← België

Arrest 243182 - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) - 07/12/2018

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.182 Rolnummer: A. 217652/X-16416 Zaak: Arrest 243182 - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) - 07/12/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-12-18 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-24 21:43 Fiche Arrest nr 243.182 van 7 december 2018 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 243.182 van 7 december 2018 in de zaak A. 217.652/X-16.

  1. In zake : de HULPVERLENINGSZONE OOST VLAAMS-BRABANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bert Beelen kantoor houdend te 3000 Leuven Justus Lipsiusstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten David D’Hooghe en Leopold Schellekens kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 20 november 2015, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de minister van Binnenlandse Zaken van 23 september 2015 ‘tot vernietiging van beraadslaging punt 4 van de zoneraad van 18 maart 2015 van de hulpverleningszone Vlaams-Brabant Oost’. II. Verloop van de rechtspleging
  3. Bij arrest nr. 239.048 van 12 september 2017 heropent de Raad van State het debat en wordt aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag gesteld. Bij arrest nr. 142/2018 van 18 oktober 2018 heeft het Grondwettelijk Hof over deze prejudiciële vraag uitspraak gedaan. X-16.416-1/6 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 november
  4. Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Thomas Beelen, die loco advocaat Bert Beelen verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Alexandre Peytchev, die loco advocaten David D’Hooghe en Leopold Schellekens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Stand van de zaak
  6. Op 18 maart 2015 heeft de zoneraad van de hulpverleningszone Oost Vlaams-Brabant beslist over een “aanvulling” met betrekking tot de “invulling” van de bepalingen van het koninklijk besluit van 19 april 2014 ‘houdende bezoldigingsregeling van het operationeel personeel van de hulpverleningszones’. Meer bepaald werd beslist dat voor de personeelsleden die op grond van artikel 207 van de wet van 15 mei 2007 ‘betreffende de civiele veiligheid’ hebben gekozen voor het behoud van het oude geldelijk statuut, bij de berekening van de vergoeding voor onregelmatige prestaties rekening dient te worden gehouden met de reële gemiddelde wekelijkse arbeidstijd (artikel 2). Voor de personeelsleden van de post Leuven “betekent dit” een aanpassing van de herleidingsbreuk waarin het oude statuut voorziet voor de berekening van de vergoeding voor onregelmatige prestaties (artikel 3); voor de personeelsleden van de post Tienen “betekent dit” een aanpassing van het vast bedrag van de vergoeding waarin het oude statuut voorziet (artikel 4). X-16.416-2/6 Met het bestreden besluit van 23 september 2015 heeft de minister van Binnenlandse Zaken de beslissing van de zoneraad vernietigd omdat de keuze voor het oude geldelijk statuut impliceert dat wordt gekozen voor het volledige statuut zoals van toepassing vóór de overgang naar de hulpverleningszone, zodat er geen aanpassingen kunnen gebeuren op grond van het aantal gewerkte uren. Het zou bovendien niet zijn aangetoond dat de oude geldelijke statuten van de betrokken posten in een dergelijke aanpassing voorzien.
  7. Uit de beoordeling van het enige middel van de verzoekende partij, in het tussenarrest nr. 239.048 van 12 september 2017, volgt: - dat artikel 207, § 1, van de wet van 15 mei 2007 ‘betreffende de civiele veiligheid’ uitsluit dat rekening wordt gehouden met de gewijzigde reële arbeidstijden bij het bepalen van de bezoldiging van de personeelsleden die ervoor gekozen hebben onderworpen te blijven aan de wetten en reglementen die op hen van toepassing waren vóór de overgang naar de hulpverleningszone; - dat het oude statuut van de personeelsleden komende van de brandweerpost Leuven geen aanpassing vereist opdat bij de berekening van de vergoeding voor onregelmatige prestaties rekening kan worden gehouden met de gewijzigde arbeidstijd, zulks in tegenstelling tot het oude statuut van de personeelsleden komende van de brandweerpost Tienen dat niet reeds in die mogelijkheid voorziet; - dat bijgevolg wat de personeelsleden komende van de post Tienen aangaat de minister in het bestreden besluit terecht aanneemt dat de zoneraadsbeslissing van 18 maart 2015 een aanpassing inhoudt van het oude statuut; - dat in de gegeven omstandigheden de vraag rijst naar de schending – door artikel 207 van de wet van 15 mei 2007 ‘betreffende de civiele veiligheid – van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie door het verschil in behandeling tussen personeelsleden naargelang het oude statuut dat op hen van toepassing is het al dan niet mogelijk maakt om, bij het bepalen van de vergoeding voor onregelmatige prestaties, rekening te houden met de gewijzigde wekelijkse arbeidstijd – op welke vraag het Grondwettelijk Hof om een prejudicieel antwoordt wordt verzocht. X-16.416-3/6
  8. Volgens het Grondwettelijk Hof, in zijn arrest nr. 142/2018 van 18 oktober 2018, is er een voldoende verantwoording voor het verschil in behandeling en dient de vraag naar een eventuele schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ontkennend te worden beantwoord. IV. Conclusie Standpunt van de partijen
  9. De verzoekende partij verklaart belang te hebben bij de vernietiging van het bestreden besluit in zoverre het de post Leuven betreft, om duidelijk te maken dat het niet verboden is bij de berekening van de vergoeding voor onregelmatige prestaties voor de personeelsleden komende van de post Leuven rekening te houden met de reële gemiddelde wekelijkse arbeidstijd.
  10. Naar het oordeel van de verwerende partij is de beslissing van de zoneraad van 18 maart 2015 ondeelbaar en is een gedeeltelijke vernietiging ervan niet mogelijk. In zoverre artikel 3 van de vernietigde zoneraadsbeslissing inderdaad geen wijziging inhoudt van het geldelijk statuut dat geldt voor de personeelsleden die overkwamen van de post Leuven – en dus “geen (nieuwe) rechten” creëert – heeft bovendien de verzoekende partij geen belang bij het behoud ervan of bij een gedeeltelijke vernietiging van het bestreden besluit. Beoordeling
  11. Het mag juist heten dat de verzoekende partij niet de beslissing van de zoneraad van 18 maart 2015 behoeft om voor de personeelsleden van de hulpverleningszone die van de post Leuven komen en voor het behoud van het oude geldelijk statuut hebben gekozen, rekening te mogen houden, bij de berekening van hun vergoeding voor onregelmatige prestaties, met de reële gemiddelde wekelijkse arbeidstijd. Immers voorziet al hun oude statuut in een berekeningsformule waarbij het bedrag van de vergoeding wijzigt naar gelang van de wekelijkse dienstprestaties. X-16.416-4/6 Dat spreekt het belang van de verzoekende partij bij een nietigverklaring van het bestreden ministerieel besluit in zoverre het de aanpassing voor de personeelsleden van de post Leuven betreft evenwel niet tegen, vooral niet nu in dat ministerieel besluit mee als vernietigingsmotief wordt aangevoerd dat niet zou zijn aangetoond dat het oude statuut van Leuven reeds in een dergelijke aanpassing voorziet.
  12. Voorts is het argument van de verwerende partij dat de zoneraadsbeslissing van 18 maart 2015 onsplitsbaar zou zijn, niet meer dan een loutere bewering, die kennelijk niet wordt gedeeld door de auteur zelf van de beslissing. Ook de Raad van State deelt ze niet. Het komt niet onmogelijk voor om het aangevochten ministerieel besluit ongedaan te maken in zoverre het de beslissing van de zoneraad ook vernietigt in de mate waarin die beslissing de personeelsleden betreft die kiezen voor het behoud van het oude geldelijk statuut in de post Leuven. 10 Het enige middel verantwoordt de gedeeltelijke vernietiging van het bestreden besluit. BESLISSING
  13. De Raad van State vernietigt het besluit van de minister van Binnenlandse Zaken van 23 september 2015 ‘tot vernietiging van beraadslaging punt 4 van de zoneraad van 18 maart 2015 van de hulpverleningszone Vlaams-Brabant Oost’ voor zover dit ministerieel besluit de beraadslaging van de zoneraad ook vernietigt in de mate waarin ze betrekking heeft op de personeelsleden die kiezen voor het behoud van het oude geldelijk statuut in de post Leuven. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige.
  14. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op het rolrecht van 200 euro en een aan de verzoekende partij verschuldigde rechtsplegingsvergoeding van 700 euro. X-16.416-5/6 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeven december 2018, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-16.416-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.182 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.048 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.