id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.235 Rolnummer: A. 224683/VII-40218 Zaak: Arrest 243235 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 13/12/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-12-27 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-24 23:37 Fiche Arrest nr 243.235 van 13 december 2018 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 243.235 van 13 december 2018 in de zaak A. 224.683/VII-40.
- In zake :
- Michaël VANDAMME
- Karlijne VAN BREE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joost Bosquet kantoor houdend te 2650 Edegem Mechelsesteenweg 326 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN VLAAMS-BRABANT -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 2 maart 2018, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb/A/1718/0439 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 16 januari 2018 in de zaak RvVb/1415/0757/A/
- II. Verloop van de rechtspleging
- Een beschikking van 27 maart 2018 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.218-1/7 Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend teneinde te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 november
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Valerie De Bruyckere, die loco advocaat Joost Bosquet verschijnt voor de verzoekende partijen, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Met een besluit van 18 juni 2015 weigert de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant (hierna: deputatie) aan de verzoekende partijen “een vergunning […] voor de wijziging van een verkavelingsvergunning”. 3.
- Het bestreden arrest verwerpt de vordering van de verzoekende partijen tot vernietiging van deze vergunningsbeslissing. VII-40.218-2/7 IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- De verzoekende partijen hebben een “verzoek tot voortzetting” ingediend waarin een repliek wordt gegeven op het auditoraatsverslag. Het cassatieprocedurebesluit voorziet na de kennisgeving van het auditoraatsverslag niet in de mogelijkheid om een laatste memorie neer te leggen. Wanneer de auditeur concludeert tot de verwerping van het cassatieberoep moet de verzoekende partij luidens artikel 18, § 1, van het cassatieprocedurebesluit, op straffe van de toewijzing van de afstand van geding, “vragen dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord”. Het auditoraatsverslag concludeert tot de verwerping van het beroep van de verzoekende partijen. Het voormelde verzoek tot voortzetting wordt alleen als procedurestuk in aanmerking genomen in zoverre wordt gevraagd de procedure voort te zetten en te worden gehoord. Voor zover dat stuk de neerslag vormt van de uiteenzetting van de verzoekende partijen ter terechtzitting, wordt het niet als een procedurestuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. V. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partijen voeren de schending aan van artikel 4.3.1, §§ 1 en 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO) en het rechtszekerheids- en legaliteitsbeginsel “als algemene beginselen van behoorlijk bestuur”. Zij argumenteren dat: - “het vaste rechtspraak is dat de beoordeling van een wijziging van een verkavelingsvergunning overeenkomstig art. 4.3.1 VCRO hoofdzakelijk dient te gebeuren door de aanvraag te toetsen aan de van toepassing zijnde planvoorschriften en de goede ruimtelijke ordening”; VII-40.218-3/7 - “bij de beoordeling van een aanvraag tot wijziging van een verkavelingsvergunning steeds de bestaande gerealiseerde toestand in concreto dient te worden beoordeeld en niet louter de theoretisch vergunde toestand”; - “een loutere toetsing aan de bestaande voorschriften van de verkavelingsvergunning een wijziging van de verkavelingsvergunning immers onmogelijk zou maken”; - “er bij iedere aanvraag dient te worden beoordeeld waarom de verkavelingswijziging al dan niet zou passen in de eigen met specifieke elementen gekenmerkte omgeving, wat betekent dat een wijziging van de verkavelingsvergunning omwille van de evolutie van de omgevingskenmerken dan ook in overeenstemming is met de goede ruimtelijke ordening”; - “in geval de wijziging van de verkavelingsvergunning een regularisatie tot doel heeft, dergelijke regularisatie mogelijk is op voorwaarde dat de aanvraag niet enkel bedoeld is om te regulariseren, maar tevens in overeenstemming is met de goede plaatselijke ordening”; - “voor de wijziging van de verkavelingsvergunning niet vereist is dat de basisvisie achter de bestaande verkavelingsvergunning reeds achterhaald zou zijn” en het “voldoende [is] dat de wijziging in overeenstemming is met de criteria voor een goede ruimtelijke ordening”; - de RvVb er “in het bestreden arrest aan voorbij gaat dat een wijziging van de verkavelingsvergunning niet enkel mogelijk is voor die aspecten van goede ruimtelijke ordening die niet werden geregeld door de bestaande voorschriften en ontleend kunnen worden aan de omgevingskenmerken”; - “een wijziging van de verkavelingsvergunning immers ook toegestaan is wanneer bepaalde aspecten van goede ruimtelijke ordening niet adequaat geregeld zijn binnen de bestaande verkaveling of inmiddels door de feitelijke ordening achterhaald zijn”; - het bestreden arrest de ingeroepen bepalingen en beginselen schendt door “te oordelen dat een wijziging van de verkavelingsvergunning slechts mogelijk zou zijn indien de aanvraag in overeenstemming is met de algemene kenmerken en uitgangspunten van de verkaveling of indien wordt aangetoond dat deze kenmerken en uitgangspunten niet meer deugdelijk zouden zijn”. VII-40.218-4/7 Beoordeling
- De aangevoerde algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn toepasselijk op bestuurshandelingen van administratieve overheden als bedoeld in artikel 14, § 1, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). De RvVb is een administratief rechtscollege als bedoeld in artikel 14, § 2, RvS-wet. De aangevoerde algemene beginselen van bestuur zijn niet toepasselijk op de arresten van de RvVb. In zoverre faalt het middel naar recht.
- Het middel van de verzoekende partijen gaat terug op de conclusie in het bestreden arrest van de beoordeling van het enige middel van de verzoekende partijen dat zij “zich dan ook [vergissen] wanneer zij stellen dat de bestaande verkavelingsvoorschriften geen toetsingsgrond zijn bij de beoordeling van de gevraagde wijziging van de verkavelingsvergunning en dat de vergunningverlenende overheid louter in functie van de reeds uitgevoerde werken en de in de omgeving bestaande toestand de goede ruimtelijke ordening moet beoordelen”.
- Dit middel is niet gericht tegen de beoordeling door de RvVb van de kritiek van de verzoekende partijen in hun enige middel op de in randnummer 3 van het bestreden arrest aangehaalde weigeringsmotieven in de bestreden vergunningsbeslissing die verband houden met de onverenigbaarheid van het aangevraagde met de goede ruimtelijke ordening. VII-40.218-5/7 Bijgevolg is het middel niet gericht tegen deze zelfstandige redenen voor de ongegrondverklaring van het enige middel van de verzoekende partijen voor de RvVb.
- Het middel dat louter gericht is tegen het voor dit oordeel van de RvVb niet noodzakelijk, dragend - in randnummer 7 aangehaalde - motief, kan niet tot cassatie leiden.
- Het enige middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep, begroot op een rolrecht van 400 euro en een bijdrage van 40 euro, elk voor de helft. VII-40.218-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertien december tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.218-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.235 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div