← België

Arrest 243163 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 06/12/2018

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.163 Rolnummer: A. 218041/X-16479 Zaak: Arrest 243163 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 06/12/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-12-18 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-24 21:33 Fiche Arrest nr 243.163 van 6 december 2018 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 243.163 van 6 december 2018 in de zaak A. 218.041/X-16.

  1. In zake : de STAD WERVIK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Van Heuven kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door : - de Vlaamse regering - de beroepscommissie voor tuchtzaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46/1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : Stephan DEBLAERE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Lahousse kantoor houdend te 2800 Mechelen Leopoldstraat 64 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 30 februari 2015, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de beroepscommissie voor tuchtzaken (hierna: beroepscommissie) van 5 november 2015 waarbij de beslissing van de gemeenteraad van de stad Wervik van 5 mei 2015 om Stephan Deblaere de tuchtsanctie van het ambtshalve ontslag op te leggen, vernietigd wordt. X-16.479-1/16 II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 16 februari
  4. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 september
  5. Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Dirk Van Heuven, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Samuel Mens, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Pascal Lahousse, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Sofie De Doncker heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. X-16.479-2/16 III. Feiten
  7. Stephan Deblaere – de tussenkomende partij – is diensthoofd van de technische dienst van de stad Wervik. Bij besluit van 5 mei 2015 legt de gemeenteraad hem de tuchtstraf van het ambtshalve ontslag op. De bewezen geachte tenlasteleggingen betreffen de aankoop van veiligheidsschoenen op kosten van de stad Wervik voor eigen gebruik. Het gaat, eensdeels, om een aankoop van 13 augustus 2014 van vier paar lage veiligheidsschoenen tegelijk en, anderdeels, om aankopen op 19 juli 2010 en 30 juli 2012 van respectievelijk vijf paar en vier paar veiligheidsschoenen tegelijk; elke bestelling heet op zich reeds het ontslag van ambtswege te verantwoorden. De aankopen worden bewezen geacht op grond van de volgende motivering: A.
  8. De aankoop van vier paar veiligheidsschoenen tegelijk op 13 augustus 2014 […] Door de betrokkene wordt niet betwist dat hij op 13 augustus 2014, op een ogenblik dat de financieel beheerder, de stadssecretaris en de schepen van financiën en van openbare werken (betreft sinds 01/01/2013 één en dezelfde persoon) op verlof waren, tegelijk vier paar veiligheidsschoenen heeft aangekocht. Tijdens het verhoor op 06 november 2014 (stuk C1) stelde betrokkene dat de schoenen ook waren bestemd voor [F. B.], technisch medewerker van de technische dienst, en [A. S.], ploegbaas technische dienst. Beide heren ontkennen dit (bijlage C3 en C6). Zij bestellen geen veiligheidsschoenen via de heer Stephan Deblaere. Deze bewering werd niet herhaald in de verweernota (‘conclusie’), neergelegd tijdens de hoorzitting van 31 maart
  9. Het staat zodoende vast dat de heer Stephan Deblaere de bestelling van 13 augustus 2014 van vier paren veiligheidsschoenen tegelijk voor eigen gebruik heeft geplaatst. De bestelling van vier paar veiligheidsschoenen tegelijk wordt niet verantwoord door de functie van de heer Stephan Deblaere, waarbij slechts sporadisch werven worden bezocht. De gemeenteraad wijst op volgende bezwarende elementen: - De bestellingen werden geplaatst buiten de geëigende procedure om. In het verslag van de stadssecretaris wordt toegelicht dat voor veiligheidsschoenen, net als voor alle veiligheidsmateriaal, de preventieadviseur van de stad de bestellingen plaatst om er zorg voor te dragen dat deze in overeenstemming zijn met de regels inzake welzijn op het werk (KB van 13 juni 2005 betreffende het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen). In concreto betekent dit X-16.479-3/16 dat alle aankopen van veiligheidsmateriaal moeten gebeuren via preventieadviseur [R. V.]. Deze procedure wordt ook voorgeschreven door het KB van 13 juni 2005 betreffende het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen (o.a. artikel 10 en 13) (bijlage A6). De heer Stephan Deblaere blijkt de procedure voor de aankoop van veiligheidsmateriaal te kennen (stuk H1). Als diensthoofd van de technische dienst wordt van hem verwacht om het goede voorbeeld te geven en de procedure te respecteren. - De bestelling werd geplaatst op een ogenblik dat de financieel beheerder en de schepen van financiën afwezig waren. Nochtans bleek uit de foto die werd genomen op het ogenblik van het verhoor door de stadssecretaris met de heer Stephan Deblaere van 06 november 2014 (stuk C1) dat de heer Deblaere op dat ogenblik nog veiligheidsschoenen droeg van een vroegere bestelling, zodat er geen enkele hoogdringendheid was om de bestelling alsdan te plaatsen. - Hiernavolgende verklaringen van de heer Deblaere met betrekking tot de bestelling van 13 augustus 2014 zijn ofwel zonder meer onjuist, ofwel ongeloofwaardig. De bewering tijdens het verhoor van 06 november 2014 dat hij ook zou besteld hebben voor [F. B.], technisch medewerker van de technische dienst, en [A. S.], ploegbaas technische dienst (stuk C1) is niet correct. Beide heren ontkennen dit formeel (stukken C3 en C6). In de latere verweernota/conclusie van [V.] van 31 maart 2015 heet het, vaag, dat een (aantal) paar schoenen die besteld werden ‘konden worden gebruikt door diverse mensen’. Precies hoeveel schoenen door de heer Stephan Deblaere voor precies wie zouden besteld zijn, wordt niet gezegd door de heer Stephan Deblaere. Meer in het bijzonder wordt niet aangegeven welke van de 4 paar schoenenparen van de bestelling van 13 augustus 2014 voor derden bestemd zouden zijn. Het hoeft geen betoog dat niet iedereen dezelfde schoenmaat heeft. Aldus is dit verweer niet enkel onbewezen, maar ook ongeloofwaardig. In dezelfde verweernota/conclusie wordt gesteld door de heer Stephan Deblaere dat van de vier paar van de bestelling van 13 augustus 2014 er ‘drie paar [werden] teruggevonden op de zolder van de technische dienst en één paar werd gedragen door concluant’. In werkelijkheid blijkt dat de schoenen die de heer Deblaere droeg op 06 november 2014 (stuk C9) wel degelijk uit een vorige bestelling kwamen, en dat deze schoenen daarenboven nog in zeer goede staat waren. De schoenen die hij op dat ogenblik droeg, zijn van het type Jalgalaad uit de bestelling van 2010 of 2012 en die zijn op dit ogenblik niet meer verkrijgbaar op de website van leverancier Vandeputte. In tegenstelling tot zijn bewering werden er op 06 november 2014 slechts TWEE paar en geen drie paar nieuwe veiligheidsschoenen aangetroffen op de zolder. Aldus waren er op 06 november 2014 TWEE paar nieuwe veiligheidsschoenen spoorloos. X-16.479-4/16 In zijn mail aan de leden van de gemeenteraad en het schepencollege van 12 november 2014 (stuk H1) beweert Stephan Deblaere dat ‘de aanleiding van de bestelling was het feit dat eind juli een scheur in de zool van mijn veiligheidsschoenen was opgetreden, waardoor er water in een schoen binnenkwam …’ terwijl dat hij niettegenstaande deze bewering toch nog ‘oude’ en allesbehalve versleten veiligheidsschoenen droeg op 06 november 2014 (stuk C9). [foto] De heer Stephan Deblaere antwoordde op vraag 11 van de stadssecretaris (bijlage C1) dat hij niet eerder veiligheidsschoenen heeft aangekocht (‘ik geloof van niet’), terwijl blijkt dat in de periode tussen 2010 en 2014 niet minder dan 13 paar veiligheidsschoenen werden aangekocht (bundel E), telkens zonder de wettelijke procedure via de preventieadviseur te volgen. Het verweer van en namens de heer Stephan Deblaere kan niet overtuigen. - Van een verjaring aangaande de betwiste bestelling van 13 augustus 2014 kan geen sprake zijn omdat binnen een termijn van 6 maanden na het tuchtfeit (de aankoop van vier paar veiligheidsschoenen op 13 augustus 2014) en dus ook na kennisname van dit specifieke tuchtfeit (door de nota van de financieel beheerder van 08 oktober 2014) werd beslist tot opstart van de tuchtprocedure, met name met beslissing van de gemeenteraad van 04 november
  10. - De bewering als zou de procedure via de veiligheidsadviseur stroef verlopen en er geen voorraadbeheer is, zodat als er schoenen nodig zijn er maanden moet worden gewacht tegen dat ze geleverd zijn, kan de handelswijze van de heer Stephan Deblaere niet verantwoorden. Als diensthoofd van de technische dienst heeft hij een voorbeeldfunctie en, kennis hebbende van de procedure, moet zeker hij de procedure naleven. Komt daarbij dat de preventieadviseur [R. V.] tijdens zijn verhoor op 06 november 2014 (stuk C4) verklaart dat slechts bij uitzondering veiligheidsschoenen worden aangekocht zonder zijn tussenkomst en dat de heer Stephan Deblaere hem nooit heeft gevraagd om dergelijke schoenen voor hem aan te kopen. Tenslotte blijkt noch uit het tuchtdossier, noch uit het verweer van de heer Stephan Deblaere dat deze laatste ooit zijn beklag heeft gemaakt over het functioneren van de [R. V.] of deze laatste heeft aangespoord om zijn werking te verbeteren. - Dat slechts 5 paar veiligheidsschoenen die de laatste 5 jaar werden aangekocht door de heer Stephan Deblaere op kosten van de stad Wervik ‘het uitzicht van gewone schoenen benaderen’ wordt tegengesproken door hiernagaande foto’s die allen geput zijn uit het tuchtdossier (stuk A11 ). [foto’s] De waarheid is dat alle 13 paar lage veiligheidsschoenen die de heer Stephan Deblaere heeft aangekocht – dus ook de vier paar van 13 augustus 2014 – het uitzicht hebben van gewone schoenen en X-16.479-5/16 perfect gebruikt kunnen worden voor dagdagelijks gebruik. Het wordt niet betwist dat alle schoenen die op 13 augustus 2014 werden besteld de schoenmaat van de heer Stephan Deblaere betreffen. - In de conclusie wordt gesteld dat er niet het minste bewijs is dat de heer Stephan Deblaere de schoenen privé zou hebben gebruikt. Er is vooral geen enkel bewijs dat de heer Stephan Deblaere de vier schoenenparen die hij heeft besteld op 13 augustus 2014 voor professionele noodwendigheden nodig had of (tot op vandaag) zelfs maar heeft gebruikt. De normale gebruiksduur van dergelijke veiligheidsschoenen die slechts occasioneel worden gebruikt, spreekt dit tegen. Gezien het paar schoenen dat de heer Stephan Deblaere droeg op 06 november 2014 - dus schoenen uit een vorige bestelling - nog in zeer goede staat waren, kan de aankoop van niet minder dan vier paar nieuwe schoenen tegelijk voor professioneel gebruik niet verantwoord worden. - Het is juist dat geen klacht werd neergelegd wegens diefstal van overheidsmateriaal. Er bestaat in hoofde van de tuchtoverheid geen verplichting om strafklacht neer te leggen. Soms heeft een strafklacht een vertragende werking op een tuchtprocedure, terwijl thans de feiten voor zich spreken. Komt daarbij dat de gemeenteraad de mening toegedaan is dat de tuchtsanctie een voldoende straf is in hoofde van betrokkene. De eerste tenlastelegging is gegrond voor wat betreft het aankopen van vier paar lage veiligheidsschoenen tegelijk, dit tijdens het verlof van de financieel beheerder en de schepen van financiën & openbare werken, en buiten de voorziene procedure via de preventieadviseur om. Slechts twee paar van deze veiligheidsschoenen werden teruggevonden in het magazijn, in een kartonnen doos die zich niet bevond op de gebruikelijke stockeringsplaats. Deze vier paar veiligheidsschoenen zien eruit als gewone schoenen en moeten voor het grootste deel worden beschouwd als privé- uitgaven die worden verhaald op de stad en ontegensprekelijk kunnen beschouwd worden als het gebruik van overheidseigendommen voor privédoeleinden. Hierna zal worden betoogd dat enkel de bestelling van 13 augustus 2014 alleen al de tuchtsanctie ambtshalve verantwoordt. De gemeenteraad is van oordeel dat de tenlastelegging onder A.
  11. door betrokkene niet weerlegd wordt. A.
  12. De aankoop van vijf paar veiligheidsschoenen tegelijk op 19 juli 2010 en van vier paar veiligheidsschoenen tegelijk op 30 juli 2012 Uit het tuchtonderzoek is gebleken dat in de jaren voorafgaandelijk de bestelling van 13 augustus 2014, nog negen andere paren veiligheidsschoenen werden aangekocht door de heer Stephan Deblaere (stukken E1 en E2). Vastgesteld wordt dat: - Ook deze lage veiligheidsschoenen er precies uit zien als gewone schoenen (stuk A11) [foto’s] X-16.479-6/16 De veiligheidsschoenen die de heer Deblaere aanhad op 6 november 2014 (stuk C9) zijn van het type Jalgalaad, en perfect te gebruiken als woon- en werkschoenen. - De geëigende procedure, met name met betrokkenheid van de preventieadviseur, voor geen enkele van de bestellingen werd gevolgd. - De omstandigheid dat één paar schoenen schoenmaat 41 heeft, terwijl alle andere twaalf paar schoenen de schoenmaat van de heer Deblaere hebben, levert noch rechtstreeks [noch] onrechtstreeks een bewijs op van de bewering van de heer Deblaere als zouden sommige schoenen voor andere mensen zijn. Ten eerste weet de heer Stephan Deblaere niet aan te tonen voor wie welke schoenen besteld zouden zijn. Ten tweede is ook schoenmaat 44 zeer courant, en werd die nochtans nooit door de heer Deblaere aangekocht. Ten derde blijken deze schoenen nergens terug te vinden (dan tenzij aan de voeten van de heer Deblaere). Ten vierde: alhoewel de heer Deblaere schoenmaat 42 (tienmaal [aankocht]) en soms schoenmaat 43 (tweemaal [aankocht]) draagt, gebeurt het af en toe dat schoenen met schoenmaat 41 zo groot zijn dat ze ook kunnen gebruikt worden door iemand met schoenmaat
  13. - De omschrijving van de aankoopprocedure in de verweernota/conclusie van mr. Wim Vandenbussche correct beschreven is. Het is echter de heer Stephan Deblaere zelf die als diensthoofd van de technische dienst de aanvraag tot bestelbon moest tekenen (of deze bestelbon nu van hem uitging dan wel van iemand anders van de dienst). Vervolgens wordt de bestelbon opgemaakt en getekend door een lid van het College van Burgemeester en Schepenen (Schepen van financiën of diens vervanger) als kennisname. Op deze groepsbestelbon staat de bestemmeling van de veiligheidsschoenen niet vermeld, evenmin als op de aanvraag tot bestelbon. Na goedkeuring van de bestelbon wordt deze enkele dagen later, door de financiële dienst, die onder leiding van de financieel beheerder staat, verwerkt en terug overgemaakt aan de betrokken dienst om de bestelling te plaatsen. Bij ontvangst van de factuur wordt vooral gecontroleerd of er een match is met de bestelbon. Bij deze gelegenheid werden de facturen afgetekend door de heer Deblaere. Op deze facturen staat al evenmin voor wie de veiligheidsschoenen bestemd zijn. Uit hetgeen vooraf gaat blijkt dat de heer Deblaere als leidinggevende van de technische dienst een zeer belangrijke rol speelt in het toezicht. De adviesrol van de preventieambtenaar werd niet gerespecteerd. Het toezicht van de financieel beheerder op de bestelbonnen werd uitgeschakeld door de aanvragen in diens verlof in te dienen. Hieruit volgt de conclusie dat de heer Stephan Deblaere doelbewust de bestellingen voor veiligheidsschoenen heeft geplaatst op het ogenblik dat de controle geringer was. Een vakantieperiode waar de eigen schepen van openbare werken en vooral de financieel beheerder afwezig zijn, was voor hem X-16.479-7/16 blijkbaar telkenmale het meest geschikte moment. Het kan geen toeval zijn dat de schoenen telkens werden besteld in het groot verlof en tijdens het verlof van de financieel beheerder. Omdat noch uit de bestelbonnen, noch uit de facturen precies blijkt voor wie de veiligheidsschoenen bestemd zijn, kan de stelling van [V.] als zou ter gelegenheid van de administratieve verwerking van de bestellingen en van de facturen het tuchtfeit automatisch opgemerkt moeten worden, niet gevolgd worden. Het is de aanvraag via de preventieadviseur en de controle door de financieel beheerder vooraleer de bestelbonnen worden verstuurd (benevens door het diensthoofd van de technische dienst zelf) die het meest doeltreffend zijn en door de heer Deblaere bewust ontlopen werden. In werkelijkheid is het pas naar aanleiding van de verdachte aankoop van 13 augustus 2014 dat aan de stadssecretaris werd gevraagd om te onderzoeken of er ook eerdere verdachte aankopen waren (ondermeer van veiligheidsschoenen) en dat gericht kon worden vastgesteld of er sprake is van overmatige en verdoken aanvragen. Het is door de e-mail dd. 01 september 2014 van de onthaalbediende (stuk A5) met de melding dat er een doos met schoenen in het stadhuis werd geleverd zonder dat de bestemmeling op het pakket was vermeld, die de aandacht trok van de financieel beheerder. De aflevering van de schoenen op het onthaal en niet op de technische dienst leidde tot de vraag via mail voor wie dit pakket bestemd was. Dit was meteen ook de aanleiding dat deze bestelling nader werd onderzocht en gesignaleerd werd aan het college van burgemeester en schepenen, aangezien het hier toch om een eigenaardige levering ging. Het verjaringsargument wordt verworpen. - Aan de heer Deblaere niet wordt ontzegd dat hij af en toe een paar veiligheidsschoenen voor zichzelf aankoopt (via de geëigende procedure). Het is de abnormale hoegrootheid van het aantal aangekocht[e] veiligheidsschoenen die duidelijk maakt dat de heer Stephan Deblaere op kosten van de stad Wervik zichzelf een uitgebreide schoenencollectie veroorloofde. In dit verband wordt verwezen naar het tuchtdossier waarin aangegeven wordt dat de levensduur van een veiligheidsschoen voor een hogere functie minstens 2-3 jaar of langer is (zie de verklaringen gevoegd als stuk D3 van het tuchtdossier). Een en ander wordt ook in de feiten bewezen. De veiligheidsschoenen die de heer Stephan Deblaere droeg op 6 november 2014 bleken van het type Jalgalaad te zijn, die werden besteld in 2010 of
  14. De gemeenteraad is van oordeel dat de tenlastelegging onder A.
  15. door betrokkene niet weerlegd wordt. Om deze redenen, alsook om de redenen die werden uiteengezet met betrekking tot de aankoop van 13 augustus 2014 wordt de eerste tenlastelegging evenzeer bewezen geacht voor de op 19 juli 2010 en 30 juli 2012 gestelde veiligheidsschoenen. Het betreft telkenmale bestellingen geplaatst tijdens of net voor het verlof van de financieel beheerder (de verwerking en controle gebeurt pas na het college) van een (gezamenlijk) X-16.479-8/16 onverantwoord aantal lage veiligheidsschoenen die eruitzien als gewone schoenen waarvan minstens het grootste deel moet beschouwd worden als privé-uitgaven die worden verhaald op de stad Wervik en het gebruik van overheidseigendommen voor privédoeleinden. Ook deze aankopen van 2010 en 2012 verantwoorden elk op zich het ambtshalve ontslag (zie verder).” Finaal concludeert de gemeenteraad in zijn beslissing van 5 mei 2015 wat volgt: “Vooreerst merkt de gemeenteraad op dat de heer Stephan Deblaere een tuchtverleden heeft: beslissing van de gemeenteraad dd. 25 juni 2013, waarbij de tuchtstraf (schorsing voor de duur van 8 dagen) werd opgelegd. Het betrof het privégebruik van een stadsvoertuig en handelingen gesteld in staat van dronkenschap tijdens en na een receptie georganiseerd door de stad Wervik. Betrokkene heeft hiertegen geen beroep aangetekend (bijlage A14). Ook uit de tenlastelegging A, met name de aanschaf van meerdere paren veiligheidsschoenen op kosten van de stad Wervik die in werkelijkheid voor privégebruik bestemd zijn, blijkt dat in hoofde van de heer Stephan Deblaere, nochtans leidinggevende, een ontoereikend inzicht is over wat kan en niet kan. De feiten zijn bewezen en niet verjaard voor de bestelling van 13 augustus 2014, besteld op het ogenblik dat de heer Deblaere rondliep met schoenen van een vorige bestelling. Alleen deze bestelling verantwoordt het ontslag van ambtswege. De feiten zijn eveneens bewezen en niet verjaard voor de bestellingen van 19 juli 2010 en 30 juli
  16. Ook deze bestellingen verantwoorden elk op zich het ontslag van ambtswege. Het aanleggen van een private schoenengarderobe op kosten van de stad Wervik is bewezen, kan echt niet en wordt aanzien als het gebruik van overheidseigendom voor privédoeleinden. De weerhouden bestellingen als tuchtfeit worden gekwalificeerd als ernstige tuchtvergrijpen in de zin van artikel 119 van het gemeentedecreet. De handelswijze van de betrokkene is in strijd met de waardigheid van het ambt, vormt geen loyale en correcte uitoefening van het ambt (artikel 107 gemeentedecreet), en is een tekortkoming aan de beroepsplichten (artikel 112 gemeentedecreet) zoals neergelegd in de deontologische code van het gemeentepersoneel vastgesteld door de gemeenteraad op 17 december 2013 (bijlage A3), met name de waarden van de wettelijkheid, zorgvuldigheid en loyauteit. O.a. de volgende expliciete voorschriften uit de deontologische code zijn geschonden: - A.
  17. Handelen in overeenstemming met de wet - B.
  18. Het gebruik van overheidseigendommen voor privédoeleinden is in principe niet toegestaan. ‘apparatuur, gereedschappen, producten, kantoorartikelen en andere gebruiksgoederen mogen enkel gebruikt worden voor stadsaangelegenheden’ ‘werk- en beschermingskledij is eigendom van het stadsbestuur en wordt daarom bewaard, onderhouden en hersteld door de werkgever’ X-16.479-9/16 De tenlasteleggingen A zijn des te meer in hoofde van een leidinggevende persoon als de heer Stephan Deblaere volstrekt onaanvaardbaar. De heer Deblaere heeft een voorbeeldfunctie. Indien hij er een ‘losse moraal’ op na houdt, kan zulks afstralen op het gehele gemeentepersoneel en aanzetten tot misbruik van overheidsgoederen en overheidsgelden. De heer Deblaere heeft zijn professionele onkreukbaarheid op dergelijke fundamentele wijze geschonden, dat het ondenkbaar is dat hij ten aanzien van de personeelsleden van de technische dienst en ten aanzien van alle ambtenaren en mandatarissen van de stad Wervik nog het nodige gezag kan uitoefenen. De hoegrootheid van de bedragen inzake doet er niet toe. Het geven van een lagere tuchtstraf zou ook een ontoelaatbaar precedent scheppen.”
  19. Op beroep van de tussenkomende partij vernietigt de beroepscommissie de gemeenteraadsbeslissing van 5 mei
  20. Geoordeeld wordt dat het niet bewezen voorkomt dat de veiligheidsschoenen voor privédoeleinden gekocht zijn. Het brengt mee dat er wat dit feit betreft geen sprake kan zijn van een schuldig gedrag en dat het ontslag van ambtswege te zwaar voorkomt. Wat meer bepaald het niet-bewezen zijn van het betrokken tuchtfeit aangaat, motiveert de beroepscommissie: “In casu dient een onderscheid gemaakt te worden tussen enerzijds het gebruik voor privédoeleinden van veiligheidsschoenen, betaald door de gemeente Wervik, en anderzijds de aankoop van voormelde schoenen zonder naleving van de voorgeschreven procedure. 3.2.2.
  21. De beroeper werpt op dat niet bewezen is dat hij de veiligheidsschoenen, bekostigd door de gemeente Wervik, voor privédoeleinden zou gebruikt hebben. De Beroepscommissie voor tuchtzaken moet nagaan of de tuchtoverheid over voldoende gegevens beschikte om naar recht en redelijkheid te kunnen stellen dat het personeelslid de verweten tuchtfeiten heeft gepleegd. Na grondige studie van het dossier, stelt de Beroepscommissie voor tuchtzaken vast dat niet bewezen voorkomt dat de heer Deblaere de veiligheidsschoenen, waarvan sprake in de tuchtbeslissing dd. 5.5.2015, voor privédoeleinden gekocht heeft. De Beroepscommissie voor tuchtzaken merkt hierbij op dat ze niet goed begrijpt dat de tuchtoverheid, die dan toch groot belang aan deze zaak hechtte, gelet op de uitgesproken tuchtstraf, geen klacht heeft neergelegd bij politie en/of parket en/of bij onderzoeksrechter via klacht met burgerlijke partijstelling. Mocht dit het geval geweest zijn dan zou dit vooronderzoek of gerechtelijk onderzoek waarschijnlijk gepaard zijn gegaan met onder meer huiszoekingen, al dan niet met toestemmingen, en grondige verhoren, en X-16.479-10/16 zou er meer dan waarschijnlijk meer duidelijkheid zijn over het al dan niet bewezen zijn van deze tuchtfeiten. Desnoods kon de tuchtoverheid wachten op het resultaat van een strafrechtelijk onderzoek of van een vonnis van de strafrechter, vooraleer de tuchtprocedure te starten, gelet op het zorgvuldigheidsbeginsel. Nu is het woord tegen woord en ontbreken de noodzakelijke harde bewijzen. De tuchtoverheid toont de tenlasteleggingen, waarop de tuchtvervolging steunt in de feiten, onvoldoende aan. Deze feiten worden niet onderbouwd met bewijskrachtige stukken. Indien de tuchtfeiten onvoldoende bewezen zijn, moet de tuchtstraf worden vernietigd. Dit middel is dan ook gegrond.” IV. Ontvankelijkheid
  22. Blijkens de laatste memorie doet de verwerende partij afstand van de exceptie die zij in de memorie van antwoord opwierp, zodat er geen uitspraak meer over hoeft te worden gedaan. V. Ten gronde Standpunt van de partijen
  23. Verzoekster leidt een enig middel af uit de schending van onder andere de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, het materiëlemotiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij wijst erop dat de formelemotiveringsverplichting van toepassing is, ook nadat de beroepscommissie voor tuchtzaken niet langer een devolutieve hervormingsbevoegdheid heeft, maar een vernietigingsbevoegdheid, en dat eveneens uit het materiëlemotiveringsbeginsel volgt dat de verwerende partij ertoe gehouden is haar beslissing deugdelijk te motiveren “waarbij de argumenten van partijen worden ontmoet”. In een derde middelonderdeel argumenteert verzoekster dat zij het tuchtonderzoek zeer ernstig heeft gevoerd en dat het redelijkerwijze heeft X-16.479-11/16 geleid tot de tuchtsanctie van het ambtshalve ontslag. Die tuchtsanctie mag niet worden vernietigd “dan tenzij na een grondig tuchtonderzoek met bijpassende motivering”. Weliswaar vermeldt de verwerende partij, aldus verzoekster, dat er is overgegaan tot een “grondige studie van het dossier”, maar hierover wordt geen enkele verdere duiding gegeven: “Uit niets blijkt waaruit het ‘grondig onderzoek’ van verwerende partij bestaat dat maakt dat de tuchtfeiten als onvoldoende bewezen zijn. Er wordt als enkele opportuniteitsoverweging gemaakt dat verzoekende partij beter een strafklacht had neergelegd, maar er wordt geen enkel oordeel geveld over de motieven in de beroepen tuchtbeslissing, noch over de argumenten in de verweernota lopende de beroepsprocedure. Aldus heeft verwerende partij precies gedaan hetgeen zij (ten onrechte) aan verzoekende partij verwijt en heeft zij zelf geen zorgvuldig onderzoek gevoerd in het kader van haar beroepsbevoegdheid. Minstens blijkt zulks niet uit de motivering van de bestreden beslissing.”
  24. De verwerende partij repliceert in de memorie van antwoord met betrekking tot het derde middelonderdeel dat de bestreden beslissing duidelijk de redenen voor het nemen ervan vermeldt; er komt “zeer duidelijk [uit] naar voor welke nalatigheden de tuchtoverheid heeft begaan, zodat deze in de toekomst kunnen worden vermeden”. Zij voegt daar aan toe: “De [beroepscommissie] is naar recht en redelijkheid tot dit besluit gekomen. Bij het nemen van dit besluit heeft de tweede verwerende partij de feiten afgewogen en gemotiveerd: dat er op basis van het gebrek aan bewijs en enkel het bestaan van vermoedens geen tuchtstraf kan worden opgelegd.”
  25. De tussenkomende partij argumenteert in haar memorie in dezelfde zin. Het is volgens haar niet correct dat de beroepscommissie geen grondig onderzoek heeft gevoerd. De beroepscommissie heeft wel geoordeeld over de motieven die verzoekster aanvoerde; de beroepscommissie “is aan de hand van het administratief dossier nagegaan of de opgelegde tuchtstraf terecht werd opgelegd”. “Na afweging van alle feitelijkheden in het administratief dossier werd er door de Beroepscommissie voor Tuchtzaken beslist dat er geen verantwoording bestond om over te gaan tot het ontslag van ambtswege. Dit werd in de bestreden beslissing uitdrukkelijk gemotiveerd door de Beroepscommissie X-16.479-12/16 voor Tuchtzaken. Verzoekende partij is dan ook op de hoogte van welke fouten zij gemaakt heeft”.
  26. In de laatste memorie noemt de verwerende partij het “geenszins vereist” dat de beroepscommissie elk element uit de tuchtbeslissing afzonderlijk bespreekt of ontmoet: “Waar de verwerende partij geoordeeld heeft dat na grondige studie van het dossier moet worden vastgesteld dat er geen bewijs voorligt dat de veiligheidsschoenen voor privédoeleinden werden gekocht, en er enkel sprake is van woord tegen woord, moet worden besloten dat de motivering van de verwerende partij pertinent en draagkrachtig is”. Betoogd wordt eveneens: “Akkoord, de tuchtrechtelijk gestrafte persoon heeft de aankoopprocedure niet correct toegepast en men kan zich de grootste vragen stellen waarom er zoveel veiligheidsschoenen worden gekocht. Akkoord dat de uitleg daaromtrent rammelt. Maar niemand heeft de man privé de schoenen zien dragen, de stelling dat wat niet mocht gekocht worden zoals gebeurd is en wat te veel is gekocht, dat dit dan ook privé zal gebruikt zijn, dit is allemaal mogelijk, dit kan, maar dit is zonder meer niet bewezen. Dit is duidelijk gemotiveerd en bij deze motivering, die een formele motivering is overeenkomstig de wet van 29 juli 1991 en geen jurisdictionele overeenkomstig art. 149 van de Grondwet, moet er niet op alle slakken zout worden gelegd. Want eigenlijk komen de argumenten er op neer dat men zich steeds maar afvraagt waarom er dan wel zoveel schoenen moesten zijn. Terechte vraag maar dit is nog iets helemaal anders dan de stelling dat, gezien dit zo vreemd is, er dus per definitie voor privaat gebruik werd besteld en dat daarom dan ook zwaar moest gestraft worden.”
  27. In haar laatste memorie spreekt de tussenkomende partij uitvoerig de verschillende elementen in de motivering van de tuchtstraf van 5 mei 2015 tegen. Beoordeling
  28. De bestreden beslissing vernietigt de gemeenteraadsbeslissing van 5 mei 2015 omdat ze onwettig is en namelijk gebaseerd is op een tenlastelegging die ten onrechte voor bewezen wordt gehouden. X-16.479-13/16
  29. Opdat een tuchtfeit rechtmatig als bewezen kan worden beschouwd, moeten voldoende gegevens voorhanden zijn om naar recht, inbegrepen naar redelijkheid, te mogen aannemen dat het personeelslid het tuchtfeit heeft gepleegd. Ook vermoedens, waarbij gevolgtrekkingen worden afgeleid uit een bekend feit om tot een onbekend feit te besluiten, kunnen het bestaan van een tuchtfeit staven.
  30. Te dezen heeft de verzoekende partij gemeend de bestelling door de tussenkomende partij op 13 augustus 2014, 19 juli 2010 en 30 juli 2012, op kosten van de stad Wervik, van meerdere paren veiligheidsschoenen die in werkelijkheid voor privégebruik bestemd zijn, als bewezen in aanmerking te mogen nemen op grond van een zeer uitvoerige redengeving, hiervóór sub randnummer 3 weergegeven. Daarin wordt onder meer rekening gehouden met het feit dat de bestellingen werden geplaatst op een ogenblik dat de controle geringer was, tijdens de grote vakantie en de vakantie van de financieel beheerder, met het abnormale aantal aangekochte veiligheidsschoenen, met de bestelling van meerdere paren tegelijk terwijl dat niet door de functie van de tussenkomende partij verantwoord wordt en de levensduur van een veiligheidsschoen voor een hogere functie twee tot drie jaar of langer is, met het feit dat het om lage veiligheidsschoenen gaat die het uitzicht van gewone schoenen benaderen, met de eigen verklaringen van de tussenkomende partij die onjuist zijn of ongeloofwaardig.
  31. Dat de beroepscommissie na alle feiten en feitelijkheden in het administratief dossier te hebben afgewogen, meent naar recht en redelijkheid tot het besluit te moeten komen dat er geen tuchtstraf kan worden opgelegd bij gebrek aan bewijs, doet niet ter zake. De wettigheid van het oordeel van de tuchtoverheid over het bewezen zijn van de tuchtfeiten, hangt niet af van wat de beroepscommissie zelf in redelijkheid over het bestaan van de tuchtfeiten meent. X-16.479-14/16 Of de voorhanden zijnde gegevens volstaan om de tenlasteleggingen bewezen te achten, is een aangelegenheid waarover soms verschillende meningen denkbaar zijn die niettemin élk voor wettig te houden zijn ingeval ze binnen de grenzen van het recht, inbegrepen de redelijkheid, bleven. Wat telt is dus niet of de beroepscommissie rechtmatig kan menen dat de tuchtfeiten niet bewezen zijn, maar of verzoekster, door te oordelen dat ze wél bewezen zijn, onredelijk of anderszins onwettig heeft gehandeld.
  32. In de bestreden beslissing is de motivering van de onwettigheid van verzoeksters oordeel over het bewezen-zijn van de aankoop van de veiligheidsschoenen voor privédoeleinden, wezenlijk beperkt tot een ontkenning van dat bewezen-zijn. Geponeerd wordt, zonder meer, dat het “niet bewezen voorkomt” dat de veiligheidsschoenen voor privédoeleinden gekocht zijn, dat de tenlasteleggingen “in de feiten, onvoldoende aan[getoond]” worden, en dat de feiten “niet onderbouwd [worden] met bewijskrachtige stukken”. Dat de beroepscommissie zou hebben verkozen dat door verzoekster een klacht was neergelegd bij politie, parket of onderzoeksrechter, met eventueel huiszoekingen en verhoren tot gevolg, verklaart nog geenszins waarom verzoekster, door dat niet te hebben gedaan maar door zich integendeel te hebben gebaseerd op de elementen die zij in haar uitvoerige motivering deed gelden, een onwettigheid heeft begaan. Precies vanwege die elementen, waaraan in de bestreden beslissing geen enkele concrete aandacht wordt besteed, kan de verwerende partij er niet van overtuigen op een zorgvuldige en terechte wijze tot de conclusie te zijn gekomen dat “het woord tegen woord [is]”. Evenmin wordt zij gevolgd waar zij voor de wettigheid van verzoeksters oordeel niet slechts vereist dat verzoekster de feiten naar recht, inbegrepen redelijkheid, als vaststaand mocht beschouwen, maar dat ze worden gestaafd door zogenaamde “harde bewijzen”, aldus klaarblijkelijk vermoedens uitsluitend. X-16.479-15/16
  33. Resumerend, mag de beroepscommissie dan wel beweren dat zij tot haar opvatting is gekomen “[n]a grondige studie van het dossier”, de bestreden beslissing laat de Raad van State niet toe dat bij te vallen. Het besproken middelonderdeel is gegrond. BESLISSING
  34. De Raad van State vernietigt de beslissing van de beroepscommissie voor tuchtzaken van 5 november 2015 waarbij de beslissing van de gemeenteraad van de stad Wervik van 5 mei 2015 om Stephan Deblaere de tuchtsanctie van het ambtshalve ontslag op te leggen, vernietigd wordt.
  35. De Raad van State verwijst de verwerende partij in de kosten van het geding, begroot op het rolrecht van 200 euro en een aan verzoekster verschuldigde rechtsplegingsvergoeding van 700 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes december 2018, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-16.479-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.163 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.