id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.250 Rolnummer: A. 226955/X-17397 Zaak: Arrest 243250 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 14/12/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-12-17 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-24 23:43 Fiche Arrest nr 243.250 van 14 december 2018 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 243.250 van 14 december 2018 in de zaak A. 226.955/X-17.397 In zake :
- Dries VAN LANGENHOVE
- Filip BRUSSELMANS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sander Van Hulle kantoor houdend te 1853 Strombeek-Bever Lakensestraat 41/6 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
- de STAD BRUSSEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marc Uyttendaele kantoor houdend te 1060 Brussel Bronstraat 68 bij wie woonplaats wordt gekozen
- het BRUSSELSE HOOFDSTEDELIJKE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Audrey Baeyens en Bénedicte De Beys kantoor houdend te 1050 Brussel Eugène Flagetplein 18, 5de verdieping bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 14 december 2018, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van: 1° “het Besluit van de Burgemeester van de stad Brussel, dhr. Philippe Close, van ongekende datum waarbij de manifestatie die door verzoekers werd aangevraagd, verboden werd”; 2° de beslissing van de minister-president van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 14 december 2018 ‘houdende verbod van enige betoging en tegenbetoging op het gehele grondgebied van de Brusselse Agglomeratie op zondag 16 december 2018’. X-17.397-1/8 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 december 2018, om 18.30 uur. Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sander Van Hulle, die verschijnt voor de verzoekers, advocaten Jean-François De Bock en Patricia Minsier, die loco advocaat Marc Uyttendaele verschijnen voor de eerste verwerende partij en advocaten Audrey Baeyens en Bénedicte De Beys, die verschijnen voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur-generaal Luc Vermeire heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Eerste verzoeker vraagt op 9 december 2018 aan de stad Brussel de toelating voor een optocht te Brussel, op 16 december 2018, met “Begin en eindpunt aan Brussel-Noord”. Nadat, naar zijn zeggen, de politie suggereerde “om een nieuwe aanvraag in te dienen namens een andere aanvrager, voor een statische manifestatie, op een plek ver weg van Brussel-Noord”, dient tweede verzoeker op 11 december 2018 bij de stad Brussel een aanvraag in voor een statische manifestatie op het Schumanplein op 16 december
- X-17.397-2/8 Op 14 december 2018 verbiedt de minister-president van de Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, met de tweede bestreden beslissing, elke betoging en tegenbetoging op het grondgebied van de Brusselse agglomeratie op 16 december
- Geoordeeld wordt “dat in dit geval een gemeenschappelijk en gecoördineerd standpunt op het niveau van het gehele Brussels Hoofdstedelijk Gewest noodzakelijk is”. IV. Ontvankelijkheid
- Vooralsnog is niet het bestaan gebleken van de eerste bestreden beslissing. In zoverre is de vordering zonder voorwerp en bijgevolg onontvankelijk. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VI. Voorwaarde van een ernstig middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekers leiden een enig middel af “uit de schending van art. 19 Gec.G.W., art. 26 Gec G.W. op zichzelf genomen en samen gelezen met art. 11 EVRM, art. 27 Gec.G.W., art. 2 en 3 Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, het proportionaliteitsbeginsel X-17.397-3/8 en het materieel motiveringsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur, en uit ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag”. Onder meer wordt toegelicht dat verzoekers ten zeerste hebben meegewerkt met de politiediensten, dat zij initieel de bedoeling hadden een optocht te organiseren met als start- en eindpunt Brussel-Noord, maar dat zij maximaal zijn ingegaan op de verzoeken van de politie: “een statische manifestatie is eenvoudiger te beveiligen, blijft ver weg van tegenbetogers en illegalen aan Brussel Noord”. Nog volgens verzoekers verantwoordt de loutere omstandigheid of vrees dat een ernstige verstoring van de openbare orde dreigt door geplande betogingen of tegenbetogingen niet het verbieden van het geplande evenement. Door verzoekers is via de Facebookpagina opgeroepen tot een vreedzame betoging zonder geweld. Waarop de minister-president zich baseert om te oordelen dat verzoekers zouden aanzetten tot geweld en haat is verzoekers een raadsel. Uit de aanvragen blijkt dat zij zelf voor de nodige beveiliging via eigen ordediensten en steward zouden zorgen, en zij hebben er de nadruk op gelegd dat alles gecontroleerd en geweldloos zal verlopen. Beoordeling
- Artikel 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 26 van de Grondwet waarborgen de vrijheid om een zienswijze te openbaren door middel van een betoging, ook als deze zienswijze ongemakkelijk is voor bepaalde mensen of zelfs aanstoot geeft. Die vrijheid is weliswaar niet absoluut en kan aan beperkingen onderworpen worden, onder andere ter handhaving van de openbare rust en veiligheid. De beperkingen moeten echter steunen op draagkrachtige motieven.
- Zoals de Raad van State de motivering in de tweede bestreden beslissing vooralsnog begrijpt, is ze in wezen dubbel. X-17.397-4/8 Eensdeels zijn er de motieven die met de organisator van, en de deelnemers aan, de aangevraagde betoging verband houden: de vrees dat deelnemers aan de mars de migranten en transmigranten in het Maximiliaanpark fysiek willen belagen, dat zij extremistisch zijn en behept met gewelddadige bedoelingen, en dat er zich in de “geviseerde” en als gevoelig te beschouwen wijken mogelijk incidenten kunnen voordoen die “zich over meerdere dagen kunnen spreiden en zich verplaatsen naar naburige gemeenten”. Anderdeels zijn er de motieven die betrekking hebben de dreiging die uitgaat van derden, door het gevaar van een ernstige verstoring van de openbare orde, materiële schade en gewelddadige confrontaties ten gevolge van mogelijke – niet aangevraagde (op één na) – acties van groepen van gewelddadige voetbalsupporters, van tegenbetogers, van groepen die vijandig staan tegenover extreem-rechts, van de ‘Klimaatcoalitie’, en van de “Gele Hesjes”.
- Dat de beoogde statische manifestatie niet vreedzaam is bedoeld, is op het eerste gezicht onterecht, zoals het verslag van het Orgaan voor DreigingsAnalyse van 13 december 2018 (p. 4) lijkt te bevestigen. Voorts blijkt de eerst aangevraagde optocht bij Brussel-Noord, die volgens de tweede bestreden beslissing via de Wetstraat tot aan Brussel-Zuid zou gaan, te zijn ingeruild voor een statische manifestatie op het Schumanplein. Hiermee lijkt de vrees voor belaging in het Maximiliaanpark, voor het aansluiten van groepen bij de mars ter hoogte van de Heizel, het Centraal Station en het Paleis der Natie, en voor de uitbreiding van wanordelijkheden naar delen van het grondgebied van de agglomeratie rond het Noordstation, het Maximiliaanprk en het Zuidstation, achterhaald.
- De loutere omstandigheid of vrees dat een ernstige verstoring dreigt door geplande betogingen en tegenbetogingen naar aanleiding van het geplande evenement, verantwoordt niet het verbieden van dat evenement. X-17.397-5/8 Ten minste in de huidige stand van de procedure wordt aangenomen dat de overheid een inspanningsverplichting heeft om demonstranten in de uitoefening van hun demonstratievrijheid te beschermen. Weliswaar kan een beperking gerechtvaardigd zijn wanneer uit een gedegen risicoanalyse een concrete dreiging blijkt en aannemelijk wordt gemaakt dat die niet door extra politie-inzet kan worden afgewend. Dat een en ander te dezen het geval zou zijn, wordt evenwel niet genoegzaam voor de Raad van State aangetoond, inzonderheid niet door de stukken 2 en 3 van de verwerende partijen die beide lijken uit te gaan van de eerste, en intussen gewijzigde, aanvraag van verzoekers.
- De motieven die in de tweede bestreden beslissing worden aangevoerd, lijken onvoldoende draagkrachtig. Het middel is ernstig. VII. Voorwaarde van een uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van verzoekers
- Verzoekers benadrukken dat de datum van de betoging van essentieel belang is “gelet op de actualiteit van het onderwerp van de betoging en de stemming in de schoot van de Verenigde Naties op 19 december 2018”. De datum van de betoging is 16 december 2018; “eens de datum van 16.12.2018 verstreken is, kan dit niet meer worden hersteld: net omwille van de actualiteit van het onderwerp van de betoging hebben verzoekers verzocht deze te laten plaatsvinden op 16.12.2018”. Beoordeling
- Uit het feitenrelaas wordt afgeleid dat de tweede aanvraag, in verband met de statische manifestatie, in de plaats van de eerste is gekomen. X-17.397-6/8 Blijkens hun aanvragen is de activiteit ingegeven door “de actualiteit en de wens van onze premier om het Migratiepact te tekenen tegen de wil van het volk”. Daarom is “bewust voor 16 december gekozen”; later is de activiteit “niet meer actueel”.
- De keuze van de datum van de actie komt in beginsel de organisator toe. In voorliggend geval hangt die datum samen met de boodschap van de manifestatie. Een schorsing volgens de gewone schorsingsprocedure zou onbetwistbaar te laat komen. In de gegeven omstandigheden doen verzoekers blijken van een uiterst dringende noodzakelijkheid die zich niet laat verenigen met de behandelingstermijn van een gewone vordering tot schorsing, weze het slechts wat de weigering van de tweede aanvraag betreft.
- Ook de tweede schorsingsvoorwaarde is vervuld. Er volgt uit dat de voorliggende vordering gegrond is in de hierna in het dictum bepaalde mate. BESLISSING
- De Raad van State schorst de tenuitvoerlegging van de beslissing van de minister-president van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 14 december 2018 ‘houdende verbod van enige betoging en tegenbetoging op het gehele grondgebied van de Brusselse Agglomeratie op zondag 16 december 2018’, in zoverre dat verbod betrekking heeft op de door Filip Brusselmans op 11 december 2018 aangevraagde statische betoging op het Schumanplein te Brussel.
- De Raad van State verwerpt de vordering voor het overige. X-17.397-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 14 december 2018, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Johan Lust X-17.397-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.250 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.553 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div