← België

Arrest 243260 - Politie - 18/12/2018

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.260 Rolnummer: A. 225382/XIV-37738 Zaak: Arrest 243260 - Politie - 18/12/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-12-27 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-24 23:46 Fiche Arrest nr 243.260 van 18 december 2018 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 243.260 van 18 december 2018 in de zaak A. 225.382/XIV-37.738 In zake : Jeroen BEUSELINCK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen De Puydt kantoor houdend te 1000 Brussel Wolvengracht 38/2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/JUR gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145/A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 4 juni 2018, strekt tot de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging van: - “[d]e beslissing tot toepassing van de correctiecoëfficiënt van 1,3605 zoals toegepast t.a.v. alle behaalde scores zoals goedgekeurd door het kabinet Binnenlandse zaken en waarnaar verwezen in de e-mail van [HCP T. D.] aan [verzoeker] op 25/05/2018 en waarvan voor het eerst kennis genomen op 25 mei 2018”; en - “[d]e beslissing van de Nationale Politieacademie (ANPA) dd. 6 april 2018, medegedeeld aan [verzoeker] bij aangetekende brief van 06 april 2018 en door hem ontvangen op 09 april 2018, waarbij [verzoeker] niet geslaagd wordt verklaard voor de kennisproef georganiseerd in het kader van de selectieproef zoals bepaald in artikel 11 van het Koninklijk Besluit van 12 oktober 2006, gewijzigd door het Koninklijk Besluit van 09 oktober 2017 bepalend voor het XIV-37.738-1/13 directiebrevet vereist voor de promotie naar de graad van hoofdcommissaris en uitgesloten wordt van de verdere selectieprocedure tot toelating van deze promotieopleiding.”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. Verzoeker heeft gevraagd om toepassing te maken van de artikelen 35/1 en 36, § 1, derde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. Met toepassing van artikel 90, § 1, vierde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is de zaak verwezen naar een kamer met drie leden. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 november
  4. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. XIV-37.738-2/13 Advocaat Frederik De Winne, die loco advocaat Koen De Puydt verschijnt voor verzoeker en adviseurs Ruben Goosens en Jana Mouton, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Verzoeker is sinds 1 juni 2007 als commissaris van politie werkzaam bij de lokale politiezone Ukkel - Watermaal-Bosvoorde - Oudergem

(5342). 3.
  1. Op 6 december 2017 verklaart de Federale Politie, Algemene Directie van het Middelenbeheer en de Informatie - Directie van het Personeel - Dienst Loopbaanbeheer, met haar tijdelijke nota DGR/DRP.P/DPPI/A - 2017/20668, 57 plaatsen vacant voor Nederlandstalige kandidaten voor de promotieopleiding tot hoofdcommissaris van politie (HCP). Er worden tevens 42 plaatsen vacant gesteld voor de kandidaten van de Franstalige taalrol en 1 voor de Duitstalige kandidaten. De regels waaraan deze promotieopleiding is onderworpen zijn opgenomen in het koninklijk besluit van 12 oktober 2006 ‘tot bepaling voor het directiebrevet vereist voor de promotie naar de graad van hoofdcommissaris’ (hierna: het koninklijk besluit van 12 oktober 2006), zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 9 oktober 2017 ‘tot wijziging van verschillende teksten inzake bevordering tot de graad van hoofdcommissaris van politie’ (hierna: het wijzigingsbesluit van 9 oktober 2017). XIV-37.738-3/13 3.
  2. Op 1 februari 2018 stelt verzoeker zich kandidaat voor deelname aan de selectieproef voor de promotieopleiding HCP. Dezelfde dag bevestigt de Directie van het Personeel - Dienst Loopbaanbeheer van Federale Politie zijn inschrijving. Verzoeker neemt op 27 februari 2018 aan de kennisproef deel en met een schrijven van 6 april 2018 deelt de directrice van de Directie van het Personeel hem mee dat hij, na de toepassing van een correctiecoëfficiënt, een score van 86,73/150 heeft behaald op de kennisproef, dat verzoeker dus niet is geslaagd (vermits hij niet de bij artikel 12 van het in 3.2 genoemde koninklijk besluit van 12 oktober 2006 vereiste 60% heeft behaald), dat hij derhalve niet wordt uitgenodigd voor de volgende proeven en dat zijn kandidatuur niet meer in aanmerking kan worden genomen. Dit is de tweede bestreden beslissing. 3.
  3. Nadat verzoeker bijkomende informatie had gevraagd, onder meer over de toegepaste correctiecoëfficiënt, wordt hem op 25 april en 25 mei 2018 bij e-mail meegedeeld dat een correctiecoëfficiënt werd gehanteerd. Het administratief dossier bevat een nota van de directeur van de Nationale Politieacademie van 4 april 2018, gericht aan de voorzitter van de jury, waarin verduidelijking wordt gegeven over de correctiecoëfficiënt. Daaruit blijkt dat oorspronkelijk slechts 10 Franstalige en 13 Nederlandstalige kandidaten geslaagd waren (terwijl er respectievelijk 42 en 57 plaatsen vacant waren), en dat om de in die nota opgegeven redenen “werd beslist” de correctiecoëfficiënt van 1,3605, die bekomen werd door het best behaalde resultaat (73,5 % - door een Franstalige kandidaat) gelijk te stellen met 100 %, toe te passen. Dit is de eerste bestreden beslissing. XIV-37.738-4/13 3.
  4. Met een schrijven van 25 juni 2018 wordt verzoeker er door de directrice van de Directie van het Personeel van in kennis gesteld dat de tweede bestreden beslissing wordt ingetrokken. Er wordt in die brief aan toegevoegd dat er “zo snel mogelijk een nieuwe beslissing [zal] worden genomen die u vervolgens onverwijld ter kennis zal worden gebracht”. 3.
  5. Met een op 25 september 2018 ondertekende interne nota beslist de directrice van de Directie van het Personeel om voor de kennisproef in het raam van de selectieprocedure voor de toelating tot de promotieopleiding HCP toepassing te maken van een correctiecoëfficiënt van 1,
  6. In die interne nota stelt zij nog dat deze beslissing kadert in haar bevoegdheid op basis van artikel 4, eerste lid, 3° van het genoemde koninklijk besluit van 12 oktober
  7. Die nota luidt: “Gelet op het feit dat het aantal geslaagde kandidaten voor de kennisproef in het raam van de selectieprocedure voor de toelating tot de promotieopleiding HCP veel lager lag dan de door de minister goedgekeurde kaderbehoefte, beslis ik om voor die proef toepassing te maken van een correctiecoëfficiënt van 1,3605 zodat het resultaat van de best gerangschikte kandidaat (73,5%) overeenkomt met 100%. Deze coëfficiënt wordt toegepast op alle resultaten. Deze beslissing kadert in mijn bevoegdheid op basis van artikel 4, eerste lid, 3°, van het KB Directiebrevet. ADV [I. C.] Directeur van de Directie van het Personeel”. 3.
  8. Op 1 oktober 2018 wordt, na intrekking van de tweede bestreden beslissing, aan verzoeker zijn score, vraag per vraag, voor de kennisproef die hij heeft afgelegd op 27 februari 2018 meegedeeld. Hij behaalde een totaal van 63,75/150 wat, na toepassing van de correctiecoëfficiënt bedoeld in punt 3.
  9. leidt tot een score van 86,73/150, hetzij een totaal van 57, 82/100 en dus niet de vereiste 60%. Aan verzoeker wordt tevens meegedeeld dat hij geen laureaat is van de kennisproef en niet wordt uitgenodigd voor het verder verloop van de procedure. 3.
  10. Tegen de eerste bestreden beslissing is op 7 juni 2018 nog een beroep tot nietigverklaring en schorsing van de tenuitvoerlegging ervan ingediend. Die zaak is bij de Raad van State gekend onder het nummer XIV-37.738-5/13 A. 225.417/XIV-37.
  11. In die zaak wordt heden eveneens een arrest uitgesproken. IV. Het voorwerp van het beroep
  12. In haar nota werpt de verwerende partij op dat het verzoek tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring geen voorwerp meer heeft in zoverre het tegen de tweede bestreden beslissing is gericht, vermits deze is ingetrokken.
  13. Aangezien de tweede bestreden beslissing op 25 juni 2018 werd ingetrokken (zie punt 3.5.), moet zij worden geacht nooit te hebben bestaan, en heeft het beroep tot nietigverklaring, wat die beslissing betreft, geen voorwerp meer, zodat dit beroep wat die beslissing betreft, niet-ontvankelijk is. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden hierna nog enkel beoordeeld wat de eerste bestreden beslissing betreft, die verder wordt aangeduid als de bestreden beslissing. V. Ontvankelijkheid Standpunt van de partijen
  14. In haar nota zet de verwerende partij uiteen dat verzoeker geen belang heeft bij het aanvechten van de bestreden beslissing. Zij meent vooreerst dat door de intrekking van de in punt 3.
  15. bedoelde beslissing er, tot er een nieuwe beslissing is genomen, voor verzoeker geen resultaat voorhanden is aangaande zijn kennisproef waarop de correctiecoëfficiënt kan worden toegepast zodat de vernietiging van de correctiecoëfficiënt verzoeker geen voordeel kan opleveren. Zelfs indien er een beslissing aangaande het door verzoeker behaalde resultaat voor de kennisproef zou bestaan (lees: wat inmiddels het geval is (cfr. punt 3.7.)), dan nog heeft verzoeker geen belang bij de vernietiging van de correctiecoëfficiënt aangezien, zonder correctiecoëfficiënt, verzoeker 42,5% XIV-37.738-6/13 behaalt terwijl hij 60% moet behalen. De vernietiging van de correctiecoëfficiënt kan verzoeker derhalve geen voordeel opleveren. Zelfs indien de gehanteerde correctiecoëfficiënt per taalgroep zou worden toegepast (wat langs Nederlands- talige kant een correctiecoëfficiënt van 1,383 zou inhouden), zou verzoeker nog niet de vereiste 60% behalen. Hij zou een score behalen van 88,17 op 150 (i.p.v. de vereiste 90/150), wat onvoldoende is.
  16. Verzoeker zet ter terechtzitting uiteen dat zijn belang bij de schorsing van de tenuitvoerlegging en de nietigverklaring van de bestreden beslissing “evident” is. Verzoeker heeft op 4 oktober 2018 een nieuwe beslissing ontvangen die hetzelfde resultaat herneemt als de (ingetrokken) beslissing van 6 april 2018 waarbij nog steeds gebruik wordt gemaakt van dezelfde arbitraire correctiecoëfficiënt. Verzoeker die “nipt niet geslaagd was na hantering van de arbitraire correctiecoëfficiënt” lijdt ernstig nadeel ten aanzien van personen die evenmin waren geslaagd maar dat dan plots wel waren door deze onwettige beslissing en die verder wel de cyclus konden doorlopen. Verzoeker zet uiteen dat de vernietiging van de bestreden beslissing “impliceert dat de rechtsgevolgen van deze beslissing doorwerken t.a.v. alle niet-geslaagden dewelke na toepassing van de correctie plots wel geslaagd waren”. Dit betekent niet minder dan dat alle kandidaten die slechts na toepassing van de correctiefactor 60% haalden, niet meer kunnen worden weerhouden bij de verdere procedure en cyclus. Dit betekent dat niet 53 maar slechts 13 Nederlandstalige kandidaten zullen geslaagd zijn voor de kennisproef terwijl de behoefte langs Nederlandstalige kant is vastgelegd op 57 kandidaten tot deelname aan de promotieopleiding HCP. In dat geval dient een nieuwe bijkomende promotieopleiding te worden georganiseerd en dus een nieuwe cyclus waarbij verzoeker een nieuwe kans maakt. Daartoe strekt ook de door hem gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Daarnaast wijst verzoeker erop dat hij, net als alle andere kandidaten in de selectieprocedure, krachtens artikel 35 van het wijzigingsbesluit van 9 oktober 2017 thans nog is vrijgesteld van het vereiste bedoeld in artikel 5, XIV-37.738-7/13 3°, van het koninklijk besluit van 12 oktober
  17. Vanaf 1 januari 2023 evenwel zal hij als lid van de lokale politie tenminste gedurende zes maanden een betrekking van commissaris van politie binnen de federale politie moeten hebben uitgeoefend wat concreet betekent dat hij de functies die hij thans uitoefent bij de lokale politie, al dan niet tijdelijk, moet verlaten om in de toekomst aan de selectievoorwaarden te kunnen voldoen, wat een bijkomend nadeel is. Tot slot meent verzoeker dat hij zich kan beroepen op een belang dat van morele en sociale aard is. Het feit dat hij niet is geslaagd, tast zijn reputatie aan terwijl de heropgeviste kandidaten evenmin geslaagd waren. Verzoeker zal ten onrechte met hen worden vergeleken als zijnde ongeschikt terwijl de heropgeviste kandidaten dat evenzo zijn. “Ongeschikt is ongeschikt”, door deze handelwijze wordt een gradatie gegeven aan ongeschiktheid wat ontoelaatbaar is. Beoordeling
  18. De bestreden beslissing tot toepassing op alle scores van een correctiecoëfficiënt werd inmiddels vervangen door een nieuwe beslissing die uitgaat van de directrice van de Directie van het Personeel van 25 september 2018 die zich daartoe uitdrukkelijk beroept op de haar op grond van artikel 4, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit van 12 oktober 2006 toekomende bevoegdheid. De genoemde bepaling voorziet erin dat ten minste vier maanden vóór de organisatie van de promotieopleiding HCP de algemene directie een oproep tot kandidaatstelling voor de promotieopleiding HCP doet met vermelding van het selectie- en opleidingsreglement, opgesteld door de directeur van de directie van het personeel van de federale politie of het door hem aangewezen personeelslid en goedgekeurd door het coördinatiecomité van de geïntegreerde politie. Op de terechtzitting licht de verwerende partij toe dat met de nieuwe beslissing van 25 september 2018 inzake de toepassing van een correctiefcoëfficiënt wordt beoogd tegemoet te komen aan het auditoraatsverslag XIV-37.738-8/13 waarin ambtshalve werd vastgesteld dat geen bewijs voorligt dat de bestreden beslissing werd genomen door de daartoe bevoegde overheid.
  19. Met de nieuwe beslissing van de directrice van de Directie van het Personeel van 25 september 2018 wordt de bestreden beslissing, minstens impliciet, opgeheven zodat deze verzoeker in de toekomst alvast geen nadeel (meer) kan berokkenen. Voorts stelt de Raad van State vast dat de bestreden beslissing hem evenmin nadeel heeft berokkend of kunnen berokkenen wat zijn persoonlijke score betreft aangezien de in punt 3.
  20. genoemde beslissing, werd ingetrokken. De bestreden beslissing is immers op de door verzoeker behaalde resultaten voor de kennisproef niet toegepast. Daaraan wordt geen afbreuk gedaan door de vaststelling dat de directrice van de Directie van het Personeel op 25 september 2018 heeft beslist om dezelfde correctiecoëfficiënt toe te passen. Of de door de directrice op 25 september 2018 genomen beslissing tot toepassing van dezelfde correctiecoëfficiënt van 1,3605 al dan niet wettig is, maakt immers niet het voorwerp uit van het voorliggende beroep tot nietigverklaring net zomin als de in punt 3.
  21. genoemde nieuwe beslissing van 4 oktober 2018 die, na toepassing van de in de beslissing van 25 september 2018 genoemde correctiecoëfficiënt, besluit tot eenzelfde individueel resultaat in hoofde van verzoeker als in de (inmiddels ingetrokken) beslissing vernoemd in punt 3.
  22. In de mate verzoeker nog voorhoudt dat de bestreden beslissing hem nadeel berokkent omdat de “heropgeviste” kandidaten, te weten deze die na toepassing van de bestreden beslissing alsnog zijn geslaagd verklaard voor de kennisproef wat er volgens verzoeker toe leidt dat - bovenop de 13 kandidaten die ook zonder correctiecoëfficiënt de vereiste 60% behaalden - onterecht nog 40 kandidaten zijn toegelaten tot de promotieopleiding, gaat verzoeker eraan voorbij dat hij die individuele voorbeslissingen met een voor hem zoals hij zelf uiteenzet, onmiddellijk grievend en definitief rechtsgevolg, niet tijdig met een schorsings- of annulatieberoep heeft bestreden. Die vaststelling belet verzoeker weliswaar niet om alsnog in het kader van een vernietigingsberoep dat is gericht tegen de uiteindelijke promotiebeslissingen, de wettigheid van die voorbeslissingen te XIV-37.738-9/13 betwisten en om de Raad van State alsdan te verzoeken om die - per hypothese onwettige - toelatingsbeslissingen als onderdeel van een complexe administra- tieve rechtshandeling buiten toepassing te laten. Echter het door hem met het voorliggende beroep beoogde voordeel, te weten dat slechts 13 (en niet 53) kandidaten mochten worden toegelaten tot de huidige promotieopleiding en dat in die veronderstelling een nieuwe bijkomende promotieopleiding moet worden georganiseerd om aan de personeelsbehoeften te voldoen, kan hij met het voorliggende beroep tot nietigverklaring niet bekomen. Hetzelfde geldt voor het door hem ingeroepen belang “van morele en sociale aard” dat ertoe zou moeten leiden dat ook de 40 kandidaten die slechts na toepassing van de correctie- coëfficiënt tot de promotieopleiding werden toegelaten, ongeschikt hadden moeten worden bevonden en, derhalve, niet mochten worden toegelaten tot de huidige promotiecyclus. Om dat voordeel te bereiken had hij hetzij de vernietiging (en schorsing van de tenuitvoerlegging) van de voorbeslissingen om die 40 kandidaten te selecteren, moeten benaarstigen, wat hij niet heeft gedaan; hetzij dient hij de finale promotiebeslissingen (succesvol) te bestrijden, wat vooralsnog niet aan de orde is.
  23. In zoverre verzoeker voor het overige nog meent een belang te kunnen ontlenen aan het gegeven dat de bestreden beslissing moet worden vernietigd omdat de beslissing om een correctiecoëfficiënt, welke ook, toe te passen, strijdt met artikel 12 van het koninklijk besluit van 12 oktober 2006 zoals het werd gewijzigd door het wijzigingsbesluit van 9 oktober 2017, kan hij evenmin enig voordeel behalen uit de vernietiging van die beslissing op zichzelf genomen. Immers niet alleen behaalt hij in dat geval evenmin de vereiste 60% voor de kennisproef zodat hij ongeschikt blijft.
  24. Conclusie is dat de door de verwerende partij opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid wegens gebrek aan belang wat de bestreden beslissing betreft, moet worden bijgevallen. XIV-37.738-10/13 Het beroep tot nietigverklaring gericht tegen de (lees: tweede) bestreden beslissing is niet-ontvankelijk . VI. Toepassing korte debattenprocedure - Vordering tot schorsing
  25. De zaak kan met korte debatten een oplossing krijgen zodat er grond is om toepassing te maken van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Er is bijgevolg geen grond meer om uitspraak te doen over de vordering tot schorsing. VII. Toepassing van artikel 35/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State
  26. Bij de betekening van het auditoraatsverslag aan verzoeker is melding gemaakt van de inhoud van artikel 93 van de algemene procedureregeling. Verzoeker werd er op gewezen dat hij binnen de vijftien dagen na de kennisgeving van dat verslag kan vragen om artikel 35/1, artikel 36, §1, eerste lid, eerste zin, of artikel 36, §1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State toe te passen. Op 4 oktober 2018 dient verzoeker overeenkomstig artikel 93, derde lid, van de algemene procedureregeling, een verzoekschrift in tot toepassing van de artikelen 35/1 en 36, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dit verzoekschrift strekt ertoe de Raad van State te verzoeken om, eensdeels, in toepassing van artikel 35/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State “over te gaan tot het nemen van de gepaste maatregelen om de onwettigheid van de eerste bestreden beslissing die heeft geleid tot de nietigverklaring te verhelpen en specifiek op te leggen dat de beslissing tot toepassing van een correctiecoëfficiënt niet meer kan worden genomen gelet op XIV-37.738-11/13 de vast te stellen onwettigheid van het gebruik van een correctiecoëfficiënt” en, anderdeels, in toepassing van artikel 36, § 1, derde lid, van diezelfde wetten “aan de verwerende partij te bevelen tot een onthoudingsverplichting inzake de toepassing van de correctiecoëfficiënt bij de beoordeling van de kennisproef (cfr. beslissing dd. 25 september 2018)”. Beoordeling
  27. Nu hiervoor is gebleken dat het door verzoeker ingestelde beroep niet tot nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden bij gebrek aan het in zijn hoofde vereiste belang, is zijn verzoekschrift tot toepassing van de artikelen 35/1 en 36, §1, derde lid, zonder voorwerp komen te vallen, daargelaten nog de vaststelling dat de bestreden beslissing inmiddels niet alleen is opgeheven maar dat ook reeds, zoals verzoeker in zijn in punt 14 genoemde verzoekschrift zelf te kennen geeft, een nieuwe beslissing van 25 september 2018 is genomen houdende toepassing van een correctiecoëfficiënt op alle scores, beslissing die uitgaat van een andere instantie dan de bestreden beslissing en waarvan de verzoeker de nietigverklaring (vooralsnog) niet benaarstigt. Het komt de Raad van State niet toe om op grond van artikel 36, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten de toepassing te verbieden van een bestuurshandeling waarvan een verzoeker de nietigverklaring niet vraagt. BESLISSING
  28. De Raad van State verwerpt het beroep.
  29. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
  30. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. XIV-37.738-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien december tweeduizend achttien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.738-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.260 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.