouden dat niet tijdig een beslissing werd genomen inzake de aanvraag van 14 december 2011, gelet op de definitief geworden beslissing van 13 juni
  20. Met de voormelde motivering geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk aan, zowel in het algemeen als concreet, waarom hij oordeelt dat de aanvankelijk bestreden beslissing geen aanvechtbare rechtshandeling is. Daarmee is voldaan aan de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. XIV-37.423-8/19 Het eerste middelonderdeel is ongegrond.
  21. Verzoeker houdt voor dat de aanvankelijk bestreden beslissing, waarmee de verwerende partij de afgifte van een F-kaart heeft geweigerd, de verwerping van verzoekers aanvraag tot erkenning van een verblijfsrecht inhoudt. Deze stelling faalt naar recht. Met de weigering om een verblijfskaart af te geven beslist de gemeente niet zelf over de erkenning van het verblijfsrecht maar stelt zij slechts vast dat niet is voldaan aan de expliciete of impliciete erkenning van het verblijfsrecht door de bevoegde minister of staatssecretaris. Te dezen heeft de verwerende partij vastgesteld dat reeds een definitieve beslissing tot weigering van verzoekers aanvraag tot erkenning van het verblijfsrecht was genomen en heeft zij meegedeeld dat zij geen verblijfskaart kon afleveren. Derhalve kon de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest op wettige wijze overwegen dat deze mededeling geen voor vernietiging vatbare beslissing is. Het tweede middelonderdeel is ongegrond.
  22. Verzoeker houdt in essentie voor dat de beslissing van 13 juni 2012, waarmee zijn aanvraag van 14 december 2011 werd geweigerd, impliciet zou zijn ingetrokken zodat er geen tijdige weigeringsbeslissing zou zijn geweest en dat die argumentatie niet zou zijn beantwoord in het bestreden arrest. Zoals reeds bij de behandeling van het eerste middelonderdeel is vastgesteld, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest dat verzoeker op 14 december 2011 een aanvraag heeft ingediend voor een verblijfskaart als descendent van een Belg, dat de staatssecretaris voor Asiel en Migratie betreffende die aanvraag op 13 juni 2012 heeft beslist tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers beroep tegen die beslissing met een arrest van 5 april 2016 heeft verworpen, dat de huidige verwerende partij op 12 mei 2016 XIV-37.423-9/19 een beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied heeft genomen met verwijzing naar een aanvraag van verzoeker van 16 juli 2012 voor een verblijfskaart van een burger van de Unie, dat dergelijke aanvraag zich echter niet in het administratief dossier bevindt, dat de beslissing van 12 mei 2016 op 17 juni 2016 werd ingetrokken, dat het blijkens het e-mailverkeer tussen de huidige verwerende partij en de dienst Vreemdelingenzaken om een onterechte, bij vergissing genomen beslissing gaat en niet om een beslissing ingevolge een nieuwe aanvraag en dat verzoeker bijgevolg niet ernstig kan voorhouden dat niet tijdig een beslissing werd genomen inzake de aanvraag van 14 december 2011, gelet op de definitief geworden beslissing van 13 juni
  23. Met die motivering geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk aan dat (en waarom) de weigeringsbeslissing van 13 juni 2012 niet als ingetrokken moet worden beschouwd, zodat tijdig is beslist over verzoekers aanvraag van 14 december
  24. Verzoekers kritiek dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet zou betwisten dat de intrekkingsbeslissing van 17 juni 2016 betrekking heeft op diezelfde aanvraag, mist feitelijke grondslag. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt enkel dat niet kan worden aangenomen dat op 16 juli 2012 een nieuwe aanvraag is ingediend en hij volgt het verweer dat de beslissing van 12 mei 2016 (die verwijst naar een aanvraag van 16 juli 2012) per vergissing werd genomen en niet het gevolg was van een nieuwe aanvraag, “hetgeen bovendien strookt met de intrekkingsbeslissing van 17 juni 2016 waarmee de foutief genomen beslissing van 12 mei 2016 uit het rechtsverkeer verdwijnt”. Het derde middelonderdeel is ongegrond.
  25. Het eerste middel kan niet tot cassatie leiden. XIV-37.423-10/19 Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  26. Verzoeker werpt in een tweede middel de schending op van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek, van de artikelen 39/59, 39/72, § 1, en 39/81, derde lid, van de vreemdelingenwet, van het recht van verdediging en “van een eerlijke administratieve procedure en van het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel”, zoals beschermd door artikel 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM), gelezen samen met artikel 8 van het EVRM en de artikelen 7 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Verzoeker bekritiseert de motieven dat de zittingsnota uit het debat moest worden geweerd en dat het dossier van de dienst Vreemdelingenzaken, die geen partij is in de procedure, het administratief dossier vormt in de rechtspleging. In een eerste middelonderdeel voert verzoeker aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hem de mogelijkheid heeft ontnomen om op een nuttige en effectieve wijze zijn verweer naar voren te brengen betreffende de elementen waarvan hij geen kennis had vooraleer hij het verzoekschrift tot nietigverklaring indiende. Na inzage van het dossier van de dienst Vreemdelingenzaken, heeft verzoeker een zittingsnota opgesteld, doch ter terechtzitting werd verzoeker ervan op de hoogte gebracht dat die zittingsnota niet kon worden aanvaard en uit het debat zou worden geweerd. Het werd hem ook niet toegelaten de nota voor te lezen of over de inhoud ervan te pleiten. De elementen die verzoeker wilde laten gelden betroffen het feit dat hij duidelijk recht had op verblijf en dat de door hem voorgestelde feiten als bewezen moesten worden geacht ingevolge het ontbreken van een administratief dossier van de huidige verwerende partij. Vermits de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het XIV-37.423-11/19 bestreden arrest betwist dat verzoeker recht had op verblijf, zonder rekening te houden met de argumentatie uit de zittingsnota, en vermits de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de door verzoeker ingeroepen feiten betwist aan de hand van het dossier van de dienst Vreemdelingenzaken, is het volgens verzoeker duidelijk dat het naleven van het recht van verdediging tot een ander resultaat had kunnen leiden. In een tweede middelonderdeel voert verzoeker aan dat hij in strijd met artikel 39/81 van de vreemdelingenwet niet de mogelijkheid kreeg een synthesememorie in te dienen alvorens zijn beroep tot nietigverklaring werd behandeld. In een derde middelonderdeel voert verzoeker aan dat het bestreden arrest is gesteund op de (impliciete) stelling dat verzoeker wel de mogelijkheid kreeg om een synthesememorie in te dienen. Hij heeft echter nooit de in artikel 39/81, derde lid, van de vreemdelingenwet bedoelde kennisgeving ontvangen. In een vierde middelonderdeel voert verzoeker aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de bewijskracht en draagwijdte van het rechtsplegingsdossier, van de verzoekschriften, van het administratief dossier en van de zittingsnota heeft miskend door te stellen dat de elementen waarop verzoeker zich wilde steunen konden worden aangehaald in de verzoekschriften tot nietigverklaring. Verzoeker kon zowel de vaststelling dat de huidige verwerende partij geen administratief dossier heeft ingediend en dat de dienst Vreemdelingenzaken duidelijk aangeeft geen partij te zijn en niet te willen tussenkomen in het beroep tot nietigverklaring als de verwijzing naar artikel 39/59 van de vreemdelingenwet gezien het ontbreken van een administratief dossier van de huidige verwerende partij en naar een document waaruit blijkt dat de nieuwe beslissing betrekking had op dezelfde aanvraag als de eerdere beslissing, slechts aanhalen na raadpleging van het administratief dossier ter griffie van de Raad voor XIV-37.423-12/19 Vreemdelingenbetwistingen en dus niet vóór het indienen van het beroep tot nietigverklaring. In een vijfde middelonderdeel voert verzoeker aan dat het bestreden arrest tegenstrijdig is gemotiveerd en artikel 39/72, § 1, van de vreemdelingenwet schendt door regelmatig te verwijzen naar het administratief dossier terwijl de huidige verwerende partij als auteur van de aanvankelijk bestreden beslissing geen administratief dossier heeft ingediend. In een zesde middelonderdeel voert verzoeker een schending aan van artikel 39/59 van de vreemdelingenwet omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de in het verzoekschrift tot nietigverklaring weergegeven feiten betwist aan de hand van het dossier van de dienst Vreemdelingenzaken, hoewel de auteur van de aanvankelijk bestreden beslissing geen administratief dossier heeft ingediend.
  27. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker het middel. Wat het eerste middelonderdeel betreft, benadrukt verzoeker dat hij reeds in de zittingsnota heeft gesteld dat hij zich daarin steunde op elementen waarvan hij geen kennis had vóór het indienen van het inleidend verzoekschrift en die niet eerder konden worden ingeroepen. Bovendien heeft verzoeker niet de mogelijkheid gekregen om een synthesememorie in te dienen. Het was verzoeker ook niet mogelijk kennis te nemen van de dossiers alvorens het beroep tot nietigverklaring in te dienen vermits de huidige verwerende partij helemaal geen administratief dossier heeft ingediend en vermits de antwoordtermijn na een aanvraag tot inzage van een dossier 30 dagen bedraagt en dus overeenstemt met de beroepstermijn zelf. Wat het tweede middelonderdeel betreft, voegt verzoeker toe dat hij deze schendingen niet eerder kon vaststellen omdat pas uit het bestreden arrest XIV-37.423-13/19 blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de inhoud van de zittingsnota niet in aanmerking heeft genomen. Verzoeker acht het recht van verdediging en de procedurele rechten bovendien van openbare orde, zodat hij de schending ervan ook voor het eerst voor de Raad van State mag opwerpen. Wat het vierde middelonderdeel betreft, voegt verzoeker toe dat de huidige verwerende partij voorhoudt geen “administratieve beslissing” te hebben genomen betreffende de afgifte van een F-kaart, zodat zij er zich zeker niet toe gehouden acht een “administratief dossier” voor te leggen of enig “recht op inzage” van verzoeker te eerbiedigen. Van verzoeker kan niet redelijk worden verwacht dat hij zich tot een andere administratie, de dienst Vreemdelingenzaken, richt om kennis te nemen van de stukken en de motieven van de huidige verwerende partij. Wat het vijfde middelonderdeel betreft, benadrukt verzoeker dat het administratief dossier het dossier is van de auteur van de aanvankelijk bestreden beslissing en dat deze auteur het in het kader van een beroep tot nietigverklaring dient op te sturen. Wat het zesde middelonderdeel betreft, voegt verzoeker toe dat artikel 39/59 van de vreemdelingenwet verwijst naar “het administratief dossier” en niet enkel naar “een dossier” dat werd toegestuurd binnen de vastgestelde termijn. Beoordeling
  28. Naar luid van artikel 39/60 van de vreemdelingenwet mogen de partijen en hun advocaten “ter terechtzitting hun opmerkingen mondeling voordragen” en mogen “geen andere middelen […] worden aangevoerd dan die welke in het verzoekschrift of in de nota uiteengezet zijn”. Noch deze bepaling noch enige andere bepaling voorziet de mogelijkheid van het indienen van een zittingsnota bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Deze laatste beslist XIV-37.423-14/19 soeverein of hij rekening houdt met dergelijk stuk bij wijze van inlichting doch hij is er niet toe gehouden erop te antwoorden. Verzoeker toont niet aan noch blijkt uit het rechtsplegingsdossier dat het hem niet werd toegelaten voor te lezen uit zijn zittingsnota of erover te pleiten. Wat dat betreft stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest dat het de advocaat weliswaar vrij staat te pleiten doch dat het voorlezen van een nota “om deze volledig te laten akteren […] als doel [heeft] de wettelijke bepalingen te omzeilen en te verkrijgen dat niet toegelaten procedurestukken worden opgenomen”. Dit laatste staat ook vermeld in het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 maart
  29. Er blijkt dan ook geen schending van het recht van verdediging of van een daarmee verband houdende bepaling. Waar verzoeker in de memorie van wederantwoord nog aanhaalt dat hij geen synthesememorie heeft kunnen opstellen en dat de huidige verwerende partij geen administratief dossier heeft ingediend, kan worden verwezen naar de behandeling van het tweede en het vijfde middelonderdeel. Het eerste middelonderdeel is ongegrond.
  30. Uit het rechtsplegingsdossier blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers zaak met een beschikking van 1 februari 2017 heeft vastgesteld op de terechtzitting van 21 maart
  31. Deze beschikking is op 2 februari 2017 met een ter post aangetekende brief naar verzoeker gestuurd, met de mededeling dat het dossier elke werkdag kan worden geraadpleegd. Verzoeker heeft na ontvangst van deze beschikking niet gewezen op een mogelijk gebrek aan kennisgeving overeenkomstig artikel 39/81 van de vreemdelingenwet noch op een gebrek aan mogelijkheid om een synthesememorie in te dienen. Hij heeft er evenmin iets over vermeld in zijn zittingsnota die hij op 20 maart 2017 heeft opgesteld. Tot slot blijkt noch uit het XIV-37.423-15/19 proces-verbaal van de terechtzitting noch uit het bestreden arrest zelf dat verzoeker ter terechtzitting heeft laten gelden dat hem in strijd met artikel 39/81 van de vreemdelingenwet niet de mogelijkheid werd geboden een synthesememorie op te stellen. Vermits de mogelijkheid om een synthesememorie in te dienen kan worden gelezen in artikel 39/81 van de vreemdelingenwet, was verzoeker ook in de mogelijkheid om een eventueel gebrek in de toepassing ervan reeds op te werpen na de ontvangst van de beschikking van 1 februari 2017 tot bepaling van de rechtsdag en alleszins nog ter terechtzitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Deze bepaling is niet van openbare orde en verzoeker vermag er zich daarom niet voor het eerst op te beroepen voor de Raad van State als administratieve cassatierechter, ook niet om er een schending van het recht van verdediging uit af te leiden. Het tweede middelonderdeel is niet-ontvankelijk.
  32. Het derde middelonderdeel is eveneens gesteund op de kritiek dat verzoeker niet de mogelijkheid heeft gekregen om met toepassing van artikel 39/81 van de vreemdelingenwet een synthesememorie in te dienen. Daarom is het evenals het tweede middelonderdeel niet-ontvankelijk.
  33. In het bestreden arrest wordt opgemerkt “dat geen elementen worden aangehaald die niet ter gelegenheid van de verzoekschriften konden worden aangehaald en de verzoekende partij ook niet overging tot het overmaken van een synthesememorie”. Bij de behandeling van het eerste middelonderdeel is vastgesteld dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen soeverein oordeelt over het al dan niet aanvaarden van een zittingsnota en dus niet verplicht is in te gaan op de inhoud ervan. Bij de behandeling van het tweede middelonderdeel is vastgesteld dat XIV-37.423-16/19 verzoeker zich voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet heeft beroepen op een gebrek aan mogelijkheid om een synthesememorie in te dienen. Verder blijkt niet dat verzoeker ter terechtzitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen mondeling wel elementen heeft aangehaald of willen aanhalen die niet in het verzoekschrift tot nietigverklaring konden worden vermeld. Dit blijkt alleszins niet uit het proces-verbaal van de terechtzitting of uit enig ander stuk in het rechtsplegingsdossier. Het vierde middelonderdeel is ongegrond.
  34. Artikel 39/72 van de vreemdelingenwet heeft betrekking op de beroepen met volle rechtsmacht tegen beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Te dezen betreft het echter een beroep tot nietigverklaring tegen de beslissing van een gemeente. Hierop is artikel 39/81, tweede lid, van de vreemdelingenwet van toepassing, naar luid waarvan de verwerende partij binnen de acht dagen na de kennisgeving van het beroep het administratief dossier bezorgt aan de griffier van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Verzoeker heeft zelf in het verzoekschrift tot nietigverklaring ook de Belgische Staat aangeduid als de verwerende partij, waarna deze als dusdanig in kennis werd gesteld van het beroep tot nietigverklaring en vervolgens het administratief dossier heeft opgestuurd. De omstandigheid dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het in het bestreden arrest “passend [acht] de staatssecretaris voor Asiel en Migratie buiten de zaak te stellen”, hetgeen overigens niet gebeurt in het beschikkend gedeelte van dat arrest, doet geen afbreuk aan het feit dat de Belgische Staat voordien wel als partij het administratief dossier kon opsturen en dat dit dossier deel uitmaakt van het rechtsplegingsdossier. Het vijfde middelonderdeel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. XIV-37.423-17/19
  35. Naar luid van artikel 39/59 van de vreemdelingenwet worden, “wanneer de verwerende partij het administratief dossier niet binnen de vastgestelde termijn toestuurt, […] de door de verzoekende partij vermelde feiten als bewezen geacht, tenzij deze feiten kennelijk onjuist zijn”. Te dezen bevindt zich een administratief dossier in het bestreden arrest waarmee de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen rekening vermocht te houden, zoals blijkt uit de behandeling van het vijfde middelonderdeel supra. Er is dan ook geen tegenstrijdigheid in de motivering van het bestreden arrest waar rekening wordt gehouden met het reeds ingediend administratief dossier van een partij die achteraf buiten de zaak wordt gesteld. Het zesde middelonderdeel is ongegrond.
  36. Het tweede middel kan niet tot cassatie leiden. BESLISSING
  37. De eerste verwerende partij wordt buiten de zaak gesteld.
  38. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  39. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XIV-37.423-18/19 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes december tweeduizend achttien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.423-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.123 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.