← België

Arrest 243209 - Examens (onderwijs) - 11/12/2018

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.209 Rolnummer: A. 226822/IX-9461 Zaak: Arrest 243209 - Examens (onderwijs) - 11/12/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-12-13 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-24 23:29 Fiche Arrest nr 243.209 van 11 december 2018 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 243.209 van 11 december 2018 in de zaak A. 226.822/IX-9461 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Roel Lenaerts kantoor houdend te 2460 Lichtaart Poederleesteenweg 25 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW INSTITUUT VAN HET HEILIG GRAF bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jim Deridder kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 210A bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 1 december 2018, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Instituut van het Heilig Graf van 22 november 2018 waarbij het door de delibererende klassenraad aan XXXX toegekende oriënteringsarrest C blijft gehandhaafd. Daarnaast vordert de verzoekende partij bij wege van voorlopige maatregelen dat de Raad van State zou “zeggen voor recht dat verwerende partij binnen vijf werkdagen na ontvangst van het tussengekomen arrest een nieuwe beslissing dient te nemen waarbij aan [de verzoekende partij] een oriënteringsattest A wordt uitgereikt en dit onder verbeurte van een dwangsom van 1.000 [euro] per dag”. IX-9461-1/20 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 december 2018, om 11.30 uur. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Rikkert Schoofs, die loco advocaat Roel Lenaerts verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jim Deridder, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoekster is tijdens het schooljaar 2017-2018 ingeschreven als leerling in het eerste leerjaar van de derde graad ‘verzorging’ (BSO) in de school Heilig Graf te Turnhout. 3.2. Naar aanleiding van een incident tijdens de stage, beslist de leerlingendirecteur om verzoekster vanaf 31 mei 2018, in afwachting van het tuchtonderzoek, preventief te schorsen. IX-9461-2/20 3.3. Nadat verzoekster in het kader van de tuchtprocedure is gehoord op 13 en 21 juni 2018, beslist de leerlingendirecteur op 26 juni 2018 om haar bij wijze van tuchtmaatregel definitief uit te sluiten vanaf 31 augustus 2018. 3.4. Op het einde van het schooljaar behaalt verzoekster een jaarto- taal van 51% met jaartekorten voor ‘indirecte zorg’ (49%), ‘(ped)agogische vaar- digheden’ (49%) en de stages (39%). De delibererende klassenraad kent aan ver- zoekster een oriënteringsattest C toe, daarbij verwijzend naar “een aantal tekorten voor richtingsspecifieke vakken en een diep tekort voor stage en een zeer laag totaalpercentage”, waardoor hij “slagen in het volgende jaar van dezelfde of een andere studierichting onmogelijk” acht. 3.5. Op 3 juli 2018 dient verzoekster beroep in tegen de haar opge- legde tuchtmaatregel. 3.6. Op 4 juli 2018 vindt een overleg plaats met de directeur die daarop beslist dat er geen redenen zijn om de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen. 3.7. Op 11 juli 2018 stelt verzoekster bezwaar in bij de beroeps- commissie tegen het C-attest. 3.8. Op 20 augustus 2018 worden beide bezwaren door de beroeps- commissie behandeld. Diezelfde dag beslist de beroepscommissie “om de oorspronke- lijke attestering, een C-attest te behouden”. Nog diezelfde dag adviseert de beroepscommissie om de tuchtmaatregel van de definitieve uitsluiting te behouden. IX-9461-3/20 3.9. Op 27 augustus 2018 beslist de raad van bestuur om de defini- tieve uitsluiting te handhaven. 3.10. Bij arrest nr. 242.489 van 1 oktober 2018 wordt de vordering van verzoekster gericht tegen de voormelde beslissing van de beroepscommissie verworpen wegens gebrek aan diligent optreden en verklaart de Raad van State zich zonder rechtsmacht wat betreft de tuchtbeslissing houdende de definitieve uitsluiting. 3.11. Met een aangetekende brief van 7 november 2018 wordt ver- zoekster uitgenodigd voor een nieuwe hoorzitting van de beroepscommissie op 22 november 2018. Bij die uitnodiging zijn drie bijkomende stukken gevoegd, namelijk een ondertekende (geanonimiseerde) getuigenverklaring, het puntenblad van de evaluatie van de stage en de evaluatie van de mini-GIP-activiteit ‘jonge kind’. Die drie bijkomende stukken worden ook bij het evaluatiedossier van ver- zoekster gevoegd. 3.12. Op 22 november 2018 beslist de beroepscommissie het door de delibererende klassenraad aan verzoekster toegekende oriënteringsarrest C te be- houden. De commissie motiveert haar beslissing als volgt: “Verloop van de procedure De beroepscommissie heeft in dit dossier initieel over het interne beroep geoordeeld op 20 augustus 2018, en daarbij het C-attest bevestigd. De beroepscommissie heeft kennisgenomen van de middelen die namens de leerling tegen die beslissing werden aangevoerd in de schorsingspro- cedure voor de Raad van State. De beroepscommissie heeft twee stukken laten toevoegen aan het dossier (met name: een ondertekende – geanonimiseerde – getuigenverklaring en de evaluatie van de mini-GIP-activiteit jong kind) en heeft de leerling via haar raadsman, met kennisgeving van die bijkomende stukken, uitgenodigd voor een nieuwe hoorzitting op 22 november 2018. Meester R. Lenaerts is verschenen als raadsman van de leerling en lichtte ter zitting van de beroepscommissie het beroep nader toe. Er worden aan de zijde van de leerling geen bijkomende nota of stukken neergelegd. Ofschoon zij, zoals hieronder zal blijken, de strekking van haar beslissing van 20 augustus 2018 handhaaft, zal de beroepscommissie het intern be- IX-9461-4/20 roep van de leerling hierbij opnieuw beoordelen en wordt bijgevolg de beslissing van 20 augustus 2018 ingetrokken. Overwegingen van de ouders/raadsman op basis van het aangevulde dos- sier − Er wordt een beetje tegemoetgekomen aan een deel van de opmerkingen. − Mini-GIP: het is duidelijk hoe de puntenverdeling (in verhouding met de criteria) is. Geen opmerkingen meer. − Maar wat twee andere elementen van de initiële klacht betreft zijn er nog deze opmerkingen: o Document getuigen[ver]klaring is post-factum aangeleverd nadat het dossier al aanhangig gemaakt was bij de Raad van State. o Document stage: het is bijna niet te onderscheiden hoe de puntenverde- ling gebeurt. Overwegingen van de beroepscommissie 1. Relevante feiten XXXX is sedert verschillende jaren ingeschreven als leerling in het Insti- tuut van het Heilig Graf te Turnhout. In het schooljaar 2017-2018 […] volgt zij het eerste jaar van de derde graad in de studierichting ‘verzorging’ (beroepssecundair onderwijs). Het curriculum van de leerling omvatte in het schooljaar 2017-2018 negen vakken. Er zijn geen eindwerken en alle vakken worden bijgevolg beoor- deeld als dagelijks werk, gespreid over vier periodes. Omtrent de mini-GIP (geïntegreerde proef) is er doorheen het schooljaar met de leerling heel wat communicatie, onder meer met betrekking tot plagiaat door het zonder meer overnemen van hele stukken tekst van het internet. Binnen het vak ‘stages’ worden vier stages georganiseerd. De leerling behaalt voor de eerste stage een onvoldoende met de volgende commen- taar: ‘XXXX, je hebt 3 weken stage gedaan waar je eigenlijk niets hebt gedaan. Het is voor ons heel moeilijk om te zeggen wat je kan en niet kan. Je hebt geen communicatie gehad met de kindjes en het personeel. Je was aanwe- zig maar hebt niet veel gedaan. De dingen die je wel hebt gedaan, deed je goed. Administratie is niet jouw sterkste kant.’ Ook voor de tweede stage slaagt de leerling niet: ‘XXXX, je was de eerste week goed begonnen waardoor het team poten- tieel in (jou) zag. Vanaf week 2 was deze totaal verdwenen. Je toonde weinig interesse en je stelde geen vragen. Er was ook weinig contactname met de bewoners, maar ook niet met het team. Je stelde weinig tot geen vragen en toonde weinig interesse. Communicatie blijft voor (jou) een groot probleem. Je hebt jouw stage gedaan in een ‘veilige zone’. Hierdoor werden huishoudelijke taken goed uitgevoerd.’ Voor de derde stageperiode is de leerling geslaagd. Tijdens de vierde stage, die plaatsvindt in wzc [A.], doet zich een ernstig incident voor. Op woensdag 30 mei heeft [de] leerlingendirecteur, een te- lefonisch contact met een klasgenoot van de leerling. Deze klasgenoot had op dinsdag 29 mei aan een stageleerkracht laten weten dat zij en enkele andere klasgenoten sterk waren aangedaan van drie korte filmpjes die […] IX-9461-5/20 XXXX van een mannelijke zorgvrager had gemaakt tijdens de stage, en via Snapchat had gepost. Telefonisch verklaarde deze klasgenoot dat in de drie filmpjes het volgende te zien was: ‘Een naakte mannelijke zorgvrager op het toilet, zijn gezicht was herkenbaar en hij was van hoofd tot voeten naakt.’ De filmpjes werden volgens de medeleerling zeker gemaakt in een woonzorgcentrum, dit was te zien aan de steun naast het toilet en aan de inrichting van de badkamer. De medeleerling stelde tevens dat verschil- lende klasgenoten op deze filmpjes hadden gereageerd en dat het posten van de filmpjes grof was en echt niet kon. De filmpjes zelf konden door de medeleerling niet meer worden getoond omdat zij via Snapchat verdwijnen na het openen ervan, maar dit neemt niet weg dat er wel screenshots van de reacties van de klasgenoten en XXXX voorliggen. De handelswijze van de leerling wordt, in het bijzonder in de zorgcontext, beschouwd als een ern- stige fout, ten gevolge waarvan de stage voortijdig wordt stopgezet. In die omstandigheden kan de leerling er redelijkerwijze geen aanspraak op ma- ken voor de vierde stage te zijn geslaagd. Op het jaarrapport blijkt dat de leerling doorheen het jaar heel wat tekorten laat optekenen, ook voor richtingspecifieke vakken. 2. Beoordeling van de argumenten namens de leerling De beroepscommissie noteert vooreerst dat, ten aanzien van het initieel namens de leerling ingediende intern beroep, de puntenverdeling voor de Mini-GIP thans duidelijk is en dat daaromtrent geen middel meer wordt aangevoerd. Verder stelt de beroepscommissie vast dat de resultaten doorheen het jaar als dusdanig niet worden betwist. Wat de feiten in het wzc betreft, bevat het dossier de volgende onderte- kende verklaring van […], toentertijd adjunct-directeur: ‘Ik, […], verklaar dat ik onderstaande informatie correct weergeef zoals ik deze heb gekregen op woensdag 30 mei 2018. De klasgenoot waarnaar verwezen wordt, wil absoluut anoniem blijven in dit dossier. Het gaat over (geanonimiseerd). Op woensdag 30 mei, had ik telefonisch contact met een klasgenoot van XXXX. Deze klasgenoot had op dinsdagavond 29 mei aan een stageleer- kracht laten weten dat zij en enkele klasgenoten sterk aangedaan waren van 3 zeer korte filmpjes die XXXX van een mannelijke zorgvrager tijdens haar stage had gepost in de klaschat via Snapchat. Telefonisch verklaarde deze leerling dat zij in de drie filmpjes het volgende zag: Een naakte mannelijke zorgvrager op het toilet, zijn gezicht was herken- baar en hij was van hoofd tot voeten zichtbaar. De filmpjes werden volgens de leerling zeker gemaakt in een woonzorgcentrum, ze zag dit aan de steun die naast het toilet te zien was en de inrichting van de badkamer. Zij vertelde ook dat verschillende klasgenoten op de filmpjes hadden ge- reageerd dat het maken en posten van de filmpjes grof was en echt niet kon. Ze vertelde dat ze het filmpje niet meer had omdat ze het had geopend () maar dat ze wel screenshots van de reacties van klasgenoten en XXXX had. Deze screenshots werden opgenomen in het dossier.’ IX-9461-6/20 Bij de eerste behandeling van het intern beroep was niet voorzien in een geanonimiseerde versie van de verklaring. Dit is thans wel het geval, zodat de geanonimiseerde versie aan de leerling ter beschikking is en de mede- deling van de niet-anonieme versie in voorkomend geval beperkt kan blijven tot de Raad van State. De beroepscommissie is van oordeel dat er geen redenen zijn om aan de geloofwaardigheid van deze verklaring te twijfelen. Binnen de beoordeling van het huidige beroep – dat enkel betrekking heeft op de studiebekrach- tiging en niet op de tuchtsanctie – is de beroepscommissie in dat licht bo- vendien van oordeel dat er niet aan kan voorbij worden gegaan dat de leerling in haar intern beroep de feiten niet ontkent; zij voert enkel aan dat er geen bewijs voorligt. Alleszins is aan het initiële bezwaar om[t]rent het ontbreken van een schriftelijke verklaring tegemoetgekomen. De beroepscommissie overweegt dan ook dat de leerling met recht niet als geslaagd werd beschouwd voor de vierde stageperiode. In de stagegids die de leerling bij de start van de stage heeft ondertekend, is opgenomen dat de leerling op alle zes gemelde competenties moet slagen om een voldoende te hebben voor een stage (bijlage 1 blz.7-8 en pg. 14: handtekening van ou- ders en XXXX). In de mate dat namens de leerling een bedenking wordt geuit omtrent het laat aanleveren van een totaaloverzicht van de stagepunten, merkt de be- roepscommissie het volgende op. Ten eerste wordt de materiële juistheid van het puntenoverzicht niet betwist. Ten tweede waren de punten voor stageperiode 2 en stageperiode 3 reeds bij het eerste tuchtverhoor van 13 juni 2018 aanwezig (respectievelijk bijlage 5, blz.4 en bijlage 6, blz. 3). De leerling scoorde in stageperiodes 1, 2 en 4 onvoldoende op verschil- lende competenties waaronder competentie 1 ‘binnen een wel omschreven opdracht kwaliteitsbewust handelen’, onderdeel ‘respectvol om gaan met anderen’. Ook bijlage 4 was van bij aanvang in het dossier aanwezig, en dit schriftelijke verslag maakt duidelijk dat deze stage over de volledige lijn een onvoldoende is. Op 5 juli 2018 werd het dossier aangevuld met bijlage 15 dat via kruisjes deze beoordeling gedetailleerd weergeeft. De woordelijke beoordeling wordt bij elke stage-evaluatie toegelicht met concrete voorbeelden (zie eindevaluatie van elke stageperiode). Dit heeft, in het geheel van het deliberatiedossier, tot gevolg dat de leerling voor drie van de vier stages niet geslaagd is, en derhalve ook voor het ge- heel van de stage niet als geslaagd kan worden beschouwd. Evident betreft het een zeer belangrijk vak binnen de gevolgde studierichting. Daarnaast vertoont het rapport nog verschillende tekorten, die tegen het einde van het schooljaar niet waren geremedieerd voor de belangrijke vakken ‘pedagogisch handelen’ en ‘indirecte zorg’. Het gegeven dat be- paalde tekorten doorheen het jaar mogelijk minder groot zijn geworden, laat niet toe te besluiten dat de leerling voor die vakken als geslaagd zou kunnen worden beschouwd. Het totaalpercentage van 51% laat in het licht daarvan ook niet toe te besluiten dat de leerling alsnog in voldoende mate de doelstellingen van de opleiding voor dat jaar heeft behaald. Verder is de beroepscommissie van oordeel dat de leerling het evaluatie- blad van de mini-GIP-activiteit wel degelijk heeft teruggekregen en dat zij IX-9461-7/20 vooraf ook de kans kreeg om de zaken nog bij te sturen. Een detail van de berekening werd ook aan de leerling overgemaakt voorafgaand aan de hoorzitting van 22 november 2018. De beroepscommissie kan enkel vast- stellen dat deze quotering als dusdanig niet meer wordt betwist. De beroepscommissie beslist om de oorspronkelijke attestering, een C-attest te behouden. Deze beslissing werd bij unanimiteit genomen.” Dat is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min- stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood- zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Ernst van de middelen A. Voorafgaande opmerking 5. Verzoekster heeft haar middelen opgedeeld in enerzijds een eerste middel en een tweede middel die beide telkens betrekking hebben op de gevolgde procedure voor de beroepscommissie en anderzijds een eerste middel en een tweede middel die beide betrekking hebben op de inhoud van de bestreden beslissing. In de hierna volgende bespreking van de ernst van de middelen, worden deze twee laatste middelen vernummerd tot een derde en een vierde middel. IX-9461-8/20 B. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 6. In een eerste middel voert verzoekster de schending aan van artikel 123/17 van de Codex Secundair Onderwijs, het zorgvuldigheidsbeginsel en artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag over de Rechten van de Mens (hierna: het EVRM). Zij betoogt in dat verband dat de ‘externe’ leden van de be- roepscommissie een waarborg moeten zijn voor de onafhankelijkheid en onpar- tijdigheid van dit orgaan. De aanstelling van een gewezen tuchtprefect “die meer dan 40 jaar werkzaam was in [dezelfde] school” als ‘extern lid’ van de beroeps- commissie, is daarmee volstrekt in strijd. Beoordeling 7. De bestreden beslissing gaat uit van de beroepscommissie be- doeld in artikel 123/17 van de Codex Secundair Onderwijs. 8.1. Artikel 6 EVRM, waarvan verzoekster onder meer de schending aanvoert, is te dezen op het eerste gezicht niet van toepassing. De bestreden beslissing gaat uit van een orgaan van het actief bestuur. De leden van de beroepscommissie zijn prima facie niet gebonden door de regels van onafhankelijkheid en onpartijdigheid die gelden voor de organen die jurisdictionele beslissingen nemen en die ook in artikel 6 EVRM zijn opgenomen. In ieder geval biedt de Codex verzoekster de mogelijkheid om bij de Raad van State een beroep in te stellen. Verzoekster betwist op het eerste ge- zicht niet dat zij aldus de garantie heeft op een volwaardige jurisdictionele toetsing IX-9461-9/20 van de bestreden beslissing overeenkomstig de voorwaarden bepaald in artikel 6 EVRM. 8.2. In die mate is het middel niet ernstig. 9.1. Wat de samenstelling van de beroepscommissie betreft, kan de redenering van verzoekster prima facie niet worden bijgevallen. Artikel 123/17, § 2, eerste lid, 2° en 3°, van de Codex Secundair Onderwijs, bepaalt in verband met de samenstelling ervan als volgt: “enerzijds ‘interne leden’, zijnde leden van de klassenraad, waaronder al- leszins de voorzitter van de klassenraad, die de betwiste evaluatiebeslissing heeft genomen, en eventueel een lid van het school- of centrumbestuur; anderzijds ‘externe leden’, zijnde personen die extern zijn aan het school- of centrumbestuur en aan de school of het centrum voor deeltijds be- roepssecundair onderwijs waar de betwiste evaluatiebeslissing is genomen. In voorkomend geval en voor de toepassing van deze bepalingen:

  1. a)wordt onder een lid van het school- of centrumbestuur een lid verstaan van het orgaan dat de verantwoordelijkheid voor het georganiseerde on- derwijs draagt;
  2. b)wordt een persoon die vanuit zijn hoedanigheden zowel een intern lid als een extern lid is, geacht een intern lid te zijn;
  3. c)wordt een lid van de ouderraad, de leerlingenraad of, met uitzondering van het personeel, de schoolraad van de school of het centrum waar de betwiste evaluatiebeslissing is genomen, geacht een extern lid te zijn, tenzij de bepaling vermeld in punt
  4. b)van toepassing is; 3° de voorzitter wordt door het school- of centrumbestuur onder de externe personen aangeduid.” Van het betrokken lid beweert verzoekster alvast niet dat het een lid van de delibererende klassenraad is die de toen bestreden beslissing heeft ge- nomen. Wel neemt zij er aanstoot aan dat het voorzitterschap van de beroepscommissie, dat volgens de regelgeving toekomt aan een ‘extern’ lid, in haar geval werd waargenomen door een gewezen tuchtprefect “die meer dan 40 jaar werkzaam was in [dezelfde] school”. IX-9461-10/20 Zoals de Raad van State reeds heeft verduidelijkt in de arresten nrs. 228.906 van 23 oktober 2014 en 232.403 van 1 oktober 2015, lijkt het gegeven dat een lid van de beroepscommissie voorheen verbonden is geweest aan de be- trokken onderwijsinstelling er niet aan in de weg te staan dat dit lid thans een ‘extern’ lid mag zijn in de zin van de aangehaalde codexbepaling. Verzoekster geeft zelf aan dat het om een “gewezen” perso- neelslid gaat. Er wordt door verzoekster bijgevolg op het eerste gezicht niet be- weerd dat het nog in zulk een verband zou staan tot de verwerende partij, waardoor het eventueel zou moeten worden beschouwd te behoren tot een derde categorie, namelijk de personen die niet extern zijn aan het schoolbestuur maar die evenmin een ‘intern’ lid kunnen zijn in de zin van de Codex. 9.2. In die mate is het middel niet ernstig. 10.1. In zoverre verzoekster eveneens de schending aanvoert van het zorgvuldigheidsbeginsel, lijkt het op het eerste gezicht niet dat verzoekster nog een andere invulling geeft dan wat hiervoor al aan de orde was. 10.2. In die mate is het middel niet ernstig. 11.1. In zoverre verzoekster met verwijzing naar zinsneden uit een memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet ‘houdende diverse maatre- gelen betreffende de rechtspositie van leerlingen in het basis- en secundair on- derwijs en betreffende de participatie op school’ (Parl.St. Vl.Parl. 2013-2014, nr. 2421/1) erop wijst dat de leden de nodige garantie dienen te bieden wat onafhan- kelijkheid en onpartijdigheid van de beroepscommissie betreft, toont verzoekster prima facie niet op overtuigende wijze de schending aan van de decreetsbepalin- gen waarop die passage in de memorie van toelichting betrekking heeft. 11.2. In die mate is het middel niet ernstig. IX-9461-11/20 12. Het middel is niet ernstig. C. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 13. In het tweede middel voert verzoekster de schending aan van 123/15, § 4, van de Codex Secundair Onderwijs en het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur, doordat de verwerende partij na 15 september, namelijk op 22 november nog een nieuwe evaluatiebeslissing heeft genomen, terwijl luidens voornoemd artikel 123/15, § 4, een evaluatiebeslissing uiterlijk 15 september dient te worden genomen en ter kennis te worden gebracht. Beoordeling 14. Met haar vordering streeft verzoekster ernaar om een nieuwe kans te verwerven op een voor haar gunstiger beoordeling van haar schoolresul- taten. Meer nog, zij dringt er bij de Raad van State ook op aan dat aan de verwe- rende partij de verplichting zou worden opgelegd om een A-attest uit te reiken, op straffe van een dwangsom. In die omstandigheden valt op het eerste gezicht niet in te zien welk belang verzoekster bij een middel kan doen gelden, dat er wezenlijk in bestaat te bekritiseren dat de beroepscommissie na 15 september nog een beslissing kan nemen. Zo een middel lijkt verzoekster niet nader tot haar doel te brengen. Opdat de beroepscommissie gunstiger zou kunnen oordelen, moet zij immers in de eerste plaats nog bij machte zijn om te oordelen. 15. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoekster geen belang heeft bij het middel, zodat het de gevraagde schorsing niet kan verantwoorden. IX-9461-12/20 D. Derde middel Uiteenzetting van het middel 16. In het derde middel voert verzoekster de schending aan van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurs- handelingen’, de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en artikel 6 EVRM. Volgens verzoekster worden voormelde bepalingen en beginse- len in essentie geschonden “[d]oordat het schoolbestuur en de beroepscommissie zich steunen op feiten waarvan geen enkel (begin van) bewijs voorligt”. Zij vat haar derde middel als volgt samen: “XXXX wordt door de school beticht van het verspreiden van een vi- deo-opname van een naakte oudere zorgvrager op toilet terwijl: - er geen video-opname voorhanden is en de school aangeeft het filmpje niet te hebben gezien - de school blijkbaar voortgaat op een verklaring van een ano- nieme derde en waarbij er geen getuigenverklaring wordt voorgelegd - op zeer intimiderende wijze en met het actief weren van derden een ‘verhoor’ wordt afgenomen waar XXXX ‘bekentenissen’ zou hebben afgelegd - dit ‘verhoor’ niet werd genotuleerd en er geen verslag van werd opgemaakt - gebruik wordt gemaakt van tekst- en audioberichten waarvan niet valt te achterhalen wie ze wanneer heeft verzonden of ingesproken en in welke context deze berichten werden opgesteld Het is niet ernstig om een leerling definitief uit te sluiten terwijl op geen enkele wijze wordt aangetoond dat de vermeende feiten zich voordeden. Beide beroepscommissies hebben echter zonder zich enige vraag te stellen aangenomen dat de voormelde feiten hebben plaatsgevonden zoals de school het voorstelt. De feiten zouden moeten verantwoorden dat XXXX definitief uitgesloten wordt en dezelfde feiten worden aangewend om het tekort op het hoofdvak stages te verantwoorden. Dit alles zonder enig objectief bewijs…” IX-9461-13/20 Beoordeling 17. Zoals reeds uiteengezet bij de bespreking van het eerste middel, kan artikel 6 EVRM op het eerste gezicht geen toepassing vinden op de admini- stratieve procedure voor de beroepscommissie. 18. In zoverre verzoekster aanvoert dat de beroepscommissie zich heeft gesteund op feiten waarvan geen enkel (begin van) bewijs voorligt, omdat “op geen enkele wijze wordt aangetoond dat de vermeende feiten zich voordeden”, dat er geen “objectief bewijs” voorligt en dat “loutere beweringen” worden ge- bruikt om “haar schoolresultaten drastisch te doen dalen”, lijkt zij te pleiten tegen de stukken van het dossier. Immers, in het tuchtdossier dat verzoekster zelf bijbrengt in haar stukkenbundel – verzoekster is voor hetzelfde incident ook tuchtrechtelijk ge- sanctioneerd – is een weergave opgenomen van een gesprek dat personeelsleden van de school met verzoekster hebben gehad op 30 mei 2018. Daarin staat te lezen wat volgt: “Op woensdag 30 mei bevestigde XXXX in de gebouwen van het Heilig Graf […] dat zij op 28 en 29 mei op haar stageplaats een GSM van haar broer bij had. Zij bevestigde dat zij met dit toestel tijdens een wasmoment van een mannelijke oudere zorgvrager een filmpje heeft gemaakt. Zij ver- telt dat de man op dat moment haar GSM heeft kunnen zien maar hierop geen reactie gaf. Zij bevestigt dat de man op dat moment op het toilet zat en volledig naakt was. XXXX vertelt dat ze dat filmpje heeft gedeeld via Snapchat met haar klasgenoten.” Verzoekster spreekt in haar verzoekschrift die bekentenis op het eerste gezicht niet tegen. Dat zou zij op het eerste gezicht ook alleen kunnen doen door die passage uit het tuchtdossier van valsheid te betichten, wat vooralsnog niet gebeurd lijkt te zijn. De enkele bewering, zonder nadere toelichting, dat er sprake was van “(minstens stilzwijgende) intimidatie voorafgaand en tijdens het verhoor” kan daaraan niet verhelpen. Dat verzoekster geen beroep mocht doen op een ver- trouwenspersoon tijdens het verhoor evenmin. Dat alles lijkt verzoekster niet te IX-9461-14/20 kunnen hebben verhinderd desgevallend het betrokken stuk van valsheid te be- tichten en daartoe de geëigende procedure te volgen. 19. Uit wat voorafgaat volgt dat het middel niet ernstig is. E. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 20. In het vierde middel voert verzoekster de schending aan van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurs- handelingen’, de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en artikel 6 EVRM. Volgens verzoekster is de schending van de bepalingen en beginselen daarin gelegen dat “het schoolbestuur en de beroepscommissie aanvaarden dat de delibererende klassenraad een beslissing neemt op basis van quoteringen (punten) waarvan echter niet kan worden aangetoond hoe deze werd(
  5. en)verleend[,] [t]erwijl verwerende partij toch enige transparantie moet geven bij het quoteren van verschillende vakken als dit vervolgens wordt gebruikt om een oriënteringsattest C af te leveren”. Zij vat verder haar middel samen als volgt: “Verzoekers stellen vast dat de stijgende lijn in de prestaties van XXXX gedurende het schooljaar abrupt wordt onderbroken bij de eindbeoordeling. Het oorzakelijk verband met vermeende feiten tijdens de stage einde mei is evident, gezien in alle andere vakken betere prestaties worden genoteerd. Uit het vierde stageverslag blijkt overigens, buiten het vermeend schenden van het beroepsgeheim, dat XXXX duidelijk beter presteerde dan de stages in het begin van het schooljaar. Verzoekers verzetten zich tegen het aanwenden van loutere beweringen als argument [om] haar schoolresultaten drastisch te doen dalen. Daarnaast hebben verzoekers vastgesteld dat de quotering van de vakken ‘Pedagogische vaardigheden’ en ‘Stages’ volstrekt arbitrair is, nu op geen enkele wijze wordt aangetoond of verantwoord hoe men tot het eindresul- taat komt. Er is geen enkele transparantie wat dit betreft wat maakt dat er IX-9461-15/20 geen rekening mee kan worden gehouden bij een beslissing inzake het verlenen van een oriënteringsattest.” Beoordeling 21. Zoals reeds uiteengezet bij de bespreking van het eerste middel, kan artikel 6 EVRM op het eerste gezicht geen toepassing vinden op de adminis- tratieve procedure voor de beroepscommissie. 22. Aan verzoekster is een C-attest toegekend. De beroepscommis- sie steunt voor dat oordeel, wezenlijk en determinerend op de onvoldoende voor het opleidingsonderdeel ‘stages’ (39%), dat, zoals de bestreden beslissing leert, “[e]vident […] een zeer belangrijk vak binnen de gevolgde studierichting [be- treft]”. De grieven die verzoekster formuleert omtrent de beoordeling van andere vakken – meer bepaald ‘pedagogische vaardigheden’ en ‘indirecte zorg’ – lijken dan ook niet meer dan kritiek op overtollige motieven. Die moet, op het eerste gezicht, als onontvankelijk worden afgedaan. 23.1. Wat het opleidingsonderdeel ‘stages’ betreft, beklaagt verzoekster zich erover, dat niet of niet afdoende blijkt “hoe de stages gequoteerd worden, wat de verschillende onderdelen zijn, en op welke wijze zij onderling elkaar beïnvloeden”. Zij noemt haar eindresultaat voor dat vak “arbitrair”. 23.2. Voor opleidingsonderdelen die bij leerlingen worden bevraagd aan de hand van zogenaamde ‘kennisvragen’ luidt het beginsel dat de motivering van de examencijfers in de punten zelf besloten ligt. De reden daarvoor is dat bij dergelijke kennisvragen de door de examinandus gegeven antwoorden vergeleken kunnen worden met de door de examinator gestelde vragen, de opgelegde leerstof, de verbetering en eventueel de modelantwoorden. Aldus wordt de examinandus in staat gesteld de gestelde vragen en het gegeven examencijfer aan kritiek te on- derwerpen en de rechter kan die kritiek, in beginsel, beoordelen. IX-9461-16/20 Dat uitgangspunt geldt echter niet voor opleidingsonderdelen die niet of niet alleen aan de hand van kennisvragen worden afgetoetst, maar waarbij, bijvoorbeeld, technische prestaties of vaardigheden worden getoetst. Dat is, eveneens bijvoorbeeld, het geval met de beoordeling van stages. Voor een vak als ‘stages’ volstaat het derhalve niet om alleen een waarderingscijfer te vermelden. Daarmee wordt immers geen inzicht geboden in de wettigheid van de motieven die tot de in dat cijfer tot uitdrukking gebrachte waardering hebben geleid. Alsdan moet een onder woorden gebrachte motivering voorhanden zijn, die concreet het toegekende cijfer verantwoordt. 23.3. Een dergelijke onder woorden gebrachte motivering ligt, op het eerste gezicht, voor het opleidingsonderdeel ‘stages’ wel voor. In de bestreden beslissing wordt er onder de hoofding “[r]elevante feiten” uitdrukkelijk aan gere- fereerd. 23.4. Verzoekster wil de cijfermatige beoordeling van iedere stage afzonderlijk kennen en wil weten welke “objectieve criteria” in die beoordeling meespeelden. Zij toont op het eerste gezicht evenwel niet aan en het is evenmin evident zichtbaar, dat een globale, in één cijfer uitgedrukte beoordeling van het opleidingsonderdeel – ook al bestaat het uit verschillende stages – in het licht van de door haar als geschonden aangevoerde regelgeving en beginselen, niet zou volstaan, terwijl voor ieder van de stages wel een onder woorden gebrachte mo- tivering voorhanden is. Uit die motivering kan verzoekster overigens telkens ook opmaken wat voor de verwerende partij doorslaggevend was om haar niet geslaagd te verklaren voor een welbepaalde stageperiode. Daarbij komt nog dat verzoekster zelf in haar stukkenbundel per stageperiode een formulier ‘eindevaluatie’ voegt, waarbij telkens de zes compe- tenties – “Binnen een welomschreven opdracht kwaliteitsbewust handelen”, “Binnen een welomschreven opdracht communiceren”, “Binnen een welom- IX-9461-17/20 schreven opdracht in een organisatie, in team werken”, “Binnen een welom- schreven opdracht zorg dragen voor gezondheid en welzijn”, “Binnen een wel- omschreven opdracht (ped-)agogisch handelen” en “Binnen een welomschreven opdracht indirecte zorg verlenen” – worden besproken en de mate waarin ver- zoekster er volgens de verwerende partij aan voldoet – of net niet. Vervolgens wordt een globale beoordeling gegeven – “geslaagd” of “niet geslaagd” – met een onder woorden gebracht besluit. Zo valt als “besluit” te lezen wat de eerste res- pectievelijk de tweede stageperiode betreft: “XXXX, je hebt 3 weken stage gedaan waar je eigenlijk niets hebt gedaan. Het is voor ons heel moeilijk om te zeggen wat je kan en niet kan. Je hebt geen communicatie gehad met de kindjes en het personeel. Je was aanwe- zig maar je hebt verder niet veel gedaan. De dingen die je wel hebt gedaan, deed je goed. Administratie is niet jouw sterkste kant.” “XXXX, je was de eerste week goed begonnen waardoor het team poten- tieel in [jou] zag. Vanaf week 2 was deze totaal verdwenen. Je toonde weinig interesse en je stelde geen vragen. Er was ook weinig contactname met de bewoners, maar ook niet met het team. Je stelde weinig tot geen vragen en toonde weinig interesse. Communicatie blijft voor [jou] een groot probleem. Je hebt jouw stage gedaan in een ‘veilige’ zone. Hierdoor werden huishoudelijke taken goed uitgevoerd.” Verzoekster spreekt deze beoordelingen van de twee eerste sta- geperiodes, op het eerste gezicht, opvallend niet tegen, noch lijkt zij te beweren dat uit die vaststellingen niet vermocht te worden geconcludeerd dat zij niet geslaagd is voor die stageperiodes. Dat daaraan geen cijfermatige beoordeling is gekoppeld, lijkt dan weer geenszins problematisch. Immers, voor vakken als ‘stage’ is nu eenmaal een onder woorden gebrachte verantwoording vereist. Een cijfermatige beoordeling lijkt daaraan hoe dan ook ondergeschikt, bijkomstig. 23.5. Wat de vierde stage betreft, geeft verzoekster aan dat zij “dui- delijk beter presteerde dan [tijdens] de stages in het begin van het schooljaar”. Evenwel is deze vierde stageperiode overschaduwd geworden door een incident. Zoals bij de beoordeling van het derde middel is vastgesteld, spreekt zij dat inci- dent op het eerste gezicht, alweer opvallend niet tegen. IX-9461-18/20 Dat alles doet besluiten dat verzoekster op het eerste gezicht niet weerlegt dat, zoals de beroepscommissie vaststelt, “[d]e handelswijze van de leerling […], in het bijzonder in de zorgcontext, beschouwd [wordt] als een ern- stige fout, ten gevolge waarvan de stage voortijdig wordt stopgezet” en dat ver- zoekster er “[i]n die omstandigheden […] redelijkerwijze geen aanspraak [kan] op maken voor de vierde stage te zijn geslaagd”. Evenmin toont verzoekster de onredelijkheid van het haar toe- gekende cijfer aan. 24. Uit wat voorafgaat volgt dat het middel niet ernstig is. 25. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst drin- gende noodzakelijkheid worden toegewezen. VI. De vordering tot het opleggen van voorlopige maatregelen 26. Verzoekster vraagt in fine van haar verzoekschrift ook dat de Raad van State zou “zeggen voor recht dat verwerende partij binnen vijf werkda- gen na ontvangst van het tussengekomen arrest een nieuwe beslissing dient te nemen waarbij aan [verzoekster] een oriënteringsattest A wordt uitgereikt en dit onder verbeurte van een dwangsom van 1.000 [euro] per dag”. 27. Nog daargelaten dat verzoekster nalaat om overeenkomstig ar- tikel 8, eerste lid, 5°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’ een uiteenzetting te geven van de feiten waarin wordt aangetoond dat de voorlopige maatregelen noodzakelijk zijn om haar belangen te vrijwaren, volstaat de vaststelling dat de vordering tot schorsing bij gebrek aan ernstige middelen moet worden verworpen, om ook de gevraagde voorlopige maatregelen af te wijzen. IX-9461-19/20 VII. Anonimisering 28. Met toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 ‘betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid van de Raad van State’ vraagt verzoekster dat bij de publicatie van het arrest haar identiteit niet wordt opgenomen. Dit verzoek wordt ingewilligd. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt de vordering. 2. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 11 december 2018, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Bruno Seutin IX-9461-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.209 Gerelateerde publicatie(
  6. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.340 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.