← België

Arrest 243133 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 06/12/2018

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.133 Rolnummer: A. 224681/VII-40217 Zaak: Arrest 243133 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 06/12/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-12-13 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-24 23:07 Fiche Arrest nr 243.133 van 6 december 2018 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 243.133 van 6 december 2018 in de zaak A. 224.681/VII-40.

  1. In zake :
  2. Wim DE RYCKE
  3. Erica VYNCKE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sven Boullart kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 419 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN OOST-VLAANDEREN -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  4. Het cassatieberoep, ingesteld op 2 maart 2018, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb/A/1718/0393 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 9 januari 2018 in de zaak 1516/RvVb/0350/A. II. Verloop van de rechtspleging
  5. Een beschikking van 27 maart 2018 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.217-1/7 Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend teneinde te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 november
  6. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jelle Snauwaert, die loco advocaat Sven Boullart verschijnt voor de verzoekende partijen, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. III. Feiten 3.
  8. Met een besluit van 8 december 2011 weigert de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen (hierna: deputatie) aan de verzoekende partijen de stedenbouwkundige vergunning te verlenen “voor het bouwen van een weekendverblijf + slopen van een bestaand weekendverblijf - regularisatieaanvraag”. 3.
  9. Op vordering van de verzoekende partijen vernietigt de RvVb de vergunningsbeslissing van 8 december 2011 bij arrest van 28 juli 2015 VII-40.217-2/7 (nr. A/2015/0435). De RvVb beveelt de deputatie “[b]ij de te nemen herstelbeslissing […] rekening […] te houden met het inmiddels goedgekeurde PRUP […] en […] met de niet tegenstelbaarheid van het verval van de verkavelingsvergunning van 17 januari 1993 in hoofde van” de verzoekende partijen. 3.
  10. Met een besluit van 10 december 2015 weigert de deputatie andermaal aan de verzoekende partijen de aangevraagde regularisatievergunning te verlenen. 3.
  11. Het bestreden arrest verwerpt de vordering van de verzoekende partijen tot vernietiging van deze laatste vergunningsbeslissing. IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  12. De verzoekende partijen voeren de schending aan van: “- Het algemeen rechtsbeginsel van het gezag van gewijsde van arresten van administratieve rechtscolleges; - Het algemeen rechtsbeginsel van de rechten van verdediging; - Artikel 4.2.18 VCRO, zoals van toepassing vóór de wijziging bij artikel 306 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, zoals gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 23 oktober 2014; - Artikel 4.6.5 VCRO, zoals van toepassing vóór de opheffing bij artikel 335 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, zoals gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 23 oktober 2014; - De stedenbouwkundige voorschriften van de verkavelingsvergunning van 17 januari 1983, verleend door het CBS van Knesselare aan de feitelijke vereniging Groen-Ursel […]; - Artikel 4.6.4, § 6 VCRO, zoals van toepassing vóór de opheffing bij artikel 335 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, zoals gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 23 oktober 2014”. VII-40.217-3/7 Zij voeren vooreerst aan dat het bestreden arrest het gezag van gewijsde van het arrest van de RvVb van 28 juli 2015 miskent door aan te nemen dat het koninklijk besluit van 30 oktober 1978 betreffende weekendverblijven “slechts van toepassing [zou] zijn op weekendverblijven waarbij naast individuele weekendverblijven ook gemeenschappelijke voorzieningen worden aangeboden” en de verkavelingsvergunning van 17 januari 1983 “uitsluitend gebaseerd [zou] zijn op de omzendbrief van 20 januari 1978” terwijl de RvVb in het arrest van 28 juli 2015 “heeft geoordeeld dat de verkavelingsvergunning van 17 januari 1983 wel is verleend op basis van het koninklijk besluit van 30 oktober 1973”. Het algemeen rechtsbeginsel van gezag van gewijsde verzet zich ertegen dat de RvVb “zich later opnieuw uitspreekt over ditzelfde geschilpunt”. Zij zet vervolgens uiteen dat het bestreden arrest het verkavelingsvoorschrift 2.b van de verkavelingsvergunning van 17 januari 1983 miskent door te oordelen dat de totale oppervlakte “in de gebruikelijke betekenis van de term gedefinieerd [wordt] als de som van alle (bovengrondse) vloerniveaus” terwijl uit dat voorschrift volgt “dat een weekendverblijf kan worden opgericht dat een vloeroppervlakte […] heeft van 60m², wat dus enkel slaat op de oppervlakte op de grond en niet wijst op de som van alle bouwlagen” en de verkavelingsvoorschriften “niet uitdrukkelijk uit[sluiten] dat een verdieping op het weekendverblijf wordt voorzien”. De verzoekende partijen stellen nog dat het bestreden arrest het algemeen rechtsbeginsel van de rechten van verdediging schendt door te oordelen dat de verkavelingsvergunning van 17 januari 1983 “niet zou zijn verleend op grond van voormeld koninklijk besluit van 30 oktober 1973” omdat deze “geen verkaveling [voorziet] voor een weekendverblijfpark, maar loten voor individuele verblijfsgelegenheden, zonder dat gemeenschappelijke voorzieningen ingericht worden” terwijl tussen partijen geen betwisting werd gevoerd over het gegeven dat deze verkavelingsvergunning werd verleend op basis van voormeld koninklijk besluit en partijen omtrent dat geen tegenspraak hebben kunnen voeren. VII-40.217-4/7 Zij zetten tot slot nog uiteen dat het bestreden arrest de artikelen 4.2.18 en 4.6.5, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening schendt door te oordelen dat de voorschriften van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan Reconversie verblijfsrecreatie Groen Ursel in Knesselare aanvullend van toepassing zijn voor die aspecten die niet geregeld zouden worden door de verkavelingsvoorschriften. Beoordeling
  13. Uit de gegevens van het dossier waarop de Raad van State acht kan slaan, blijkt dat de RvVb in het arrest van 28 juli 2015 tot het oordeel komt van het aan de verzoekende partijen niet tegenstelbaar verval van de verkavelingsvergunning van 17 januari 1983 bij toepassing van de “gemeenrechtelijke stedenbouwwetgeving inzake het verval van de verkavelingsvergunningen [die] geldt, ongeacht het feit of het een verkavelingsvergunning betreft die afgeleverd is op basis van de gemeenrechtelijke regeling, dan wel op basis van het KB van 30 oktober 1973”. Het middelonderdeel dat ervan uitgaat dat de RvVb in het arrest van 28 juli 2015 “heeft geoordeeld dat de verkavelingsvergunning van 17 januari 1983 wel is verleend op basis van het koninklijk besluit van 30 oktober 1973”, mist feitelijke grondslag.
  14. Het voorschrift 2.b van de verkavelingsvergunning van 17 januari 1983 bepaalt voor nieuw op te richten weekendverblijven een “maximum van 60m² totale vloeroppervlakte van het gebouw, terrassen niet inbegrepen”. Het middelonderdeel dat ervan uitgaat dat dit voorschrift “enkel slaat op de oppervlakte op de grond en niet wijst op de som van alle bouwlagen”, en dat overige verkavelingsvoorschriften een verdieping toelaten omdat zij dat “niet uitdrukkelijk uit[sluiten]”, faalt naar recht. VII-40.217-5/7
  15. Uit de gegevens van het dossier waar de Raad van State acht mag op slaan blijkt dat de verzoekende partijen voor de RvVb het standpunt hebben verdedigd “dat de verkavelingsvergunning van 17 januari 1983 gesteund is op het koninklijk besluit van 30 oktober 1973 betreffende de weekendverblijfparken” en dat de deputatie het standpunt heeft verdedigd dat de bepalingen van het laatstvermelde koninklijk besluit “niet dienstig kunnen worden aangewend om een afwijkende interpretatie te geven van de term ‘vloeroppervlakte’”. Het middelonderdeel dat ervan uitgaat dat tussen partijen geen betwisting werd gevoerd “over het gegeven dat de verkavelingsvergunning van 17 januari 1983 werd verleend op basis van het koninklijk besluit van 30 oktober 1973”, mist feitelijke grondslag.
  16. Het bestreden arrest oordeelt dat “[v]oor wat niet geregeld is in de verkavelingsvergunning [van 17 januari 1983], gelden de voorschriften uit het PRUP” en dat de deputatie “terecht een strijdigheid kon vaststellen met het verkavelingsvoorschrift inzake de totale vloeroppervlakte en aanvullend een strijdigheid met het PRUP dat uitdrukkelijk een verbod op een bijkomende ondergrondse of bovengrondse verdieping voorziet”. Het middelonderdeel dat ervan uitgaat dat het bestreden arrest oordeelt dat “er in ieder geval geen verdieping kon worden toegelaten op de bouwplaats omdat naast de verkavelingsvoorschriften van de verkavelingsvergunning van 17 januari 1983 tegelijkertijd de voorschriften van het PRUP […] aanvullend moeten worden toegepast, voor zover niet strijdig met de verkavelingsvoorschriften”, mist feitelijke grondslag. Het enige middel wordt verworpen. VII-40.217-6/7 BESLISSING
  17. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  18. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep, begroot op een rolrecht van 400 euro en een bijdrage van 40 euro, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes december tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.217-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.133 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.