← België

Arrest 243251 - Milieuvergunningen - 17/12/2018

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.251 Rolnummer: A. 226845/VII-40446 Zaak: Arrest 243251 - Milieuvergunningen - 17/12/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-12-18 Raadplegingen: 80 - laatst gezien 2026-06-24 23:43 Fiche Arrest nr 243.251 van 17 december 2018 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 243.251 van 17 december 2018 in de zaak A. 226.845/VII-40.446. In zake : Claudine DE CLERCQ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Isabelle Larmuseau, Sofie De Maesschalck en Florence Lobelle kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Isabelle Verhelle kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen : 1. de BVBA VC ENERGY 2. Carlos VAN CROMBRUGGHE VAN LEERNE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc D‟hoore en Gregory Vermaercke kantoor houdend te 8200 Brugge (Sint-Andries) Dirk Martensstraat 23 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 3 december 2018, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw 7 november 2018 waarbij de bestuurlijke beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen 31 juli 2014, houdende het VII-40.446-1/13 verlenen aan Carlos van Crombrugghe van Leerne en de BVBA VC Energy van een vergunning op proef voor het veranderen van een co-vergistingsinstallatie, gelegen aan de Moerstraat 30 te Deinze, gedeeltelijk gegrond worden verklaard. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 december 2018. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sofie De Maesschalck, die verschijnt voor verzoekster, advocaat Isabelle Verhelle, die tevens loco advocaat Steve Ronse verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Gregory Vermaercke, die verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De BVBA VC Energy en Carlos van Crombrugghe van Leerne exploiteren een co-vergistingsinstallatie aan de Moerstraat 30 te Deinze. Daarin wordt dierlijke mest verwerkt, samen met energiegewassen en biologisch-organisch afval. Bij de vergisting komt er biogas vrij, dat wordt verbrand. De warmte daarvan wordt deels aangewend voor de werking van de VII-40.446-2/13 eigen installaties, en deels voor de productie van elektriciteit, die dan weer deels wordt gebruikt door het eigen bedrijf en deels aan het openbaar net wordt geleverd. Het restproduct van de vergisting wordt gedroogd en kan worden gebruikt als bodemverbeterend middel. In de inrichting wordt ook houtafval verbrand; de warmte daarvan wordt eveneens deels aangewend voor de werking van de eigen installaties, en deels voor de productie van elektriciteit. De inrichting is volgens het toepasselijke gewestplan gelegen in een agrarisch gebied. 3.2. De co-vergistingsinstallatie werd vergund bij besluit van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 12 juli 2007. Deze vergunning omvat onder meer de “[o]pslag en verbranding van houtafval bestaande uit een houtkachel (5 MW) met bijhorende opslag van 700 m³ onbehandeld en behandeld niet-verontreinigd hout” (Vlarem indelingsrubriek 2.3.4.1, a), 2°, 1)). Met betrekking tot de exploitatie van de houtkachel wordt de volgende bijzondere vergunningsvoorwaarde opgelegd: “Het is verboden om in de houtkachel ander dan onbehandeld houtafval en niet-gevaarlijk behandeld houtafval te verbranden. Het niet-gevaarlijk behandeld houtafval mag niet afkomstig zijn van activiteiten en/of inrichtingen die zijn ingedeeld onder de volgende hoofdstukken van de afvalstoffenlijst, zoals omschreven in bijlage 1.2.1.B van het Vlaams reglement inzake Afvalvoorkoming en -beheer van 05 december 2003: Hoofdstuk 17: Bouw- en sloopafval (inclusief afgegraven grond van verontreinigde locaties). Hoofdstuk 20: Stedelijk afval (huishoudelijk afval en soortgelijk bedrijfsafval, industrieel afval en afval van instellingen), inclusief gescheiden ingezamelde fracties (Uitgesorteerd niet-gevaarlijk behandeld houtafval, afkomstig van installaties voor afvalbeheer (o.a. sorteerbedrijven zoals Vandewiele Gunther BVBA, Thienpont, Van Gansewinkel, ... ) is dus toegelaten.)”. Op 20 november 2008 verleent de deputatie een vergunning voor de uitbreiding van de opslag van houtafval tot 2.700 m³. 3.3. Bij besluit van 1 april 2010 wordt de verhoging van de VII-40.446-3/13 verbrandingscapaciteit van de installatie tot een inrichting klasse 1 vergund. Tot het voorwerp van deze vergunning behoort onder meer de “[o]pslag en verbranding van houtafval bestaande uit een houtkachel (8,5 MW) met bijhorende opslag van 7.060 m³ onbehandeld en behandeld niet-verontreinigd hout” (Vlarem indelingsrubriek 2.3.4.1, a), 2°,2)). 3.4. Op 16 december 2010 wordt de vergunning opnieuw gewijzigd: de (verplaatste) opslag van houtafval wordt verminderd tot 6.560 m³ en er wordt een verhakselaar met een vermogen van 200 kW toegevoegd. Voortaan zal de exploitant zelf instaan voor de voorbehandeling en het sorteren van een deel van het te verbranden afvalhout. De voorheen in een bijzondere vergunningsvoorwaarde opgelegde beperking inzake de herkomst van het afvalhout wordt daarom gewijzigd: “De bijzondere voorwaarde 29 mbt de houtkachel uit het besluit van 20 november 2008 is enkel nog van toepassing op reeds verhakseld hout dat op de inrichting wordt aangevoerd. Het niet-verhakseld behandeld niet-verontreinigd houtafval kan ook afkomstig zijn van containerparken (bvb Deinze) of andere bestemmingen (aangezien de exploitant zijn eigen opschoning heeft die verder gaat dan de code van goede praktijk)”. 3.5. Met een besluit van 31 mei 2012 verleent de deputatie bij wege van aktename vergunning voor enkele kleine veranderingen, waaronder een vermindering van de opslag van houtafval tot 6.200 m³. 3.6. Verscheidene buurtbewoners dienen klachten in over meerdere vormen van hinder veroorzaakt door de exploitatie. De afdeling Milieu-inspectie stelt na onderzoek onder meer vast dat het te verbranden houtafval behalve ʻniet verontreinigd behandeld houtafvalʼ ook ʻverontreinigd behandeld houtafvalʼ bevat, alsook nog andere afvalstoffen. 3.7. Op 5 december 2013 dient de exploitant een vergunningsaanvraag in voor de verandering van de inrichting. Onder meer beoogt VII-40.446-4/13 hij een vergunning te verkrijgen voor het verbranden van ʻverontreinigd behandeld houtafvalʼ. Bijlage D3 bij de vergunningsaanvraag bevat de volgende toelichting: “[...] Er wordt behandeld niet-verontreinigd houtafval aanvaard en uit de periodieke analyses van het houtafval blijkt dat gemiddeld gezien de voorwaarden van behandeld niet-verontreinigd houtafval opgenomen in artikel 2.3.4.1.

  1. a)2° 2) van Vlarem II kunnen gehaald worden. Af en toe is er echter een piek waar te nemen in de analyseresultaten op een bepaalde parameter die dan bij tegenanalyse wel weer voldoet, maar waarbij dan bvb weer een andere parameter een piekwaarde kan vertonen. Nochtans heeft de exploitant zwaar geïnvesteerd in een opzuivering van het houtafval die verder gaat dan wat de code van goede praktijk voorschrijft. Het houtafval wordt namelijk eerst verhakseld en dan gereinigd door een ferro en non-ferro scheiding. Als laatste stap wordt het verhakseld houtafval nog door een X-ray toestel en een sterrenzeef gestuurd voor een verdere opschoning. Desondanks blijken uit de analyses dus soms pieken. In principe zal er geen ander houtafval aanvaard worden dan momenteel het geval is en de opschoningsinstallatie zal zeker verder geëxploiteerd worden, maar om discussie te vermijden, wordt een aanvraag ingediend voor behandeld verontreinigd (ongevaarlijk) houtafval. […]”. 3.8. Tijdens het openbaar onderzoek worden er 10 bezwaarschriften ingediend, waaronder een petitie met 254 handtekeningen. 3.9. Bij besluit van 31 juli 2014 verleent de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen de gevraagde vergunning voor een termijn van twee jaar op proef. De verbrandingsinstallatie voor houtafval wordt vergund in rubriek 2.3.4.1.
  2. b)“opslag, behandeling en verbranding van verontreinigd behandeld houtafval”. Als bijzondere vergunningsvoorwaarde wordt opgelegd: “Deze bijzondere voorwaarden vervangen de bijzondere voorwaarde 29 uit het besluit van 20 november 2008 en de bijzondere voorwaarde 27 uit het besluit van 16 december 2010: Niet-verhakseld houtafval: - De exploitant dient zijn acceptatiebeleid zodanig uit te voeren dat de aanlevering van vreemd materiaal (o.a. plastiek, stenen, kunststof, gecreosoteerd houtafval (vb treinbielzen), ...) maximaal vermeden wordt. Deze stoorstoffen moeten (indien toch aanwezig) op een milieucorrecte manier opgeslagen en regelmatig afgevoerd worden. - De opschoningsinstallatie heeft niet als doel opgeschoond houtafval te leveren aan derden: het doel van de installatie is houtafval op te schonen VII-40.446-5/13 zodat het verbrand kan worden in de eigen houtafvalverbrandingsinstallatie”. 3.10. Tegen deze beslissing worden verschillende bestuurlijke beroepen ingediend, onder meer door de exploitant en door verzoekster, samen met een aantal andere buurtbewoners. 3.11. Op 30 januari 2015 neemt de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw een beslissing waarbij de gevraagde verandering grotendeels wordt vergund voor een termijn verstrijkend op 11 juli 2027. 3.12. De Raad van State vernietigt deze beslissing bij arrest nr. 241.727 van 7 juni 2018. 3.13. Na herneming van de bestuurlijke beroepsprocedure neemt de verwerende partij op 7 november 2018 de thans bestreden beslissing, waarbij, mits het opleggen van voorwaarden, de milieuvergunning wordt verleend. IV. Tussenkomst 4. Met een op 11 december 2018 ingediend verzoekschrift vragen de BVBA VC Energy en Carlos van Crombrugghe van Leerne om in het geding te mogen tussenkomen. Er is grond om dat verzoek in te willigen. V. De voorwaarden van de vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid 5. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte VII-40.446-6/13 of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunt van de partijen 6. Met betrekking tot de uiterst dringende noodzakelijkheid zet verzoekster het volgende uiteen: “15. Het is vaststaande rechtspraak van uw Raad dat het zeer uitzonderlijk en zeer ongewoon karakter van een UDN-procedure vereist dat met concrete en precieze gegevens wordt aangetoond dat de afhandeling van de gewone schorsingsprocedure onherroepelijk te laat zou komen om de gevreesde nadelige gevolgen van de bestreden beslissing te voorkomen. 16. Welnu, in strijd met het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest nr. 241.727 van 7 juni 2018 heeft de Vlaamse minister opnieuw een milieuvergunning afgeleverd voor de verandering en uitbreiding van de co-vergistingsinstallatie en verbrandingsoven op het perceel aan de Moerstraat 30 te Deinze. En het bijzonder voor wat betreft de verbrandingsoven wordt toelating verleend tot het verbranden van verontreinigd behandeld houtafval, waardoor de exploitatie thans een klasse 1-inrichting vormt. Het staat vast dat deze klasseverhoging aanleiding geeft tot een stijging van de geur-, geluids- en rockhinder in hoofde van de verzoekende partij, dit terwijl haar leefomgeving op heden reeds ernstig overbelast is door de exploitatie van de aanvrager (zie lijst klachten en rechtstreekse dagvaarding, stukken 2, 3 en 4). Merk op dat ook de exploitatie-uren op zaterdag worden verlengd tot 17 uur. 17. In tegenstelling tot bij het vernietigde besluit van 30 januari 2015 heeft de Vlaamse minister nu bovendien uitdrukkelijk de toelating verleend tot het verbranden van „niet-gevaarlijk verontreinigd behandeld houtafval‟ indien foutief aanwezig in de lading „niet verontreinigd behandeld houtafval‟. Niet alleen valt niet in te zien hoe een onderscheid moet worden gemaakt tussen „niet-gevaarlijk verontreinigd behandeld houtafval‟ en „gevaarlijk verontreinigd behandeld houtafval‟, maar is er tevens geen enkele controlemogelijkheid op de hoeveelheid verbrand verontreinigd behandeld houtafval (gevaarlijk én niet-gevaarlijk). Zoals de eerste auditeur-afdelingshoofd reeds in het auditeursverslag heeft uiteengezet is het enige gevolg van de vergunning dat de exploitant wordt vrijgesteld van de geldende sectorale milieuvoorwaarden voor het verbranden van niet-verontreinigd behandeld houtafval, in het bijzonder het controlesysteem van artikel 5.2.3bis.4.8. van VLAREM II. Dit zet de deur open VII-40.446-7/13 voor misbruik, te meer nu de aanvrager over een vergunning beschikt voor het verbranden van „niet-gevaarlijk verontreinigd behandeld houtafval‟. Bovendien wordt ook een vermindering van de frequentie van de emissiemetingen toegestaan van tweemaal per jaar tot éénmaal per twee jaar. Dit is ongehoord voor een exploitatie gelegen in agrarisch gebied én waarvan reeds gekend is dat zij het niet zo nauw neemt met de milieuwetgeving. Bij gebrek aan een controlemaatregel verhindert op heden niets dat de aanvrager overgaat tot de verbranding van aanzienlijke hoeveelheden „niet-gevaarlijk verontreinigd behandeld houtafval‟ dat „foutief‟ aanwezig is bij het niet-verontreinigd houtafval. Dit is zelfs vergund. Door de betwiste vergunningsvoorwaarde kan én mag de aanvrager nu voor de eerste maal legaal verontreinigd houtafval verbranden, en dit zonder enige „echte‟ beperking. De specifieke bewoordingen van de vergunningsvoorwaarde die stellen dat het niet-gevaarlijk verontreinigd houtafval mag verbrand worden „indien foutief aanwezig in het niet-gevaarlijk niet verontreinigd houtafval‟ zijn niet enkel onmogelijk controleerbaar (zowel wat betreft het onderscheid tussen verontreinigd en niet-verontreinigd houtafval als wat betreft het onderscheid tussen gevaarlijk en niet-gevaarlijk houtafval), maar bovendien houdt dit ook geen beperking in qua hoeveelheid to verbranden verontreinigd houtafval. Zelfs indien grote hoeveelheden verontreinigd houtafval „foutief‟ zouden aanwezig zijn bij het aangevoerde niet-verontreinigd houtafval, dan nog kan de aanvrager op basis van de bestreden vergunning dit zonder problemen verbranden. Dit heeft evident ernstige negatieve implicaties op de gezondheid van de verzoekende partij en kan tevens haar woon- en leefkwaliteit ernstig in het gedrang brengen. Het gegeven dat de verzoekende partij (en andere omwonenden) al jaren hinder ondervindt ingevolge de (grotendeels illegale) exploitatie door de aanvrager doet evident geen afbreuk op de uiterst dringende noodzakelijkheid van haar vordering. Door het nu - voor de eerste maal! - expliciet toelaten van het verbranden van verontreinigd houtafval (zonder enig concreet en afdoende controlemechanisme) ontstaat er in haar hoofde een zeer ernstig gezondheidsrisico. Ook zal zij ernstige geur- en lawaaioverlast kunnen ondervinden specifiek door deze verregaande verbrandingsactiviteiten ingevolge de bestreden beslissing. Vanuit die optiek zal een „gewone‟ schorsing ook te laat komen, aangezien de aanvrager in afwachting van een uitspraak over dergelijk schorsingsverzoek ondertussen al maanden verontreinigd houtafval kan verbranden op basis van de bestreden beslissing. Het aangevoerde ernstige nadeel zal zich onmiddellijk kunnen manifesteren en zal dan ook onmiddellijk de gezondheid en woonkwaliteit van de verzoekende partij in het gevaar brengen. 18. Gelet op de ernst van de gevreesde hinder en de aanzienlijke gezondheidsschade kan de afhandeling van de gewone schorsingsprocedure niet worden afgewacht. Het verbranden van verontreinigd behandeld houtafval in de verbrandingsoven geeft aanleiding tot hinderaspecten die de woonkwaliteit, alsook de gezondheid van de verzoekende partij ernstig in het gedrang brengen. Het betreft een aangelegenheid die betrekking heeft op het grondwettelijk gewaarborgd recht op gezondheid (artikel 23, lid 3, 4° Grondwet)”. VII-40.446-8/13 7. De verwerende partij stelt daar het volgende tegenover: “[…] In eerste instantie werd reeds bij Ministerieel besluit van 30 januari 2015 de uitbreiding met „de opslag, behandeling en verbranding van ongevaarlijk verontreinigd behandeld houtafval‟ toegekend. Dit M.B. werd niet aangevochten met een UDN- of schorsingsprocedure. Enkel een vernietigingsverzoek is gevolgd. Verzoekende partij achtte het alsdan niet noodzakelijk om een UDN-procedure te starten zodat zij minstens op dit punt niet diligent is opgetreden. Het (vage) nadeel diende toentertijd alvast niet stante pede te worden opgevangen. Verzoekende partij verklaart niet waarom dit thans wel het geval zou moeten zijn. […] Verzoekende partij laat tenslotte na aan te duiden welke onherroepelijke of zwaarwichtige schadelijke gevolgen het verbranden van het niet-gevaarlijk verontreinigd behandeld houtafval met zich zal meebrengen voor haar individueel, waardoor zij in haar psychische en fysieke integriteit zou worden getroffen. Dit is nochtans een vereiste in huidige uitzonderlijke procedure, waarbij de verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aantoont dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien zij pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen. Verzoekende partij spreekt enkel heel algemeen over „gezondheid‟ en haar „woon- en leefkwaliteit‟. Een directe link wordt zelfs niet gelegd. […] Zelfs indien verzoekende partij aannemelijk zou kunnen maken dat de hinder van die aard is dat zij niet de uitkomst van een annulatieprocedure kan afwachten, toont zij niet aan waarom een schorsing volgens de gewone procedure haar geen soelaas kan bieden en waarom zij de korte periode die de uitspraak in een gewone schorsingsprocedure voorafgaat, niet zonder onherstelbare of ingrijpende schade kan overbruggen. Verzoekende partij slaagt er niet in om aan te tonen dat de aangevoerde (algemene) nadelen (gezondheid, woon- en leefkwaliteit) dermate onherstelbaar zijn waardoor een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid zich opdringt”. 8. De tussenkomende partijen stellen van hun kant: “[…] Tot slot dient vastgesteld te worden dat de verzoekende partij [geenszins] VII-40.446-9/13 overtuigt in de verstrekte argumentatie omtrent de (potentiële) nadelige gevolgen. De verzoekende partij beperkt zich hierbij tot een loutere opsomming van een aantal zaken zonder deze gevolgen voor haar persoonlijk, concreet en afdoende te omschrijven (en op zijn minst aannemelijk te maken). De verzoekende partij beperkt zich tot enkele vage omschrijvingen en toelichtingen waarbij louter geponeerd wordt dat er sprake zou zijn van geur-, geluids- en rookhinder, alsook dat het woon- en leefklimaat in het gedrang gebracht zou worden. Dit wordt verder op geen enkele manier concreet gespecifieerd en/of toegelicht, laat staan dat de verzoekende partij aannemelijk maakt dat dit voor haar persoonlijk een nadelig effect zou kunnen veroorzaken. Veelbetekenend in dit kader is overigens de vaststelling dat de verzoekende partij in hun stukken „ter staving van de hinder‟ niet verder geraakt dan een verwijzing naar loutere klachten die hoofdzakelijk reeds dateren van 2012 - 2015: we zijn intussen wel eind 2018, los van het gegeven dat deze klachten wel degelijk betwist werden door verzoekers in tussenkomst: huidige procedure vormt hiervoor evenwel niet het forum. Ten onrechte stellen de verzoekende partijen dat het controlemechanisme met samenstellingsvoorwaarden, zoals opgenomen in artikel 5.2.3bis.4.8 van VLAREM II, niet langer van toepassing zou zijn, waardoor de poort naar misbruiken open zou staan. […]”. Beoordeling 9. De toepassing van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid brengt een ernstige verstoring teweeg in het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, beperkt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en brengt de uitoefening van de rechten van de verdediging van de verwerende partij(
  3. en)aanzienlijk in het gedrang. Daarom moet de aanwending van die procedure zeer uitzonderlijk blijven, in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, ofwel door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Dit laatste impliceert dat de verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aantoont dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien zij pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen. VII-40.446-10/13 De verzoekende partij moet op heldere en overtuigende wijze de feiten en omstandigheden, die aantonen dat de zaak niet verenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing uiteenzetten, ze aannemelijk maken en ze in de tijd situeren. Er kan van uiterst dringende noodzakelijkheid slechts sprake zijn wanneer er een “dreigend gevaar” bestaat voor de afwending waarvan de gewone schorsingsprocedure te laat zou komen. Te dezen brengt verzoekster geen concrete elementen aan die wijzen op dergelijk dreigend gevaar, noch op de onmogelijkheid om deze door middel van een “gewone” vordering tot schorsing te verhelpen. De voorwaarde van het uiterst dringende karakter moet afzonderlijk worden onderzocht. De onwettigheden die tegen het bestreden besluit worden aangevoerd kunnen op zich geen reden zijn om het bestaan van deze voorwaarde te aanvaarden. 10. Er is bijgevolg niet voldaan aan een van de voorwaarden van artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dit volstaat om de vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid te verwerpen zonder dat het nodig is de door de tussenkomende partijen opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie te onderzoeken. 11. Aangezien de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering niet is aangetoond, vervalt ook de noodzaak om uitspaak te doen over het verzoek van de tussenkomende partijen om over te gaan tot een afweging van de bij de zaak betrokken belangen. 12. De vordering van verzoekster tot het opleggen van een bevel en een dwangsom wordt, als accessorium van de vordering tot schorsing, eveneens verworpen. VII-40.446-11/13 VI. Rechtsplegingsvergoeding 13. Aangezien het verzoekschrift niet het opschrift “verzoekschrift tot nietigverklaring” draagt, noch in het beschikkend gedeelte ervan de nietigverklaring van de bestreden beslissing wordt gevorderd, is er op grond van de artikelen 67, §§ 1 en 2, en 68, laatste lid, van de algemene procedureregeling reden om aan de verwerende partij een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro toe te kennen. BESLISSING 1. Het verzoek van de BVBA VC Energy en Carlos van Crombrugghe van Leerne tot tussenkomst wordt ingewilligd. 2. De Raad van State verwerpt de vordering. 3. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij. De tussenkomende partijen wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 300 euro, elk voor de helft. VII-40.446-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien december tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.446-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.251 Gerelateerde publicatie(
  4. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.588 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.