← België

Arrest 243236 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 13/12/2018

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.236 Rolnummer: A. 224695/VII-40222 Zaak: Arrest 243236 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 13/12/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-12-27 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-24 23:38 Fiche Arrest nr 243.236 van 13 december 2018 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 243.236 van 13 december 2018 in de zaak A. 224.695/VII-40.

  1. In zake :
  2. Ian DE RUYVER
  3. Lynn DE RUYVER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sven Boullart en Pieter Delmoitie kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 419 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
  4. François HANSSENS
  5. Jeanine DAEMS -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  6. Het cassatieberoep, ingesteld op 5 maart 2018, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb/A/1718/0446 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 16 januari 2018 in de zaak RvVb/1516/0633/A. II. Verloop van de rechtspleging
  7. Een beschikking van 27 maart 2018 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar. De verzoekende partijen hebben een toelichtende memorie ingediend. VII-40.222-1/8 Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend teneinde te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 november
  8. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pieter Delmoitie, die verschijnt voor de verzoekende partijen, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  9. III. Feiten 3.
  10. Met een besluit van 7 april 2016 verleent de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen (hierna: deputatie) aan De Ruyver cons. een stedenbouwkundige vergunning “voor het slopen en herbouwen van een woning”. 3.
  11. Het bestreden arrest vernietigt op vordering van de heer en mevrouw Hanssens-Daems de vergunningsbeslissing. VII-40.222-2/8 IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  12. De Ruyver cons. voeren de schending aan van artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, 3°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), artikel 56, § 1, 1°, van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (hierna: RvVb-procedurebesluit) en artikel 149 van de Grondwet. Zij argumenteren in een eerste onderdeel dat het bestreden arrest door “te oordelen dat het verzoekschrift tot vernietiging niet het vereiste persoonlijke karakter zou ontberen doordat dhr. en mevr. François en Jeanine Hanssens-Daems de woning niet zelf bewonen, aangezien zij belang zouden hebben bij het uitlokken van een wettigheidstoetsing [...] de draagwijdte van artikel 4.8.11., § 1, eerste lid, 3° [VCRO] [miskent] […] en verruimt [het] de decretale belangvereiste bij een verzoekschrift tot vernietiging tot een zuivere actio popularis”. Het bestreden arrest miskent ook “de draagwijdte van artikel 4.8.11., § 1, eerste lid, 3° [VCRO] […] waar het [...] stelt dat het belang van dhr. en mevr. François en Jeanine Hanssens-Daems als verzoekende partijen voor de RvVb kan gevonden worden in eventuele stedenbouwkundige hinder die toekomstige bewoners van de woning zouden kunnen ondervinden waarmee het arrest eveneens de decretale belangvereiste uitbreidt tot een zuivere actio popularis, alsook tot niet-persoonlijke en hypothetische hinder of nadelen”. In een tweede middelonderdeel betogen zij dat “het bestreden arrest toe[laat] dat de belanguiteenzetting die het inleidende verzoekschrift tot vernietiging dient te bevatten overeenkomstig artikel 56, § 1, 1° van het [RvVb-procedurebesluit] [...] wordt bijgestuurd, aangepast of uitgebreid in de latere wederantwoordnota” en derhalve deze laatste bepaling miskent. Zij lichten verder toe dat het bestreden arrest “daarenboven ook geen antwoord [bevat] op de VII-40.222-3/8 kritiek van [De Ruyver cons.] dat daarmee een bijsturing, aanpassing of uitbreiding van het belang wordt aangebracht”. Beoordeling
  13. Het toentertijd geldende artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, 3°, VCRO bepaalt dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen kan ondervinden als gevolg van een vergunningsbeslissing beroep bij de RvVb kan instellen. Deze bepaling vereist niet dat een verzoeker hinder of nadelen die het gevolg zijn van de bestreden vergunningsbeslissing moet ondervinden. Het volstaat dat hij redelijkerwijze aannemelijk maakt dat er een risico op het ondergaan van de aangevoerde hinder of nadelen van de bestreden vergunningsbeslissing bestaat. Deze bepaling vereist niet dat deze hinder of nadelen of het risico op het ondergaan van deze hinder of nadelen, die het gevolg moeten zijn van de beroepen vergunningsbeslissing, uitsluitend rechtstreeks door een verzoeker -kan of kunnen- worden ondervonden. Het volstaat dat een verzoeker de aangevoerde hinder of nadelen of het risico daarop onrechtstreeks ondervindt of kan ondervinden. Artikel 13 van het RvVb-procedurebesluit bepaalt dat het beroep bij verzoekschrift wordt ingediend. Het toentertijd geldende artikel 56 van het RvVb-procedurebesluit bepaalt dat het verzoekschrift “een omschrijving van het belang van de verzoeker” bevat. VII-40.222-4/8
  14. Het middel gaat terug op de beoordeling door de RvVb van de exceptie van De Ruyver cons. van onontvankelijkheid van het beroep van de heer en mevrouw Hanssens-Daems.
  15. Uit de gegevens van het dossier waarop de Raad van State acht mag slaan, blijkt dat de heer en mevrouw Hanssens-Daems hun belang in het inleidende verzoekschrift steunen op: - “het gegeven dat zij eigenaar zijn van de woning nummer 15, aanpalend aan het voorwerp van de aanvraag”; - de stelling dat zij “door de bestreden beslissing (sloop en aanmerkelijk grotere herbouw) een ernstige aantasting […] vrezen van hun woon- en leefklimaat” door “een verminderde lichtinval en de mogelijkheden tot inkijk”; - de schending van “hun eigendomsrechten alsook de bij notariële akte vastgelegde eeuwigdurende erfdienstbaarheden”; - “een ernstige waardevermindering van hun eigendom”.
  16. Verder blijkt daaruit dat De Ruyver cons. een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep van de heer en mevrouw Hanssens-Daems hebben aangevoerd gesteund op de stelling dat: - “het loutere feit eigenaar te zijn van de links aanpalende woning […] niet volstaat”; - “[d]e ingeroepen afwijkingen van het toepasselijke BPA […] niet het vereiste belang op[leveren] en […] in tegendeel [getuigen] van een actio popularis”; - “de ingeroepen hinderaspecten […] niet zinvol de belangvereiste kunnen inlossen aangezien [de heer en mevrouw Hanssens-Daems] de woning in kwestie zelf niet bewonen en die hinder dus niet persoonlijk is”; - “de ingeroepen waardevermindering […] niet gestaafd wordt en dus ook de belangvereiste niet kan inlossen”; - een procedureel belang niet volstaat; - “er geen recht bestaat op een ongewijzigde omgeving”; - de heer en mevrouw Hanssens-Daems “hun belang aannemelijk moeten maken en dus moeten concretiseren”; VII-40.222-5/8 - de RvVb “geen rekening kan houden met bijsturingen, aanpassingen of uitbreidingen van het belang die reeds in het inleidend verzoekschrift verwoord konden worden”.
  17. Daaruit blijkt nog dat de heer en mevrouw Hanssens-Daems op de exceptie van De Ruyver cons. hebben gerepliceerd dat: - zij “minstens over een procedureel belang beschikken” omdat de deputatie “hun administratief beroep ontvankelijk heeft bevonden”; - de deputatie “hun belang […] impliciet maar zeker erkent”; - zij “als aanpalende eigenaar […] een afdoende persoonlijk en rechtstreeks belang” hebben; - zij “volharden […] in hun uiteenzetting van hun belang zoals opgenomen in het verzoekschrift”.
  18. Het middelonderdeel dat ervan uitgaat dat het in het inleidende verzoekschrift van de heer en mevrouw Hanssens-Daems omschreven belang werd bijgestuurd, aangepast of uitgebreid in de wederantwoordnota, mist feitelijke grondslag.
  19. Het middelonderdeel dat het bestreden arrest niet antwoordt op de kritiek van De Ruyver cons. dat het belang in de wederantwoordnota wordt bijgestuurd, aangepast of uitgebreid, kan niet tot cassatie leiden.
  20. Het bestreden arrest verwerpt de exceptie op grond van volgende overwegingen: - de heer en mevrouw Hanssens-Daems “zijn eigenaar van de, aan het voorgenomen project […] onmiddellijk links aanpalende woning”; - de heer en mevrouw Hanssens-Daems roepen “de aantasting van het woon- en leefklimaat van de woning in, en dus niet van henzelf, nu zij die woning niet zelf bewonen”; - het door hen ingeroepen belang “ontbeert […] niet het vereiste persoonlijke karakter door het enkele gegeven dat zij de woning in kwestie niet zelf bewonen”; VII-40.222-6/8 - zij hebben als eigenaars “wel degelijk belang om een wettigheidstoetsing van de bestreden beslissing uit te lokken” dat “onder meer toegespitst is op de eerbiediging van het toepasselijke bijzonder plan van aanleg” en zij kunnen “als eigenaars hun belang terecht ook koppelen aan een eventuele waardevermindering van hun woning gelet op de eventuele stedenbouwkundige hinder die de toekomstige bewoners daarvan kunnen ondervinden”; - het verzoekschrift van de heer en mevrouw Hanssens-Daems “bestaat […] er verder niet in een recht op een ongewijzigde omgeving te doen gelden als wel een objectieve wettigheidstoets uit te lokken”.
  21. Door aldus te oordelen dat de heer en mevrouw Hanssens-Daems de door hen aangevoerde rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen of het risico daarop kunnen ondervinden als gevolg van de bestreden vergunningsbeslissing, schendt het bestreden arrest het voormelde artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, 3°, VCRO niet.
  22. Het enige middel wordt verworpen. BESLISSING
  23. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  24. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep, begroot op een rolrecht van 400 euro en een bijdrage van 40 euro, elk voor de helft. VII-40.222-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertien december tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.222-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.236 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.