id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.215 Rolnummer: A. 221918/XII-8353 Zaak: Arrest 243215 - Overheidsopdrachten - 13/12/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-12-19 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-24 23:32 Fiche Arrest nr 243.215 van 13 december 2018 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 243.215 van 13 december 2018 in de zaak A. 221.918/XII-8353 In zake:
- de BVBA VLAAMS INZAMEL CENTRUM TEXTIEL
- de NV CURITAS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bettina Poelemans kantoor houdend te 9051 Sint-Denijs-Westrem Kortrijksesteenweg 1144G bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kris Wauters tegen: de GEMEENTE RANST Tussenkomende partij: de VZW WERELD - MISSIEHULP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Geert Philipsen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 10 april 2017, strekt tot de nietig- verklaring van “het besluit van ongekende datum van de gemeente Ranst waarbij een orgaan van de gemeente beslist om een overeenkomst tot samenwerking met Wereldmissiehulp vzw en/of andere caritatieve instellingen, met als voorwerp het inzamelen van textiel via textielcontainers op het grondgebied van de gemeente Ranst, te sluiten/te gunnen”. XII-8353-1/16 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussen- komst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 12 juni
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Thomas Maes heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 november
- Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. Advocaat Kris Wauters, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Geert Philipsen, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 30 september 2009 beslist het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ranst om een inventaris te laten opstellen van de op XII-8353-2/16 het grondgebied van de gemeente aanwezige containers voor de inzameling van textielafval. Op 3 december 2009 stelt de lokale politie deze inventaris op. Er wordt vastgesteld dat de bvba Vlaams Inzamel Centrum Textiel (hierna: VICT) elf containers op het grondgebied van de gemeente heeft staan en de nv Curitas drie, waarvan twee op het gemeentelijk containerpark. 3.
- Op 24 augustus 2011 neemt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ranst de volgende beslissing: “Het college van burgemeester en schepenen neemt kennis van de nota van de dienst milieu betreffende de reorganisatie van de textielophaling in de gemeente en beslist om een ontwerp-politiereglement voor te leggen aan de gemeenteraad. De textielophaling in onze gemeente zal georganiseerd worden door twee containers op het containerpark, containers verspreid over de gemeente en periodieke huis-aan- huisophalingen. Voor deze inzameling zal er beroep worden gedaan op caritatieve organisaties.” 3.
- Met een brief van 9 februari 2017 vraagt de verwerende partij de nv Curitas om de twee textielcontainers op het gemeentelijk containerpark te verwijderen: “Op basis van het Materialendecreet is de inzameling van huishoudelijk afval een bevoegdheid van de gemeente. Deze bevoegdheid impliceert dat geen enkele organisatie zonder toestemming van de gemeente of zonder overeenkomst met de gemeente textiel mag inzamelen. Het college van burgemeester en schepenen heeft enige tijd geleden beslist om voor de textielinzameling op grondgebied Ranst enkel samen te werken met caritatieve instellingen. Daarom werd beslist om de 2 containers van Curitas op het gemeentelijk containerpark te vervangen door 2 containers van Wereldmissiehulp. Deze organisatie heeft ook hier in Ranst een lokale werking. Mogen wij u vragen de recipiënten uiterlijk tegen 1 maart 2017 te verwijderen en ons op de hoogte te houden van uw planning voor de verwijdering van deze textielcontainers?” XII-8353-3/16 3.
- Met een aangetekende brief van 6 maart 2017 protesteert de nv Curitas tegen dit verzoek. Zij wijst er onder meer op dat inzameling van textielafval een overheidsopdracht betreft en dat deze opdracht niet zonder een beroep op de mededinging aan de vzw Wereld-Missiehulp mag worden gegund. 3.
- Er volgt nog enige correspondentie tussen de gemeente Ranst en de nv Curitas wat het verwijderen betreft van de twee textielcontainers van het gemeentelijk containerpark. IV. Ontvankelijkheid van het beroep A. Inzake het voorwerp van het beroep Standpunt van de partijen 4.1.1.
- In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij de ontvankelijkheid van het beroep als volgt: “De enige handeling die er is gebeurd is de uitvoering van het politiereglement betreffende de inzameling van textielafval ten aanzien van de onrechtmatig geplaatste containers – zonder overeenkomst – op het openbare domein. Er is geen formele beslissing genomen om te werken met c[a]r[it]atieve instellingen. Er is enkel in 2009 een intentie verwoord om samen te werken met c[a]ritatieve instellingen om de wildgroei van textielcontainers en de bijhorende overlast tegen te gaan. Deze principiële beslissing werd nog niet omgezet in een beschikkende rechtshandeling om het sociaal-economieproject te starten. Enkel werden de containers weggehaald op het containerpark van Curitas nv die geen rechtsgeldige overeenkomst hadden inzake de inname van het openbaar domein zoals beschreven in artikel 57, § 3, 1° van het gemeentedecreet en ter uitvoering van het strategische meerjarenplan en in het bijzonder voor de realisatie van het actieplan 12.4.” 4.1.1.
- De tussenkomende partij valt in haar “toelichtende memorie” de exceptie van de verwerende partij bij en wijst erop dat er geen sprake is van een bestrijdbare beslissing. De beleidsvisie van de verwerende partij is niet in concrete overeenkomsten omgezet. Er is geen overheidsopdracht of andere overeenkomst gesloten tussen de verwerende partij en de tussenkomende partij. XII-8353-4/16 De verzoekende partijen hebben geen belang bij het aanvechten van een onbestaande beslissing. 4.1.1.
- Na kennisname van het administratief dossier herformuleren de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord het voorwerp van hun beroep als volgt: “1) het besluit van het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Ranst dd. 24 augustus 2011 waarbij deze principieel beslist om voor de inzameling van textielafval uitsluitend beroep te doen op caritatieve instellingen […]; 2) de beslissing van het ongekend orgaan van de gemeente Ranst om de inzameling van het textielafval op het gemeentelijk containerpark toe te wijzen aan Wereld Missiehulp, waarbij deze de toelating kreeg om minstens twee containers te plaatsen.” Zij betwisten de stelling dat er geen uitvoerbare rechts- handeling zou bestaan en wijzen op de beslissing van 24 augustus 2011 om voor de textielinzameling enkel beroep te doen op caritatieve organisaties. Dat is volgens hen wel degelijk een formele beslissing. Zowel dat besluit als de beslissing om de tussenkomende partij toe te laten twee containers te plaatsen op het containerpark zijn administratieve rechtshandelingen die rechtsgevolgen creëren, minstens dat beogen. De verzoekende partijen doen voorts gelden: “De eerste bestreden beslissing is een administratieve rechtshandeling omdat het college van burgemeester en schepenen de gemeente ertoe verbindt om voor textielinzameling in de toekomst nog enkel beroep te doen op caritatieve organisaties. Hierdoor sluit het college automatisch verzoekende partijen uit van deze dienstverlening. Dit heeft zich voor de eerste maal geconcretiseerd met het schrijven van 9 februari
- Met dit schrijven laat de verwerende partij weten dat op het containerpark nog enkel [de tussenkomende partij] het recht heeft om containers te plaatsen. Alleen hadden verzoekende partijen bij ontvangst van voornoemde brief niet begrepen dat verwerende partij doelde op een dergelijke principiële beslissing. Verzoekende partijen meenden uit de brief te begrijpen dat naast de rechten op het containerpark ook samenwerkingen werden gesloten met andere caritatieve instellingen. Dit laatste blijkt niet het geval te zijn. Om die reden hebben verzoekende partijen het voorwerp van hun vordering via huidige memorie beter kunnen preciseren. De tweede bestreden beslissing is een administratieve rechtshandeling omdat het verzoekende partijen het recht ontneemt om zelf containers te XII-8353-5/16 plaatsen op het containerpark. Uit de ontwikkelde middelen blijkt dat verwerende partij hiertoe geen enkele vorm van in mededingingstelling heeft georganiseerd.” De verzoekende partijen wijzen erop dat hoewel er geen overeenkomst zou bestaan tussen de verwerende partij en de tussenkomende partij, de containers van de nv Curitas effectief op het containerpark vervangen zijn geworden door deze van de tussenkomende partij, en dit gesteund op de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 24 augustus
- Hierdoor komt er in ieder geval een samenwerking tot stand, waarbij de gemeente samenwerkt met een caritatieve vereniging. Dergelijk model op grond van een eenzijdige toelating is onderworpen aan de plicht tot in mededingingstelling. Bovendien vereist volgens hen de overheidsopdrachtenreglementering niet dat een geschreven overeenkomst aanwezig is. Dat de verwerende partij enkel met caritatieve instellingen wil samenwerken is geen wettige reden om de wetgeving op de overheidsopdrachten of het beginsel van de gelijke behandeling niet toe te passen. Ook indien er sprake zou zijn van een concessie dienen de beginselen van gelijkheid en transparantie te worden gerespecteerd. Beoordeling 4.1.
- De herformulering van het voorwerp van het beroep door de verzoekende partijen wordt aanvaard. De verwerende partij toont niet aan dat de verzoekende partijen eerder kennis konden nemen van de collegebeslissing van 24 augustus 2011 dan na de kennisname van het administratief dossier of van de beslissing van de verwerende partij om ter zake enkel samen te werken met de tussenkomende partij zoals uit de brief van 9 februari 2017 blijkt. Het verweer dat er geen formele beslissing zou zijn genomen of dat het enkel zou gaan om een voornemen om met caritatieve instellingen samen te werken, wordt verworpen. In haar brief van 9 februari 2017 blijkt duidelijk dat de verwerende partij, zoals zij zelf schrijft, heeft beslist om enkel nog samen te werken met caritatieve instellingen en om de containers van de tweede verzoekende partij op het containerpark te vervangen door die van de tussenkomende partij. XII-8353-6/16 Voorts is de omstandigheid dat er geen schriftelijke overeenkomst zou zijn gesloten tussen de verwerende partij en de tussenkomende partij niet bepalend voor de aanvechtbaarheid van de beide beslissingen. B. Inzake het belang bij het beroep Standpunt van de partijen 4.2.1.
- De verzoekende partijen wijzen in hun verzoekschrift op hun activiteiten in de textielinzameling en de textielverwerkingssector. In die hoedanigheid hebben zij naar eigen zeggen belang bij hun beroep nu zij interesse hebben om zelf in te staan voor de textielafvalinzameling. 4.2.1.
- In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij de ontvankelijkheid van het beroep als volgt: “Er is […] geen beslissing genomen die de belangen van het Vlaams Inzamel Centrum Textiel bvba schendt aangezien deze firma niet getroffen is. Integendeel, volgens de inventaris […] van 3 december 200[9] heeft het Vlaams Inzamel Centrum Textiel bvba 11 containers op het grondgebied van Ranst staan zonder rechtsgeldige overeenkomst en is door het schrijven geen enkele container weggehaald. Deze containers staan wel op privaat domein maar zonder toelating van de gemeente zoals voorzien in het reglement. Enkel Curitas is getroffen door de handeling om 2 onrechtmatig geplaatste textielcontainers te verwijderen na het niet reageren op een verzoek door de rechtmatige eigenaar van de textielcontainer. Hierdoor heeft de gemeente de container in bewaarplicht genomen.” 4.2.1.
- De tussenkomende partij betwist in haar “toelichtende memorie” het belang van de verzoekende partijen door erop te wijzen dat de bestreden beslissing zich situeert in het gemeentelijke beleidsdomein inzake ontwikkelingsamenwerking. Gelet op hun hoedanigheid als commerciële ondernemingen en hun activiteit als textielinzamelaars en -verwerkers hebben de verzoekende partijen geen belang bij het beroep tegen een beslissing die zich inschrijft in het beleidsdomein ontwikkelingssamenwerking en dus geen uitstaans heeft met de wettelijke specialiteit van de verzoekende partijen. XII-8353-7/16 4.2.1.
- In hun memorie van wederantwoord merken de verzoekende partijen op dat de tussenkomende partij niet in aanmerking mag komen als caritatieve instelling aangezien zij alle kenmerken vertoont van een onderneming. Voorts wijzen zij erop dat de bestreden beslissingen inzake textielinzameling kaderen binnen de bevoegdheid inzake materiaalkringlopen en afvalstoffen; de beslissing van 30 september 2009 verwijst naar de afvalregeling. Weliswaar kan een gemeente een sociaal objectief nastreven via de wetgeving overheidsopdrachten, doch deze wetgeving werd hier niet toegepast. 4.2.1.
- In haar laatste memorie, na een voor haar negatief uitvallend auditoraatsverslag, beklemtoont de tussenkomende partij dat zij geen diensten verleent aan de verwerende partij en er tussen hen ook geen overeenkomst inzake afvalophaling bestaat. De bestreden beslissing van 24 augustus 2011 maakt nergens gewag van afval. Niet elke inzameling van textiel is volgens haar per definitie gelijk te stellen met een inzameling van textielafval. Overigens heeft de gemeente Ranst haar bevoegdheid inzake afval overgedragen aan de opdrachthoudende vereniging IGEAN-milieu. De gemeente heeft er dan ook in het kader van een ander beleidsdomein voor geopteerd “om caritatieve instanties te steunen door hen het recht te verlenen hun maatschappelijk doel en financieringsmodel – middels de inzameling van oude kleding – te verwezenlijken met gebruikmaking van standplaatsen op gemeentelijk terrein”. 4.2.1.
- De verzoekende partijen antwoorden in hun laatste memorie dat de verwerende partij de betwiste beslissingen heeft genomen in het raam van artikel 26 van 23 december 2011 ‘betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen’ (hierna: het materialendecreet); de gemeente dient in te staan voor het inzamelen en ophalen van huishoudelijke afvalstoffen waartoe textielafval behoort. Textiel inzamelen via een container is een afvalactiviteit welk standpunt ook wordt ingenomen in een brief van 1 juni 2018 van de bevoegde Vlaamse minister aan de tussenkomende partij. Zelfs mocht worden aangenomen dat het ingezamelde textiel geen afval zou zijn, dan is het volgens hen nog duidelijk dat de verwerende partij aan de tussenkomende partij heeft gevraagd om het textiel in te zamelen en op te halen, wat als een overheidsopdracht mag worden beschouwd. Ten slotte wijzen de verzoekende XII-8353-8/16 partijen erop dat de tussenkomende partij niet aantoont dat er een beheersoverdracht is geweest inzake huishoudelijke afvalstoffen. Beoordeling 4.2.2.
- Wat de betwisting van het belang betreft in hoofde van de eerste verzoekende partij, verwerpt het auditoraat in zijn verslag deze exceptie aangevoerd door de verwerende partij in essentie omdat de verzoekende partijen de “handelwijze van de verwerende partij” aan de Raad voorleggen “om het niet onbelangrijke economische voordeel inzake textielinzameling geheel buiten een correcte mededinging om, op ondoorzichtige wijze via feitelijke handelingen aan een bepaalde speler voor te behouden, met uitsluiting van andere marktdeelnemers”. “Bij het bestrijden van een dergelijke handelwijze”, zo wordt in het verslag geconcludeerd, “hebben de beide verzoekende partijen, als professionelen actief in de sector van de textielinzameling, reeds op het eerste gezicht wel degelijk een voldoende persoonlijk en rechtstreeks belang.” De verwerende partij heeft nagelaten deze opvatting in een laatste memorie te betwisten. De Raad valt de terechte zienswijze van het auditoraat bij. 4.2.2.
- Wat de exceptie van de tussenkomende partij betreft, merkt de Raad op dat de verwerende partij haar handelwijze kadert binnen haar milieu- en afvalbevoegdheid. Zij onthoudt de geïnteresseerde verzoekende partijen de mogelijkheid tot inzamelen en reserveert het voor de tussenkomende partij. Dit onthouden is een voldoende belang voor de verzoekende partijen. Dat er geen schriftelijke overeenkomst is tussen de tussenkomende partij en de verwerende partij is hier irrelevant. Dat de verwerende partij haar bevoegdheid inzake afval zou hebben overgedragen aan een tussengemeentelijke vereniging, wat de tussenkomende partij voor deze problematiek slechts in haar laatste memorie te berde brengt en wat de verwerende partij helemaal niet beweert, heeft de verwerende partij niet belet om inzake textielophaling bij beslissing de XII-8353-9/16 verzoekende partijen elke mogelijkheid tot deelname te onthouden. Ook worden de bestreden beslissingen niet betwist in rechte wegens onbevoegdheid in hoofde van de verwerende partij. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van het enig middel Standpunt van de partijen 5.1.
- De verzoekende partijen voeren de schending aan van “de artikelen 5, 19, 23 en volgende van de Wet Overheidsopdrachten 2006 en de transparantieplicht en [het] gelijkheidsbeginsel”. Zij brengen het middel aan in twee middelonderdelen, die zij als volgt samenvatten: “Doordat, eerste onderdeel, verwerende partij een overheidsopdracht voor aanneming van diensten, met als voorwerp de inzameling van textielafval, voor het grondgebied van de gemeente Ranst uitsluitend toekent aan de vzw Missiehulp zonder enige vorm van mededinging, gelijke behandeling, bekendmaking of organisatie van een gunningsprocedure; Terwijl op grond van artikel 5 van de Overheidsopdrachtenwet 2006 aanbestedende overheden enkel overheidsopdrachten kunnen gunnen met naleving van de beginselen inzake gelijke behandeling en transparantie en na mededinging; Dat op grond van artikel 19 van de Overheidsopdrachtenwet 2006 een aanbestedende overheid de gunning van een overheidsopdracht vooraf moet bekend maken en krachtens de artikelen 23 e.v. van de Overheidsopdrachtenwet 2006 een aanbestedende overheid zijn contracts- partner enkel kan kiezen na het volgen van een gunningsprocedure; Dat verwerende partij de overeenkomst met Wereldmissiehulp heeft gesloten zonder enige procedure te volgen, noch enige bekendmaking te doen, noch de gelijke behandeling van mogelijk geïnteresseerde ondernemingen te hebben geëerbiedigd; Dat aldus het toekennen van de inzamelopdracht aan de vzw Wereldmissiehulp zonder gunningsprocedure en zonder mededinging, een schending inhoudt van de artikelen 5, 19 en 23 e.v. van de Overheidsopdrachtenwet 2006 en het beginsel van de gelijke behandeling en het transparantiebeginsel. Doordat, tweede onderdeel, indien Uw Raad oordeelt dat het niet zou gaan over een overheidsopdracht, de bestreden beslissing inhoudt dat verwerende partij een concessie van diensten heeft toegewezen aan Wereldmissiehulp opnieuw zonder enige vorm van mededinging, gelijke behandeling, bekendmaking of organisatie van een procedure; XII-8353-10/16 Terwijl ieder overheidsoptreden onderworpen is aan het gelijkheids- en transparantiebeginsel, wanneer deze overheid een economisch voordeel toekent aan een derde door middel van een concessie van diensten; Dat verwerende partij deze overeenkomst heeft gesloten zonder enige procedure te volgen, noch enige bekendmaking te doen, noch de gelijke behandeling van mogelijk geïnteresseerde ondernemingen te hebben geëerbiedigd; Dat de transparantieplicht een effectieve bekendmaking vereist alvorens een overheid een overeenkomst sluit; dat het beginsel van de gelijke behandeling vereist dat elke geïnteresseerde onderneming op hetzelfde moment dezelfde informatie ontvangt over de te sluiten overeenkomst; dat de verwerende partij deze beide plichten heeft miskend.” 5.1.
- De verwerende partij voert geen uitdrukkelijk verweer in haar memorie van antwoord. 5.1.
- De tussenkomende partij doet, wat het eerste middelonderdeel betreft, gelden dat er geen overeenkomst werd gesloten tussen haar en de verwerende partij. Het schrijven van 9 februari 2017 dient te worden geïnter- preteerd als een exemplarische toelichting van een algemene beleidslijn, maar niet als de bevestiging van een beslissing tot contracteren met de tussenkomende partij. Er bestaat geen eenzijdige rechtshandeling waartegen beroep mogelijk is. Ook wat het tweede middelonderdeel betreft, benadrukt de tussenkomende partij dat er geen overeenkomst bestaat, zodat het beroep onmogelijk gegrond kan worden verklaard. Zelfs indien er, zo verklaart de tussenkomende partij, sprake zou zijn van een concessie is er geen verplichting om een aanbesteding te organiseren, maar enkel een passende mate van transparantie ten aanzien van potentiële inschrijvers. De tussenkomende partij verwijst naar haar betoog inzake het belang van de verzoekende partijen en herhaalt dat de zaak te situeren is in de bevoegdheid van de verwerende partij inzake ontwikkelingssamenwerking, zodat de verzoekende partijen niet kwalificeren als potentiële inschrijvers. Ten slotte merkt de tussenkomende partij nog op dat de gemeentelijke bevoegdheid inzake afval werd overgedragen aan de intergemeentelijke vereniging IGEAN, zodat de beslissing zich niet situeert in een domein waarbij de verzoekende partijen belang kunnen hebben, aldus de tussenkomende partij. XII-8353-11/16 5.1.
- In hun memorie van wederantwoord beklemtonen de verzoe- kende partijen, wat het eerste middelonderdeel betreft, dat er te dezen wel degelijk sprake is van een overheidsopdracht. In het kader van de overheidsopdrachtenwetgeving is het niet noodzakelijk dat er een geschreven overeenkomst aanwezig is. Er zijn voldoende elementen in het dossier om te besluiten dat er een samenwerkingsovereenkomst bestaat tussen de verwerende partij en de tussenkomende partij. Het motief van de verwerende partij om enkel met caritatieve instellingen samen te werken kan geen reden zijn om de overheidsopdrachtenwetgeving of het beginsel van de gelijke behandeling niet toe te passen. Er dient volgens de verzoekende partijen te worden vastgesteld dat de tussenkomende partij uitvoering geeft aan een overeenkomst gesloten met de tussenkomende partij, met miskenning van de wetgeving overheidsopdrachten. Wat het tweede middelonderdeel betreft, doen de verzoekende partijen gelden dat ook bij de gunning van concessies het gelijkheidsbeginsel en de transparantieverplichting moeten worden gerespecteerd en dat aan elke potentiële inschrijver een passende mate van openbaarheid moet worden gegaran- deerd, zodat de transactie voor mededinging openstaat en op haar onpartijdigheid kan worden getoetst. De verzoekende partijen wijzen erop dat zij wel degelijk potentiële inschrijvers zijn aangezien zij geïnteresseerd zijn in textielinzameling. Wat de bevoegdheidsoverdracht inzake afval betreft, wijzen de verzoekende partijen erop dat, indien dit zo zou zijn, de verwerende partij als gevolg van de overdracht geen beslissing meer kan nemen inzake afval en dus haar bevoegdheid zou overschrijden. Ten slotte benadrukken de verzoekende partijen dat de tussenkomende partij wel degelijk aan de inzameling van afvalstoffen doet. De tussenkomende partij is erkend door OVAM en beschikt over een milieu- vergunning voor haar vestiging te Boechout voor de opslag, het sorteren en mechanisch behandelen van textielafval. 5.1.
- In haar laatste memorie benadrukt de tussenkomende partij, wat het eerste middelonderdeel betreft, dat er te dezen geen sprake is van de toepasselijkheid van de overheidsopdrachtenreglementering. Deze regelgeving XII-8353-12/16 vereist immers een schriftelijke overeenkomst wat hier niet het geval is; het gaat hier immers enkel om het verlenen van een gunst, namelijk bij eenzijdige beslissing van de verwerende partij toelaten dat een minimaal deel van het gemeentelijk grondgebied door de tussenkomende partij wordt ingepalmd voor het plaatsen van containers. Ten onrechte wordt door de verzoekende partijen een dienstverlening ontwaard door de koppeling te maken met de afval- reglementering; echter, de verwerende partij heeft haar bevoegdheid inzake afval overgedragen aan een tussengemeentelijke vereniging, de containers van de tussenkomende partij laten geen afval toe en de tussenkomende partij is ten voordele van de verwerende partij geen verplichtingen aangegaan. Voorts tonen de verzoekende partijen niet aan dat er sprake is van een rechtstreeks economisch voordeel voor de verwerende partij; evenmin kent de verwerende partij de tussenkomende partij een voordeel toe aangezien het de particulieren zijn die de tussenkomende partij giften onder de vorm van oude kledij bezorgen. Wat het tweede middelonderdeel betreft, wijst de tussen- komende partij erop dat er geen sprake is van een relevante markt en dat het “louter” gaat om “het toekennen van een recht tot bezetting van een – minimaal – deel van de oppervlakte van de gemeente”. Voorts verwijst zij naar de bevoegdheidsoverdracht inzake afval mocht er al sprake zijn van een dienstverlening inzake afval, quod non. 5.1.
- In haar laatste memorie merken de verzoekende partijen op dat er wel degelijk sprake is van een overeenkomst; zelfs als er slechts sprake zou zijn van een gunst, dan nog, is deze onwettig omdat een onrechtmatig voordeel wordt toegekend aan één onderneming “met uitsluiting van de andere ondernemingen die binnen dezelfde markt opereren”. Overigens, zo betogen de verzoekende partijen, is er wel degelijk een overeenkomst ten bezwarende titel aangezien de tegenprestatie hier economisch waardeerbaar is. Het is van geen belang dat de dienstverlener niet rechtstreeks door de aanbestedende overheid wordt vergoed maar door de gebruikers; dit voordeel wordt de verzoekende partijen ontzegd. De aanbestedende overheid heeft ook economisch belang bij de opdracht; het inzamelen en ophalen van textielafval is een openbare dienst die hier is XII-8353-13/16 uitbesteed. Dat het zou gaan om een concessie van openbare dienst, doet niet anders besluiten; ook dan worden diensten verricht ten voordele van de aanbestedende overheid en is het gelijkheidsbeginsel geschonden. Ten slotte merken de verzoekende partijen het volgende op: “Indien Uw Raad inderdaad zou oordelen de het in casu niet gaat om een overheidsopdracht maar om een concessie van openbare dienst of een toelating, dan nog moet worden vastgesteld dat de verwerende partij het gelijkheidsbeginsel en de daaruit voortvloeiende transparantieplicht heeft miskend, waardoor de samenwerking die hieruit is ontstaan eveneens onwettig is. De heer Auditeur oordeelt dan ook terecht dat de verwerende partij de textielinzameling en het daaruit voortvloeiende financiële voordeel heeft voorbehouden aan een groep van dienstverleners zonder de andere marktdeelnemers de kans te bieden zich eveneens kandidaat te stellen. In die mate zijn de in het tweede middelonderdeel ingeroepen transparantieplicht en het gelijkheidsbeginsel geschonden.” Beoordeling 5.2.
- De verwerende partij heeft haar beslissingen om enkel caritatieve instellingen toe te laten voor de kwestieuze activiteit en in het bijzonder enkel de tussenkomende partij, genomen in het kader van de gemeente- lijke bevoegdheid van het afvalbeheer. Dit blijkt uit de beslissing van 24 augustus 2011 die genomen is op grond van een nota van de gemeentelijke dienst milieu waarin wordt verwezen naar de afvalreglementering. In de brief van 9 februari 2017 waaruit de tweede bestreden beslissing blijkt, wordt uitdrukkelijk verwezen naar het materialendecreet. Voorts blijkt uit de brief van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 1 juni 2018 die de verzoekende partij bij haar laatste memorie heeft gevoegd, dat het Vlaamse gewest het textiel ingezameld via een container beschouwt als huishoudelijke afvalstof. Overeenkomstig artikel 26 van het materialendecreet draagt de gemeente zorg voor het voorkomen, hergebruiken, inzamelen, nuttig toepassen of verwijderen van huishoudelijke afvalstoffen. XII-8353-14/16 Hieruit mag worden afgeleid dat de gemeente dient in te staan voor de inzameling van textiel als afval op het gemeentelijk grondgebied. 5.2.
- De wijze waarop de verwerende partij de uitvoering van haar decretale opdracht bij een derde heeft ondergebracht, is hier voor de oplossing van het geschil niet doorslaggevend in de mate dat de verzoekende partijen in essentie aanvoeren dat zij in strijd met het gelijkheidsbeginsel geen kans van de verwerende partij hebben gekregen om deze opdracht uit te voeren. Of het nu om een overheidsopdracht of om een concessie van diensten gaat dan wel een ander rechtsfiguur, vastgesteld moet worden dat de verwerende partij haar decretale opdracht laat uitvoeren door een derde die hiervoor vergoed wordt door, wat geen partij in twijfel trekt, te mogen beschikken over het ingezamelde textiel. Zoals reeds opgemerkt, ontzegt een eventuele bevoegdheids- overdracht inzake afvalbeheer waar de verwerende partij overigens helemaal niet op wijst, de verzoekende partijen niet hun belang bij hun beroep of hun middel aangezien de verwerende partij een beslissing heeft genomen en uitgevoerd die de verzoekende partijen aanbelangt. De problematiek van een overeenkomst zoals de tussen- komende partij dit begrijpt, is hier niet relevant. Feit is immers dat de tussenkomende partij op het aanbod van de verwerende partij dat laatstgenoemde blijkbaar aan de tussenkomende partij heeft gedaan, is ingegaan en containers heeft geplaatst op het gemeentelijk containerpark. 5.2.
- De verzoekende partijen willen in de eerste plaats de handelwijze van de verwerende partij als strijdig met het gelijkheidsbeginsel vastgesteld zien, inzonderheid de exclusiviteit die de verwerende partij toebedeeld aan caritatieve instellingen. De verzoekende partijen voeren wat de uitwerking door de verwerende partij van deze exclusiviteit wat het containerpark betreft, in wezen aan dat zij geen aanbod hebben gekregen van de verwerende partij, zoals de tussenkomende partij wel heeft gekregen, om aldaar textiel in te zamelen. De verwerende partij geeft geen rechtvaardiging voor deze ongelijke behandeling aan zodat in die omstandigheden het standpunt van de verzoekende partijen wordt bijgevallen. XII-8353-15/16 5.2.
- Het middel is in zoverre gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van 24 augustus 2011 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ranst de textiel- ophaling te organiseren door het plaatsen van twee containers op het containerpark, het plaatsen van containers verspreid over de gemeente en periodieke huis-aan-huisophalingen waarbij voor de inzameling beroep zal worden gedaan op caritatieve organisaties en de beslissing van ongekende datum, zoals die blijkt uit een brief van 9 februari 2017 van de gemeente Ranst aan de nv Curitas, waarbij de inzameling van textiel in containers op het gemeentelijk containerpark wordt voorbehouden aan de vzw Wereldmissiehulp.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de verzoekende partijen. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op een rolrecht van 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 13 december 2018, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-8353-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.215 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.