← België

Arrest 243255 - Milieuvergunningen - 18/12/2018

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.255 Rolnummer: A. 225280/VII-40282 Zaak: Arrest 243255 - Milieuvergunningen - 18/12/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-12-27 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-24 23:44 Fiche Arrest nr 243.255 van 18 december 2018 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 243.255 van 18 december 2018 in de zaak A. 225.280/VII-40.

  1. In zake :
  2. Willem VANDEWEYER
  3. Theo JORIS
  4. Johan NEL
  5. Goedele EYCKMANS
  6. de VZW NATUURPUNT OOST-BRABANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter De Smedt en Charlotte Ponchaut kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : Ivan MOONEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Mertens kantoor houdend te 3580 Beringen Paalsesteenweg 81 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  7. De vordering, ingesteld op 24 mei 2018, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 15 maart 2018 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van VII-40.282-1/7 17 augustus 2017, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan Ivan Moonen voor het exploiteren van een pluimveebedrijf, gelegen aan de Kriekelswarande te Diest, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. II. Verloop van de rechtspleging
  8. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 december
  9. Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht. Advocaat Charlotte Ponchaut, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Veerle Huysman, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Wim Mertens, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  10. VII-40.282-2/7 III. Feiten 3.
  11. Op 7 februari 2017 dient Ivan Moonen een milieuvergunningsaanvraag in voor de exploitatie van een pluimveehouderij met 81.312 kippen, gelegen aan de Kriekelswarande te Diest, gelegen in “herbevestigd agrarisch gebied” volgens het gewestplan Aarschot-Diest. 3.
  12. Tijdens het openbaar onderzoek worden 264 bezwaarschriften ingediend. 3.
  13. Bij besluit van 17 augustus 2017 verleent de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant de gevraagde vergunning onder voorwaarden. 3.
  14. Tegen dit besluit stellen onder meer de verzoekende partijen bestuurlijk beroep in bij de Vlaamse minister bevoegd voor Leefmilieu. 3.
  15. Na de nodige adviezen te hebben ingewonnen, verklaart de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw met een besluit van 15 maart 2018 het beroep ongegrond en wordt de milieuvergunning bevestigd. IV. Tussenkomst
  16. Met een op 15 juni 2018 ter post aangetekend verzoekschrift vraagt Ivan Moonen om in het geding te mogen tussenkomen. Er is grond om dat verzoek in te willigen. V. Ontvankelijkheid van de vordering
  17. De tussenkomende partij betwist de ontvankelijkheid van het verzoekschrift ratione temporis. VII-40.282-3/7
  18. Er bestaat vooralsnog geen noodzaak om over de opgeworpen exceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over deze exceptie dringt zich immers slechts op indien zou blijken dat de grondvoorwaarden voor schorsing vervuld zijn. Zoals hierna zal blijken, is dit niet het geval. VI. Onderzoek van de vordering
  19. Luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van het besluit prima facie kan verantwoorden. Spoedeisendheid
  20. Aangaande de spoedeisendheid van hun vordering zetten de verzoekende partijen het volgende uiteen. De gekoppelde stedenbouwkundige vergunning werd verleend op 29 mei 2017 wat betekent dat de exploitant thans kan starten met het bouwen en exploiteren van de kippenkwekerij. Eens het gebouw is gerealiseerd, is het vorderen van een afbraak ervan eerder onrealistisch, ook al wordt de vergunning naderhand vernietigd. Voorts zal de bestreden beslissing onomkeerbare schade veroorzaken aan de verzoekende partijen, zowel op het vlak van hun woon- en leefklimaat als ten opzichte van de natuurwaarden. Zij zetten in het verzoekschrift uitvoerig uiteen dat de inplanting van de pluimveehouderij en de ermee gepaard gaande exploitatie een onaanvaardbare impact zal hebben op de leefomgeving van de verzoekende partijen sub 1 tot 4, en op de gebieden die tot het werkingsgebied van de verzoekende partij sub 5 behoren. VII-40.282-4/7 Beoordeling
  21. Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die concreet aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een -voortdurende- tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012 - 13, nr. 5-2277/1, 13). Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012 - 13, nr. 5-2277/1, 4). Uit wat voorafgaat volgt dat het niet volstaat te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht. VII-40.282-5/7
  22. Uit de uiteenzetting in het verzoekschrift kan worden afgeleid dat de bouwwerkzaamheden actueel nog niet gestart zijn en de daadwerkelijke exploitatie van de inrichting ook nog niet nakende is. Meer zelfs, de raadsman van de tussenkomende partij bevestigt ter zitting dat, ook al is de overeenstemmende stedenbouwkundige vergunning definitief geworden, zij zal blijven wachten tot er ook definitief uitsluitsel is over de milieuvergunning. Het gegeven op zich dat de uitspraak in de annulatieprocedure te laat zou kunnen komen aangezien de oprichting van de stal op zeer korte termijn kan worden uitgevoerd, is geen doorslaggevend argument nu een vordering tot schorsing op elk moment van de procedure kan worden ingesteld, indien zich nieuwe elementen voordoen. De verzoekende partijen maken om die redenen in de huidige stand van de procedure niet aannemelijk dat er, lopende de duur van de annulatieprocedure, onherroepelijke schadelijke gevolgen tot stand zullen komen die slechts kunnen worden vermeden mits het thans schorsen van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. De zaak is niet spoedeisend.
  23. Er is bijgevolg niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. Deze vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. VII-40.282-6/7 VII. Kosten
  24. De bijdrage in de betaling van de kosten, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding, wordt bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring. BESLISSING
  25. Het verzoek van Ivan Moonen tot tussenkomst wordt ingewilligd.
  26. De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien december tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Partricia De Somere, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Patricia De Somere VII-40.282-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.255 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.185 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.