id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.268 Rolnummer: A. 225375/XIV-37737 Zaak: Arrest 243268 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 18/12/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-12-20 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-24 23:26 Fiche Arrest nr 243.268 van 18 december 2018 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 243.268 van 18 december 2018 in de zaak A. 225.375/XIV-37.737 In zake : Tom DE JONGH wonend te 2100 Antwerpen Buizerdlaan 24 tegen : de STAD ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gitte Laenen kantoor houdende te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 16 mei 2018, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de burgemeester van de stad Antwerpen van 16 maart 2018, waarbij aan verzoeker als tuchtsanctie het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 november
- Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. XIV-37.737-1/47 Advocaat Flore Aerens, die loco advocaat Iris Exelmans verschijnt voor verzoeker, en advocaat Chloé Van Landeghem, die loco advocaat Gitte Laenen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker was inspecteur van politie bij de lokale politiezone 5345 Antwerpen. 3.
- Op 24 maart 2016 wordt verzoeker bij hoogdringendheid voorlopig geschorst en dat in het kader van een lopend gerechtelijk onderzoek, met kenmerk 155/
- Op 25 maart 2016 bekrachtigt de burgemeester van de stad Antwerpen deze voorlopige schorsing bij ordemaatregel en wordt verzoeker voorlopig geschorst voor de duur van vier maanden, met een inhouding van 25% van de bruto maandwedde. Het wordt niet betwist dat die beslissing telkenmale werd verlengd tot aan de bestreden beslissing. 3.
- Met een brief van 14 juni 2016 brengt de procureur des Konings te Antwerpen de burgemeester van de stad Antwerpen het volgende ter kennis: “Mijn ambt voert heden een onderzoek lastens [N.L.] en [verzoeker] wegens mogelijke feiten van inbreuken op de racisme wetgeving. Het onderzoek heeft betrekking op een videofragment waaruit racistische uitlatingen blijken tijdens een controle ten aanzien van een zwar[t]e vrouw. De feiten dateren vermoedelijk van voor 31/3/2014.” De burgemeester neemt hiervan kennis op 7 juli
- XIV-37.737-2/47 3.
- Op 11 augustus 2017 stelt de hogere tuchtoverheid een inleidend verslag op met daarin een voorstel van zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege. In dat verslag wordt een uiteenzetting gegeven van de feiten, omstandigheden en gevolgen, van de datum van kennisneming van de feiten en van het vaststaan, de kwalificatie en de toerekening van de feiten. Tevens bevat het een voorstel tot zware tuchtstraf, meer bepaald de voornoemde zware tuchtstraf en wordt gewezen op het recht van verdediging. 3.
- Op 26 september 2017 stelt de hogere tuchtoverheid voor verzoeker de zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege op te leggen. Tegen dat voorstel dient verzoeker een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad. 3.
- In zijn definitief advies van 6 maart 2018 adviseert de Tuchtraad dat het ten laste gelegde feit bewezen is en aan verzoeker dient te worden toegerekend, dat het feit een tuchtinbreuk uitmaakt in de zin van artikel 3 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet) en dat de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege een gepaste straf is. 3.
- De hogere tuchtoverheid legt op 16 maart 2018 aan verzoeker de zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege op. Deze beslissing steunt op de volgende motivering: “
- Uiteenzetting van de feiten, omstandigheden en gevolgen In het kader van het gerechtelijk onderzoek, met kenmerk 155/2015, door onderzoeksrechter [XX] werd uw tablet uitgelezen door de dienst Intern Toezicht. Naar aanleiding van dit gerechtelijk onderzoek werd u reeds voorlopig geschorst. Bij de uitlezing van uw tablet werd een videofragment aangetroffen waarop een interventie werd vastgelegd. Het betreft meer bepaald een opname van een gesprek tussen een dame van andere origine, inspecteur [N.L.] en uzelf. De dame van andere origine staat aan het dienstvoertuig omdat zij meer informatie vroeg omtrent haar inschrijving. Inspecteur [N.L.] zit in de passagierszetel en wordt door u, vanuit de bestuurderszetel, gefilmd. Het gesprek ging als volgt: […]. XIV-37.737-3/47 Op 23 mei 2016 werd voor bovenvermelde feiten proces-verbaal met kenmerk AN.56.LB.066818/2016 opgemaakt, wegens discriminatie of ontzegging op willekeurige wijze van de uitoefening van een recht of van een vrijheid door een ambtenaar of drager van het openbaar gezag in de uitoefening van zijn ambt (racisme en xenofobie). Het dossier werd zonder gevolg gerangschikt om reden van voorrang aan de tuchtrechtelijke afhandeling.
- Datum van kennisneming van de feiten en datum van de kennisgeving van het inleidend verslag De tuchtoverheid werd bij brief van 14 juni 2016, ontvangen op 7 juli 2016, door de procureur des Konings ingelicht over een strafonderzoek lastens de heren [N.L] en [verzoeker]. Op 9 september 2016 werd bij de procureur des Konings geïnformeerd of er meer informatie kon worden verschaft noodzakelijk voor het opstarten van een voorafgaand tuchtonderzoek en of er bezwaren waren tegen een parallel tuchtonderzoek. Op 18 oktober 2016 antwoordde de procureur des Konings dat het niet mogelijk was om meer informatie te bezorgen die dienstig is voor een voorafgaand tuchtonderzoek en dat er bezwaren waren tegen het voeren van een parallel tuchtonderzoek. Op 14 december 2016 werd bij de procureur des Konings geïnformeerd of er meer informatie kon worden verschaft noodzakelijk voor het opstarten van een voorafgaand tuchtonderzoek en of er bezwaren waren tegen een parallel tuchtonderzoek. Op 11 januari 2017 antwoordde de procureur des Konings dat het niet mogelijk was om meer informatie te bezorgen die dienstig is voor een voorafgaand tuchtonderzoek en dat er bezwaren waren tegen het voeren van een parallel tuchtonderzoek. Op 30 januari 2017 werd bij de procureur des Konings geïnformeerd of er meer informatie kon worden verschaft noodzakelijk voor het opstarten van een voorafgaand tuchtonderzoek en of er bezwaren waren tegen een parallel tuchtonderzoek. Op 24 februari 2017 antwoordde de procureur des Konings dat het niet mogelijk was om meer informatie te bezorgen die dienstig is voor een voorafgaand tuchtonderzoek en dat er bezwaren waren tegen het voeren van een parallel tuchtonderzoek. Op 27 april 2017 werd bij de procureur des Konings geïnformeerd of er meer informatie kon worden verschaft noodzakelijk voor het opstarten van een voorafgaand tuchtonderzoek en of er bezwaren waren tegen een parallel tuchtonderzoek. Op 1 juni 2017 antwoordde de procureur des Konings dat het niet mogelijk was om meer informatie te bezorgen die dienstig is voor een voorafgaand tuchtonderzoek en dat er bezwaren waren tegen het voeren van een parallel tuchtonderzoek. Op 29 juni 2017 kreeg de tuchtoverheid kennis van de feiten bedoeld in punt 2 door middel van de brief van de procureur des Konings van 16 juni 2017, waarin ter kennis werd gebracht dat het dossier zonder gevolg werd gerangschikt om reden van voorrang aan de tuchtrechtelijke afhandeling. Op 9 augustus 2017 kreeg de tuchtoverheid toelating van de procureur des Konings om het videofragment, met kenmerk OS 2016/118163 te gebruiken binnen de tuchtprocedure. Op 9 augustus 2017 kreeg de tuchtoverheid bijgevolg kennis van het volledige strafdossier, met inbegrip van het videofragment. 9 augustus 2017 is de datum die in aanmerking moet worden genomen voor het bepalen van de verjaringstermijn XIV-37.737-4/47 van de kennisgeving van het inleidend verslag. Het inleidend verslag werd u betekend op datum van 17 augustus
- Deze datum moet in aanmerking worden genomen voor het bepalen van de verjaringstermijn van het voorstel tot zware tuchtstraf. Met het inleidend verslag werd mijn voornemen kenbaar gemaakt u de zware tuchtstraf ‘ontslag van ambtswege’ op te leggen.
- Procedureverloop […].
- Analyse van het verweer De tuchtoverheid stelt vast dat zowel in uw mondeling als schriftelijk verweer veelvuldig verwezen wordt naar het gerechtelijk dossier met kenmerk 155/
- Dit dient evenwel te worden onderscheiden van het voorliggende tuchtdossier. De tuchtoverheid vestigt uw aandacht op het verloop van de dossiers zodat het duidelijk mag zijn dat het niet eenzelfde dossier betreft, maar wel degelijk twee van elkaar te onderscheiden dossiers. Naar aanleiding van het gerechtelijk dossier met kenmerk 155/2015 werd u, met het besluit van de korpschef van 24 maart 2016, door mij bekrachtigd op 25 maart 2016, met onmiddellijke ingang voorlopig geschorst. De voorlopige schorsing werd vervolgens verlengd door mijn besluiten van 20 juli 2016, 16 november 2016, 7 maart 2017 en 12 juli
- Voornoemd gerechtelijk onderzoek is nog steeds lopende. Bij de uitlezing van uw tablet, in het kader van het lopend gerechtelijk dossier met kenmerk 155/2015, kwamen nieuwe feiten aan het licht, met name het kwestieuze filmfragment. Hiervoor werd op 23 mei 2016 een afzonderlijk proces-verbaal opgesteld, met kenmerk AN.56.LB.062722/2016, dat onderdeel uitmaakt van een afzonderlijk gerechtelijk onderzoek met kenmerk GER16/
- De tuchtoverheid werd hiervan bij brief van 14 juni 2016 van de procureur des Konings, ontvangen op 7 juli 2016, in kennis gesteld van het gerechtelijk onderzoek met kenmerk GER16/
- De tuchtoverheid kreeg op 29 juni 2017 bij brief van de procureur des Konings van 16 juni 2017 toestemming om de stukken van het strafdossier met kenmerk GER16/100552 te gebruiken in het tuchtonderzoek. Op basis hiervan werd een tuchtdossier opgestart en u een inleidend verslag betekend, waarin ik u mijn voornemen kenbaar maakte u de zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege op te leggen. Beide procedures verlopen correct. Gelet op de analyse van het verweer van 15 september 2017 en 20 september 2017, de pleitnota van 10 januari 2018 met bijlagen en het schriftelijk verweer van 6 februari 2018 werd kennisgenomen van de volgende argumenten: 5.1 Eerste middel: voeging stukken omwille van een onvolledig tuchtdossier 5.1.1 Toevoeging stukken en informatie verschaffen U bent van mening dat een aantal stukken niet werden bijgebracht en dienen te worden gevoegd. Meer bepaald stelt u dat de stukken een uittreksel zijn van een strafdossier maar dat niet alle andere stukken van het dossier werden bijgebracht, terwijl daaruit zou kunnen worden afgeleid dat u geen racistische ingesteldheid hebt. De andere gegevensdragers die uw eigendom waren, met name, tablet, gsm en laptop werden uitgelezen, en daarop waren geen racistische uitlatingen terug te vinden. U bent van mening dat ook deze stukken dienen te worden bijgebracht. Daarnaast stelt u dat het bewuste filmpje dient toegevoegd te worden aan het tuchtdossier. Het werd niet in de inventaris opgenomen en ook niet overgemaakt naar aanleiding van de vraag tot kopie van het dossier. Het is een essentieel stuk dat XIV-37.737-5/47 deel uitmaakt van het tuchtdossier, en dient aldus ter inzage getoond te worden. U vraagt dat alle stukken uit het dossier met betrekking tot de voorlopige schorsing gevoegd worden. U bent reeds gedurende lange tijd voorlopig geschorst naar aanleiding van het gerechtelijk onderzoek, en de stukken naar aanleiding waarvan een inleidend verslag werd opgesteld, maken daar deel van uit. Het is van belang dat deze stukken bijgevoegd worden. Daarnaast wenst u meer informatie over hoe de korpschef te weten is gekomen dat er processen-verbaal werden opgesteld lastens u en bovendien wie deze processen-verbaal heeft ingekeken en of de korpschef deze, in hoedanigheid van gewone tuchtoverheid eveneens de processen-verbaal heeft ingekeken omdat dit de datum van kennisname kan beïnvloeden. U vraagt om duidelijkheid te verschaffen hoe de gewone tuchtoverheid de vertrouwelijke nota's waarin proces-verbaalnummers worden vermeld die aantonen dat de voorlopige schorsing noodzakelijk is, ter kennis heeft gekregen Beoordeling Wat betreft de voeding van de stukken van bat strafdossier Het is duidelijk dat het gerechtelijk dossier met kenmerk 155/2015 en het voorliggende tuchtdossier met elkaar worden verward, dan wel vereenzelvigd. Er wordt verwezen naar het hoger omschreven onderscheid tussen beide dossiers. Gelet op het onderscheid tussen beide dossiers, dienen de stukken van het dossier van de voorlopige schorsing niet te worden toegevoegd aan het voorliggend tuchtdossier. Niettegenstaande dat de tuchtoverheid, in het gerechtelijk dossier met kenmerk 155/2015, nog steeds geen toelating tot inzage en/of gebruik van de stukken heeft gekregen en er bijgevolg ook geen kennis van heeft, bestaat er geen enkele bepaling die voorschrijft dat stukken van een ander strafdossier, die irrelevant zijn voor het voorliggende tuchtdossier, door de tuchtoverheid dienen te worden gevoegd. Bovendien had u zelf ook de mogelijkheid om deze stukken te voegen tot het tuchtdossier, indien u (in tegenstelling tot de tuchtoverheid) hierover beschikte en u dit nodig achtte. Wat betreft de voeging van de stukken van het dossier van de voorlopige schorsing De stukken in het dossier van de voorlopige schorsing werden op 30 juni 2016 bezorgd op uw persoonlijk e-mailadres. Op 30 juni 2016 werden eveneens aan de heer [D.D], in de hoedanigheid van tuchtverdediger, de stukken inzake de digitale mediaberichten bezorgd. Op 4 juli 2016 en 28 oktober 2016 werden de nog aan het dossier gevoegde stukken eveneens overgemaakt aan de tuchtverdediging, met name de heer [D.D.]. Alle stukken in het dossier met betrekking tot de voorlopige schorsing (dat betrekking heeft op het lopende gerechtelijk dossier met kenmerk 155/2015) werden u wel degelijk ter beschikking gesteld. Wat betreft de voeging van het desbetreffende videofragment […] Het middel is niet gegrond. 5.1.2 Getuigenverhoren U verzocht om volgende redenen getuigen te horen die u eventueel nuttig achtte, gelet op de band met het dossier overeenkomstig artikel 38quinquies Tuchtwet Politie: - […]. - Mevrouw [P.] zodat zij haar visie van de feiten kan meedelen en kan bevestigen dat zij werd verder geholpen en dat het filmpje slechts een fragment is en uit de context werd getrokken en geïnterpreteerd. Een confrontatie en een verhoor van deze dame zou kunnen aantonen dat voorafgaandelijk aan de opname de context hilarisch en grappig was, dat zij XIV-37.737-6/47 zelf mee participeerde. De situatie ontstond door de beperkte taalvaardigheden van de betrokken dame. - De heer [N.L.] omdat hij stelde dat u de conversatie startte, wat niet waar zou zijn. U wenst hieromtrent duidelijkheid zodat nagegaan kan worden wat aan wie aangerekend kan worden. U verzoekt de confrontatie met de heer [N.L.] zodat jullie samen met elkaar jullie verhaal kunnen doen over het filmfragment. Beoordeling De tuchtoverheid is niet verplicht om in te gaan op elke vraag om getuigen te horen. lk meen dat het niet opportuun is om deze getuigen te horen, aangezien op grond van de voorliggende gegevens de tenlasteleggingen reeds werden bewezen. Het filmfragment is duidelijk en spreekt voor zich en laat toe de feiten met zekerheid aan de juiste persoon aan te rekenen. Een confrontatie met de heer [N.L.] om de door u vernoemde reden, biedt geen meerwaarde gelet de beelden duidelijk zijn en het duidelijk is wie wat heeft gezegd. Uw houding en uitspraken ten aanzien van mevrouw [P.] worden helder en duidelijk weergegeven in het filmfragment. De tuchtoverheid betwist niet dat u de dame uiteindelijk zou verder geholpen hebben en haar de nodige informatie zou hebben bezorgd, dit was dan ook uw te volbrengen taak. De tuchtoverheid stelt daarentegen een ontoelaatbaar, onrespectvol en totaal ongepast gedrag vast ten aanzien van de dame, in welke context dan ook. Daarenboven hebt u, door zelf een welbepaald filmfragment op te nemen, de context en de interpretaties die hieraan mogelijk zouden kunnen worden gegeven, vormgegeven. In geval u de volledige interventie had gefilmd, dan nog zou de tuchtoverheid uw gedrag als ontoelaatbaar beschouwen. De tuchtoverheid is van mening dat uw tentoongesteld gedrag en uw volstrekt ongepaste uitspraken ten aanzien van de dame absoluut niet als ‘grappig’ en ‘hilarisch’ kunnen worden beschouwd, integendeel. Dat u nog steeds van oordeel bent dat ‘er niets mis mee was’, kracht bijgezet door het argument dat u het filmpje om die reden nog steeds niet hebt gewist, toont een verregaande normvervaging en een gebrek aan respect aan. U argumenteert dat u goed zou hebben samengewerkt met de Dienst Vreemdelingenzaken en dat u illegalen correct behandelde. De feiten die aan het licht kwamen, zijn echter van dergelijke aard dat ‘een goede samenwerking met DVZ’ en ‘een correcte werkwijze’ in andere zaken en dossiers, niet als verzachtende omstandigheid kunnen worden aangenomen. Een politieambtenaar dient immers te allen tijde deze fundamentele principes hoog in het vaandel te houden. Het door u voorgestelde getuigenverhoor biedt dan ook geen enkele meerwaarde. De feiten en begeleidende omstandigheden zijn bewezen. lk heb in mijn hoedanigheid van hogere tuchtoverheid dan ook met kennis van zaken kunnen beslissen over het bestaan van de feiten en de tuchtrechtelijke kwalificatie. Bijgevolg wordt uw verzoek tot bijkomend getuigenverhoor afgewezen. Het middel is niet gegrond. 5.2 Tweede middel: nopens de gevolgde procedure 5.2.1 Verjaring, minstens schending van de redelijke termijn U stelt dat het de tuchtoverheid al zeer lang bekend was dat er een gerechtelijk onderzoek liep. ‘De gewone tuchtoverheid had aan de hand van de vertrouwelijke nota’s waarin de verschillende proces-verbaalnummers worden vermeld, is het duidelijk geworden dat de gewone tuchtoverheid reeds inzage had gekregen want anders zou niet geweten zijn welke proces-verbaalnummers werden opgesteld lastens u’. XIV-37.737-7/47 U argumenteert dat minstens dient te worden vastgesteld dat de tuchtoverheid niets heeft gedaan terwijl zij de mogelijkheid had om u uit te nodigen zodat u reeds kon gehoord worden omtrent de inhoud van het dossier. U werd hierdoor lange tijd geschorst, waardoor u werd geconfronteerd met inhouding van wedde en het verlies van vergoedingen, wat op zich al een sanctie is. U stelt vervolgens dat de burgemeester reeds een oordeel velde vorig jaar en tijdens interviews duidelijk heeft gesteld dat u schuldig was en dat u gestraft diende te worden. Hierbij werd de geijkte procedure niet gevolgd en is het duidelijk dat de sanctie, minstens het oordeel, reeds werd uitgesproken zonder dat deze materieel aan u werd ter kennis gebracht. U verwijst hierbij naar diverse krantenkipsels. Uit de stukken met betrekking tot de voorlopige schorsing blijkt dat uit de voorstellen zoals opgemaakt naar aanleiding van het voornemen tot voorlopige schorsing, de tuchtoverheid toen al van oordeel was dat u schuldig was en toen al over voldoende elementen beschikte aangezien toen al werd geformuleerd dat u schuldig was en dat er een sanctie diende te volgen. Tot slot werpt u op dat de dienst Intern Toezicht, die telkens aangesteld wordt door de hogere tuchtoverheid als er een administratief tuchtonderzoek dient te worden gevoerd, het gerechtelijk onderzoek heeft gevoerd. Net is duidelijk dat deze dienst rechtstreeks wordt aangestuurd door de hogere tuchtoverheid en aldus in nauw contact staat. U stelt dat het geen betoog hoeft dat de dienst intern toezicht tijdens het onderzoek duidelijk heeft gecommuniceerd met de hogere tuchtoverheid over de stand van zaken van het onderzoek en dat de hogere tuchtoverheid aldus al in kennis was van het dossier. Op basis van bovenstaande argumenten acht u de tuchtvordering verjaard. Beoordeling De tuchtoverheid wenst in eerste instantie opnieuw de aandacht te vestigen op het onderscheid tussen het lopend gerechtelijk dossier met kenmerk 155/2015 en het voorliggend tuchtdossier. In het lopend gerechtelijk dossier met kenmerk 155/2015 heeft de tuchtoverheid nog steeds geen toelating tot inzage en/of gebruik van de stukken gekregen. De tuchtoverheid beschikt bijgevolg enkel over de stukken in het voorliggende tuchtdossier en over de stukken in het dossier van de voorlopige schorsing. U bent in het bezit gesteld van deze stukken. Omdat u beide dossiers duidelijk met elkaar verwart, dan wel met elkaar vereenzelvigt, kan het argument dat de tuchtoverheid niets heeft gedaan terwijl u reeds lange tijd bent geschorst, niet worden aangenomen. In het lopende gerechtelijk dossier met kenmerk 155/2015 heeft de tuchtoverheid immers geen toelating en inzage in de stukken en kan nog geen tuchtprocedure worden ingesteld. In het voorliggende tuchtdossier verkreeg de tuchtoverheid wel toelating tot inzage en gebruik van de stukken, waarna een inleidend verslag werd opgesteld. Er is bijgevolg geen sprake van het stilzitten van de tuchtoverheid in het voorliggende tuchtdossier. Vervolgens stelt u dat uit de stukken met betrekking tot de voorlopige schorsing blijkt dat de tuchtoverheid reeds een oordeel velde over uw schuld, waaruit nogmaals de door u ontstane verwarring en vereenzelviging van het lopend gerechtelijk dossier met kenmerk 155/2015 (naar aanleiding waarvan u bent geschorst) en het voorliggende tuchtdossier blijkt. U verwijst immers naar krantenknipsels van vorig jaar, die u evenwel niet als stuk bijbrengt. De feiten van het voorliggend tuchtdossier werden evenwel nooit in de media verspreid. De krantenknipsels waarnaar u verwijst, kaderen wellicht in het lopend gerechtelijk onderzoek met kenmerk 155/2015, feiten die uitgebreid in de media werden besproken. De krantenknipsels hebben geen betrekking op het voorliggend tuchtdossier. De tuchtoverheid ziet dan ook niet in, in welke mate deze vooringenomenheid kunnen aantonen. XIV-37.737-8/47 Ten slotte argumenteert u dat de dienst Intern Toezicht duidelijk heeft gecommuniceerd naar de hogere tuchtoverheid over de stand van zaken van het onderzoek en dat de hogere tuchtoverheid dus reeds kennis had van de inhoud van het dossier omdat deze dienst zowel het administratief als het gerechtelijk onderzoek heeft gevoerd en dat deze dienst wordt aangestuurd door de hogere tuchtoverheid en in nauw contact staat. De hogere tuchtoverheid duidde bij besluit burgemeester van 12 september 2014 de afdeling Kwaliteitszorg van Lokale Politie Antwerpen aan als coördinatiedienst zoals voorzien in artikel 19 van het KB van 26 november 2001, dit werd als stuk in het dossier bijgebracht. De dienst Intern Toezicht behoort tot de afdeling Kwaliteitszorg. Deze dienst is ingedeeld met enerzijds onderzoekers in gerechtelijke onderzoeken en in administratieve onderzoeken, anderzijds. Deze onderzoeken worden te allen tijde strikt van mekaar gescheiden. De dienst Intern Toezicht communiceert enkel met de hogere tuchtoverheid wanneer het een administratief dossier betreft, wat in casu het geval was. Het feit dat het gerechtelijk onderzoek met kenmerk 155/2015 werd gevoerd door onderzoekers van de dienst Intern Toezicht toont aldus in geen geval aan dat er ook maar enige communicatie zou zijn met de hogere tuchtoverheid. Bovendien brengt u geen enkel stuk naar voor dat deze stelling zou kunnen aantonen. Het middel is niet gegrond. 5.2.2 Vooringenomenheid van de hogere tuchtoverheid U stelt dat de hogere tuchtoverheid al enkele maanden geleden een stelling heeft ingenomen omdat in verschillende krantenknipsels te lezen is dat hij verklaarde dat u ontslagen zou worden. Beoordeling Er wordt verwezen naar de beoordeling van de vooringenomenheid in punt 5.2.1 met name dat het duidelijk is dat u twee dossiers met elkaar verwart en/of vereenzelvigt, met name het lopend gerechtelijk dossier met kenmerk 155/2015 (naar aanleiding waarvan u bent geschorst) en het voorliggende tuchtdossier. U verwijst immers naar krantenknipsels van vorig jaar, waarin de hogere tuchtoverheid zou gezegd hebben dat u zou ontslagen worden. De feiten van het voorliggend tuchtdossier werden evenwel nooit in de media verspreid. De krantenknipsels waarnaar u verwijst, kaderen wellicht in het lopend gerechtelijk dossier met kenmerk 155/2015, feiten die uitgebreid in de media werd besproken en het dossier dat u verwart, dan wel vereenzelvigt met het voorliggende tuchtdossier. De krantenknipsels hebben geen betrekking op het voorliggend tuchtdossier. De tuchtoverheid ziet dan ook niet in, in welke mate deze vooringenomenheid zouden kunnen aantonen. Het middel is niet gegrond. 5.2.3 Eenzijdig gevoerd onderzoek door Intern Toezicht en de voorgehouden partijdigheid van de vooronderzoeker U bent van mening dat de dienst Intern Toezicht eenzijdig en vooringenomen te werk is gegaan omdat zij enerzijds het gerechtelijk onderzoek heeft gevoerd en anderzijds het administratief onderzoek. U houdt voor dat u zowel in het strafdossier als in het administratief onderzoek bent gehoord door dezelfde onderzoeker. U bent van mening dat de onderzoekers het niet nodig vonden een grondig onderzoek te voeren, door mevrouw [P.] op te sporen en te verhoren en een confrontatie te houden met de heer [N.L]. U acht uw belangen hierdoor geschonden. Beoordeling Wat betreft de werking en structuur van de dienst Intern Toezicht, verwijs ik naar de beoordeling van punt 5.2.1., met name de aanduiding van de coördinatiedienst en de strikte scheiding van de gerechtelijke en administratieve dossiers. XIV-37.737-9/47 U verklaarde in uw verhoor van 11 juli 2016 dat u de persoon bent die de feiten heeft gefilmd en dat u inderdaad deelnam aan het gesprek waarin u en uw collega [N.L.] uitspraken deden die suggereerden dat de dame van andere origine gelijkgesteld, of minstens vergeleken, werd met een dier. INP [N.L.] duidde u, in zijn verhoor van 11 juli 2016, ook aan ais de persoon die het gesprek heeft gefilmd. De feiten zijn bewezen door de vastlegging ervan op een videofragment. Zowel het videofragment ais uw strafrechtelijk verhoor maken deel uit van het strafdossier. Gelet het strafdossier volledig was en het filmfragment voor zich sprak, dienden geen afzonderlijke onderzoeksdaden meer te worden verricht. Er werd bijgevolg geen bijkomend, afzonderlijk administratief onderzoek gevoerd, waartoe de tuchtoverheid overigens niet verplicht is, waardoor het onmogelijk is dat u zowel strafrechtelijk ais administratief door dezelfde onderzoeker werd verhoord. Het middel is niet gegrond. 5.2.4 Kwalificatie en toerekening van de feiten, alsook de beoordeling en de ernst ervan U bent van mening ‘dat de feiten in de juiste context dienen geplaatst te worden, en niet zomaar kunnen aanzien worden, of zonder meer aangerekend worden als zijnde racistische uitspraken. Er ging van alles vooraf en nadien werd er eveneens nog gecommuniceerd en uit het ganse gesprek en de ganse context blijkt niet dat u de intentie heeft gehad om racistische uitspraken te doen’. Uw verweer omvatte een vergelijking met een stand-upcomedian waarbij men enkel bepaalde stukken zou weergeven en dat die dan ook racistisch zouden bestempeld kunnen worden. Bovendien is het volgens u niet duidelijk welke uitspraken aan u, en welke aan de heer [N.L.] dienen toegeschreven te worden. ‘Nu de feiten niet in de juiste context worden geplaatst, en duidelijk is geworden dat door de tuchtoverheid deze uit hun context worden gerukt, dient er een nieuwe beoordeling gedaan te worden, waarbij dient besloten te worden dat u niet de intentie had om iemand te choqueren, te vernederen of te kwetsen’. Gelet op al het voorgaande, is het volgens u duidelijk dat er onvoldoende onderzoek is gevoerd, wat de rechten van verdediging schaadt, en een schending uitmaakt van de zorgvuldigheidsplicht, waardoor u van mening bent dat hierdoor niet voldoende en correct gemotiveerd wordt waarom de meest zware tuchtstraf zich opdringt. U stelt eveneens dat de tuchtoverheid niet motiveert waarom het geen inschattingsfout betreft, wat geen tuchtvergrijp kan uitmaken. Bovendien vindt u dat u wordt gebruikt in het kader van een politiek spel, waar een zogenaamd voorbeeld dient gesteld te worden voor gans het korps teneinde aan de oppositie aan te tonen dat er wordt opgetreden. Beoordeling Wat betreft het argument dat de feiten in de juiste context dienen te worden geplaatst, verwijs ik naar mijn beoordeling in punt 5.2.
- De tuchtoverheid stelde in het filmfragment een ontoelaatbaar, onrespectvol en totaal ongepast gedrag vast ten aanzien van de dame, in welke context dan ook. Bovendien hebt u, door een welbepaald filmfragment te maken, de context en de interpretaties die hieraan mogelijk zouden kunnen worden gegeven, zelf vormgegeven. In geval u de volledige interventie had gefilmd, dan nog zou de tuchtoverheid uw gedrag als ontoelaatbaar beschouwen. Bovendien kan geen vergelijking worden gemaakt met het beroep van een stand-upcomedian gelet u een politieambtenaar bent. De taken zijn dan ook dermate verschillend met name dat een politieambtenaar de fundamentele taak heeft om ten dienste te staan van het publiek en dit op een respectvolle wijze. U stelt daarnaast dat de zorgvuldigheidsplicht werd geschonden omdat onvoldoende onderzoek werd gevoerd zodat niet voldoende en correct gemotiveerd XIV-37.737-10/47 wordt waarom de meest zware tuchtstraf wordt opgelegd en daardoor uw rechten van verdediging zijn geschonden. In tuchtzaken houdt het zorgvuldigheidsbeginsel voornamelijk in dat het bestuur aan behoorlijke feitenvinding doet wat betekent dat alle noodzakelijke gegevens worden verzameld en getoetst, dat de nodige deskundigheid aan de dag wordt gelegd bij de beoordeling van die gegevens en dat aldus een beslissing kan genomen worden op basis van een volledig en objectief samengesteld dossier. Er kan van worden uitgegaan dat, wanneer de betrokkene de feiten bekent, ze ook bewezen zijn. Wanneer echter de ten laste gelegde feiten door de betrokkene worden ontkend, is de tuchtoverheid gehouden over te gaan tot onderzoeksmaatregelen. Bij ontkenning van de feiten door het personeelslid impliceert de zorgvuldigheidsplicht dat de tuchtoverheid niet uitsluitend kan steunen op de klacht van één persoon of op een versie afkomstig van een getuige uit de tweede hand, maar dat zij moet overgaan tot een onderzoeksmaatregel, zoals het horen van rechtstreekse getuigen en/of collega’s van de betrokkene. Wat betreft uw stelling dat de tuchtoverheid niet heeft gemotiveerd waarom het geen inschattingsfout kan uitmaken, wat niet als tuchtvergrijp kan worden beschouwd, gaat u voorbij aan het feit dat de tuchtoverheid enkel de verplichting heeft het bewijs te leveren dat de feiten een tuchtvergrijp uitmaken en dat de feiten aan u toerekenbaar zijn. De tuchtoverheid heeft aan deze verplichting voldaan. Bovendien zou een inschattingsfout ook een tuchtvergrijp kunnen uitmaken. Uw houding en de door u gedane uitspraken staan vast en zijn bewezen omdat het duidelijk is dat u de persoon bent die het filmfragment heeft gemaakt en deelnam aan het gesprek, omdat u de feiten toegeeft in uw verhoor van 11 juli
- Omdat de feiten al bewezen waren door de vastlegging ervan op een videofragment, dienden geen afzonderlijke onderzoeksdaden meer te worden verricht. Bovendien is de zwaarste tuchtstraf de afzetting en niet het ontslag van ambtswege. Dat u zou worden gebruikt als voorbeeld in een politiek spel is een uit de lucht gegrepen argument en is bovendien volkomen irrelevant aangezien het tuchtvergrijp afdoende is bewezen. Het middel is niet gegrond. 5.3 Andere middelen 5.3.1 Het filmfragment werd onrechtmatig bekomen […] 5.3.2 Proportionaliteit U stelt ‘dat zich een probleem vormt rond proportionaliteit door de ernst van de sanctie ten aanzien van de ganse carrière’. U stelt dat rekening dient te worden gehouden met uw staat van dienst. Beoordeling In mijn hoedanigheid van tuchtoverheid beoordeel ik discretionair de zwaarte van de tuchtstraf die ik wens op te leggen. Zoals uit titel 4 ‘Vaststaan, kwalificatie en toerekening van de feiten’ van het inleidend verslag blijkt, berust mijn beslissing om u een tuchtstraf op te leggen op deugdelijke en draagkrachtige motieven. Het is niet omdat een bepaalde sanctie zwaar voorkomt of moeilijk kan aangenomen worden dat de grenzen van de discretionaire beslissingsbevoegdheid kan worden overschreden. De voorgestelde tuchtstraf staat kennelijk in verhouding met de bewezen feiten. Het middel is niet gegrond.
- Vaststaan, kwalificatie en toerekening van de feiten Gelet op de stukken vervat in het dossier; 6.
- Meen ik dat de feiten ontegensprekelijk vaststaan en u kunnen worden XIV-37.737-11/47 toegerekend doordat u in uw verhoor van 11 juli 2016 verklaarde dat u de persoon bent die de feiten heeft gefilmd en dat u inderdaad deelnam aan het gesprek waarin u en uw collega [N.L.] uitspraken deden die suggereerden dat de dame van andere origine gelijkgesteld, of minstens vergeleken, werd met een dier. Zo stelde u onder meer: […] In uw verhoor van 11 juli 2016 geeft u toe dat u deze uitspraken hebt gedaan. Wat betreft de vergelijking met dieren, verklaarde u in uw verhoor dat het gesprek inderdaad een wending heeft genomen naar de verwijzing naar dieren, maar vroeg u zich daarbij af wat aan uw uitspraken racistisch of xenofoob zou zijn. Tijdens u verhoor van 11 juli 2016 verklaarde u: ‘Ik besef dat wanneer dat je tekst leest en hoort dit mogelijk verkeerd kan geïnterpreteerd worden’. Verder in het gesprek werd kwam [YY], het land van oorsprong van de betrokken dame, ter sprake. Daarbij werd de eerdere vergelijking met dieren verder doorgetrokken. De gehele bevolkingsgroep van [YY] werd bijgevolg door deze racistische uitspraken beledigd. […] Deze uitspraken zijn in de context van het gesprek minstens ongepast, beledigend, vernederend, onrespectvol en mensonterend en brachten de morele integriteit van de betrokken dame van andere origine ernstig in het gedrang. De gehele context van het gesprek met de dame van andere origine, is zelfs van racistische aard aangezien u en uw collega [N.L.] op een zeer korte tijdspanne meermaals uitspraken deden die de betrokken dame vergelijken met een dier, […]. Daarenboven maakten u en uw collega, [N.L.], misbruik van de zwakkere positie van de betrokken dame omdat ze de Nederlandse taal niet voldoende machtig is. Door zulke uitspraken te doen, maakten jullie de dame in kwestie belachelijk, terwijl zij er zelf bijstond maar niet begreep wat met deze uitspraken werd bedoeld. U wenste na het verhoor van 11 juli 2016 het volgende nog toe te voegen: ‘Mijn collega [N.L.] was uitzonderlijk heel meegaand in het gesprek met de dame. Hij was dan ook diegene die het gesprek heeft gestuurd. Mijn collega [N.L.] is normaal niet zo uitbundig in zijn manier van praten. Dit is misschien de reden waarom ik dat gesprek ben beginnen filmen (...)’. Dit toont niet alleen aan dat u uw collega, [N.L.], niet hebt terechtgewezen of getracht hebt het gesprek in een andere richting te duwen of stop te zetten, maar dat u zelfs doelbewust een videofragment maakte, waardoor u bijgevolg duidelijk wist dat het gesprek uitermate ongepast was. 6.
- Meen ik dat deze feiten de volgende tuchtvergrijpen uitmaken: U hebt de waardigheid van het ambt in gedrang gebracht doordat u racistische uitspraken deed ten aanzien van een dame van andere origine, alsook ten aanzien van een gehele bevolkingsgroep. Het betreft een intrinsieke taak van de politie zich in te zetten voor de bescherming van de individuele rechten en de fundamentele vrijheden en de waardigheid van elke persoon en de naleving van de (grond)wetten te handhaven, waardoor de democratie wordt beschermd. Uw gedrag, met name het behandelen van de betrokken dame als een minderwaardig persoon door haar te vergelijken met een dier, gaat lijnrecht in tegen deze principes, die hoog in het vaandel dienen te worden gedragen. Het moet vanzelfsprekend zijn dat medewerkers van de politie geen grove, beledigende en vernederende taal gebruiken en dat ze zakelijk blijven in hun communicatie. Politiemensen dienen zich, om de reputatie van en het vertrouwen in de politieorganisatie te bewaken, te allen tijde bewust te zijn van hun hoedanigheid wanneer ze een gesprek aangaan. Hetgeen u inhoudelijk zegt, wordt ook geïnterpreteerd als het standpunt van ‘de politie’. XIV-37.737-12/47 De door u gedane uitspraken berokkenen op een ernstige wijze schade aan het vertrouwen in de politie en aan het imago van de politie. U kwam derhalve tekort aan de volgende bepalingen: […].
- Advies van de tuchtraad Op 6 maart 2018 verstrekt de tuchtraad haar definitief advies nopens het voorstel van zware tuchtstraf: ‘Om deze redenen, adviseert de tuchtraad, beslissend bij meerderheid van stemmen, dat de ten laste gelegde feiten, zoals omschreven in punt 5.2, bewezen zijn en aan verzoeker dienen te worden toegerekend, dat de feiten een tuchtinbreuk uitmaken in de zin van art. 3 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten, dat de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde zware tuchtstraf van hot ontslag van ambtswege een gepaste straf is’. De hogere tuchtoverheid sluit zich volledig aan bij het advies van de tuchtraad.
- Beslissing Gelet op de bepalingen van de wet van 13 mei 1999, inzonderheid op de artikelen 2, 3, 5, 38 tot 38sexies en de artikelen 39 tot en met
- Aangezien ik meen dat de feiten vaststaan, dat ze u kunnen worden toegerekend en dat ze, krachtens de motivering uiteengezet in punt 6, een tuchtvergrijp uitmaken. Gelet op de analyse van uw tuchtdossier waarvan u kopie hebt ontvangen op 17 augustus
- U hebt de waardigheid van het ambt op een zeer ernstige wijze geschonden doordat uw uitspraken minstens uitermate ongepast, beledigend, vernederend, onrespectvol, mensonterend en zelfs racistisch zijn ten aan zien van de dame van andere origine en ten aanzien van een gehele bevolkingsgroep. Gelet dat dergelijke feiten getuigen van zeer ernstige normvervaging en absoluut onaanvaardbaar zijn. Gelet u als inspecteur van politie steeds een voorbeeldfunctie te vervullen hebt. Gelet de geloofwaardigheid van de politie bij de burgers immers ernstig wordt aangetast wanneer zij weet hebben van het feit dat een inspecteur van politie dergelijk laakbaar gedrag vertoont en zelf zware inbreuken pleegt op de wetten en de deontologische code. Rekening houdend met al deze elementen, is het duidelijk dat u niet beschikt over de juiste ingesteldheid en evenmin over het juiste normbesef om uw functie van inspecteur van politie uit te oefenen. Gelet de feiten zeer ernstig zijn vermits ze onverenigbaar zijn met de principes vervat in de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus en in strijd zijn met meest essentiële deontologische normen waaraan een agent van politie dient te voldoen. Gelet dat het u verder laten functioneren, de geloofwaardigheid en het imago van de politiedienst ernstig zouden schaden. Gelet de feiten dermate ernstig zijn dat het vertrouwen onherroepelijk geschonden is en dat iedere verdere samenwerking onmogelijk is geworden. Gelet u niet meer op een behoorlijke wijze kan ingeschakeld worden in het politiekorps en dat derhalve de zorgvuldigheidsplicht mij verplicht hier in te grijpen. Gelet op het blanco tuchtstraffenblad. Gelet op de positieve functioneringsnota’s van 18 januari 2015, 10 juni 2015 en 15 november
- Gelet op de negatieve functioneringsnota van 27 juli
- Gelet op het evaluatieverslag van 6 april 2014 met als eindvermelding ‘bevredigend’. Gelet op de analyse van uw verweerschrift van 15 september
- XIV-37.737-13/47 Gelet op uw verhoor op datum van 20 september
- Gelet op mijn besluit voorstel zware tuchtstraf van 6 maart
- Gelet op het advies van de tuchtraad gegeven op 16 januari
- In mijn hoedanigheid van hogere tuchtoverheid: Leg ik u, met onmiddellijke ingang, voor de feiten vervat in punt 2, de zware tuchtstraf op van ontslag van ambtswege.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Vertrouwelijkheid van de stukken
- De verwerende partij heeft de vertrouwelijke behandeling gevraagd van een door haar overgelegd stuk. De Raad van State stelt vast dat de voorwaarden ter zake, gesteld in artikel 87, § 2, van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, zijn nageleefd. Verzoeker betwist niet de vertrouwelijke behandeling van het stuk.
- In de huidige stand van het geding zijn er geen redenen voorhanden om de vertrouwelijkheid te lichten. V. Ontvankelijkheid van de vordering
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidexceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over de opgeworpen exceptie zou alleen nodig zijn indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. VI. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen XIV-37.737-14/47 onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VII. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- In het eerste middel voert verzoeker de schending aan van artikel 56, eerste en tweede lid, van de wet van 13 mei 1999 van de tuchtwet en van de redelijketermijnvereiste. Verzoeker betoogt vooreerst dat het vaststaat dat het onderzoek is gevoerd door de coördinatiedienst van de hogere tuchtoverheid, met name de dienst Kwaliteitszorg van de lokale politie Antwerpen. Op grond van artikel 10 van het koninklijk besluit van 26 november 2001 ‘tot uitvoering van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: het koninklijk besluit van 26 november 2001) heeft die de plicht de tuchtoverheid op gepaste tijdstippen te informeren. Artikel 10, vierde lid, van het voornoemde besluit legt deze plicht immers op aan de voorafgaand onderzoeker, en dus ook aan de coördinatiedienst. Verzoeker gaat er dan ook van uit dat deze dienst de hogere tuchtoverheid, minstens de gewone tuchtoverheid, reeds in 2016 heeft ingelicht omtrent de inhoud van het dossier. Volgens verzoeker mag er worden van uitgegaan dat die dienst haar plicht heeft vervuld en de tuchtoverheid reeds in 2016 heeft ingelicht omtrent de inhoud van het dossier. De gewone tuchtoverheid en ook de hogere tuchtoverheid waren reeds in kennis of hadden in kennis moeten zijn geweest van de tuchtfeiten sedert
- Dat de tuchtoverheid slechts op 9 augustus 2017, na ontvangst van een kopie van het strafdossier vanwege de procureur des Konings, kennis zou hebben gekregen van de feiten, is naar het oordeel van verzoeker niet correct. Alleen al uit het feit dat het XIV-37.737-15/47 filmpje reeds voordien in het bezit was van de coördinatiedienst en er enkel toelating tot het gebruik ervan moest worden gevraagd, blijkt dat er reeds kennis was genomen van de feiten. Ook uit de stukken met betrekking tot de voorlopige schorsing, waarin nummers van processen-verbaal werden opgesomd en waarin werd omschreven over welke feiten het ging, blijkt dat de tuchtoverheid reeds veel eerder ervan kennis heeft gekregen. Toen reeds heeft de tuchtoverheid trouwens geoordeeld dat de feiten ernstig waren en dat zij een verdere samenwerking met verzoeker niet meer zag zitten. Verzoeker is dan ook van oordeel dat de tuchtoverheid reeds in 2016 tot een oordeel is kunnen komen en dat artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet is geschonden. Verzoeker stelt voorts dat hij nooit in kennis werd gesteld van een formele toepassing van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet. Dat maakt dat volgens hem die bepaling niet meer van toepassing kan zijn, “aangezien verzoeker geen nadere motivatie kan controleren waarom deze toepassing zou geoorloofd zijn en verzoeker ook niet de kans heeft gehad zich ertegen te verzetten”. Hij ging ervan uit dat de tuchtvordering was vervallen door het verstrijken van de termijn. In ondergeschikte orde, zo toepassing moet worden gemaakt van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet, merkt verzoeker op dat het dossier in casu werd geseponeerd. Dit houdt volgens hem in dat het onderzoek en de feiten niet al te ingewikkeld zijn en dat een administratief onderzoek tot de mogelijkheden behoorde. De coördinatiedienst heeft een onderzoek gevoerd en diende de tuchtoverheid regelmatig te informeren. Het voeren van een administratief onderzoek was niet in die mate onmogelijk dat het een strafrechtelijk onderzoek zou kunnen schaden. Dat de procureur des Konings een andere visie heeft, doet niet ter zake, aangezien die geen tuchtbevoegdheid heeft. Het is aan de tuchtoverheid om haar tuchtbevoegdheid waar te nemen. Door geen eigen administratief onderzoek te voeren naar deze eenvoudige feiten, heeft de tuchtoverheid lang stilgezeten, zo meent verzoeker. Zij was nochtans al in 2016 op de hoogte van de feiten. Verzoeker is dan ook van oordeel dat ook artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet werd geschonden, alsook het vereiste van de redelijke termijn. XIV-37.737-16/47 Beoordeling De ontvankelijkheid van het middel
- De verwerende partij betwist in hoofdorde de ontvankelijkheid van het middel.
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidexceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over de opgeworpen exceptie zou alleen nodig zijn indien zou komen vast te staan dat het middel ernstig is, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. De ernst van het middel De schending van artikel 56 van de tuchtwet en de redelijketermijnvereiste.
- Artikel 56, eerste en tweede lid, van de tuchtwet luiden: “Art.
- De betekening van het inleidend verslag aan het personeelslid moet geschieden binnen zes maanden na de kennisneming of vaststelling van de feiten door een bevoegde tuchtoverheid. Bij ontstentenis en onder voorbehoud van het tweede lid, kan geen tuchtvordering meer worden ingesteld. In het geval dat een opsporingsonderzoek loopt of de strafvervolging is ingesteld voor dezelfde feiten, begint die termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis gesteld wordt dat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen of dat het dossier geseponeerd is dan wel de strafvordering vervallen is.” Artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet verplicht de tuchtoverheid om binnen een bepaalde termijn de tuchtprocedure op te starten, hetgeen gebeurt met de kennisgeving van het inleidend verslag aan de betrokkene. Het gaat om een vervaltermijn waarna geen tuchtvordering meer kan worden ingesteld. Deze bepaling garandeert de politieambtenaar dat hij korte tijd nadat de tuchtoverheid op de in de wet bepaalde wijze kennis heeft van de feiten, uitsluitsel krijgt over zijn onzekere situatie. Van een kennisneming of vaststelling van tuchtfeiten in de zin van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet is slechts sprake op het moment dat de XIV-37.737-17/47 tuchtoverheid met betrekking tot die feiten over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikt. Het is ook pas dan dat deze verjaringstermijn ingaat. Artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet biedt de tuchtoverheid de mogelijkheid - maar niet de verplichting - om de tuchtrechtelijke vervolging uit te stellen tot de gerechtelijke overheden hun onderzoek hebben beëindigd. Het maakt het de tuchtoverheid mogelijk om, wanneer zij twijfels heeft over de wezenlijke elementen die in een tuchtzaak aan de orde zijn - het bewijs van de feiten die de betrokkene gepleegd heeft, de ernst van de feiten en schuld van de betrokkene, de tuchtrechtelijke kwalificatie en de weerslag van de feiten op de werking van de dienst -, een definitieve uitspraak van de strafrechter af te wachten. De verwijzing naar artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet kan evenwel slechts deugdelijk het uitstel van de tuchtvordering verantwoorden wanneer de tuchtoverheid op grond van een eigen onderzoek geen voldoende klaarheid in de zaak heeft kunnen brengen. De tuchtoverheid heeft immers de verplichting om een tuchtzaak binnen een redelijke termijn af te handelen en het bestaan van een strafonderzoek is op zich geen deugdelijke reden om de tuchtvordering niet op te starten. Er is slechts reden om de tuchtvordering uit te stellen wanneer de tuchtoverheid er niet in slaagt om met een eigen onderzoek een duidelijk zicht te krijgen op het bestaan en de ernst van de feiten en om zich aldus een beeld te vormen van de noodzaak van een tuchtrechtelijke vervolging. De mogelijkheid om de tuchtvordering uit te stellen moet derhalve worden opgevat als een uitzondering op de regel, waarvan slechts gebruik mag worden gemaakt wanneer de tuchtoverheid op basis van een eigen onderzoek er niet in slaagt om alle gegevens die van wezenlijk belang kunnen zijn voor het tuchtrechtelijk optreden te achterhalen. Een en ander heeft tot gevolg dat de Raad van State, wanneer een verzoeker aanvoert dat de tuchtvordering ten onrechte gekoppeld is aan de afloop van de gerechtelijke procedure, desgevraagd nagaat of de tuchtoverheid niet op grond van het eigen onderzoek over voldoende gegevens beschikte om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen en of zij wel voldoende inspanningen heeft geleverd om zelf klaarheid in de zaak te brengen. XIV-37.737-18/47 Bij ontstentenis van dat bewijs zal worden vastgesteld dat de tuchtvordering niet tijdig ingesteld is. Bij de beoordeling van de vraag wanneer de gegevens waarover de (hogere) tuchtoverheid beschikt volstaan om de tuchtvordering op te starten en daartoe een inleidend verslag op te stellen, met andere woorden wanneer de tuchtoverheid zich een duidelijk beeld kan vormen omtrent het bestaan en de ernst van de feiten en de toerekening ervan aan de politieambtenaar, beschikt deze overheid over een ruime beoordelingsbevoegdheid. De Raad van State is bij de beoordeling hiervan enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. Het voorgaande sluit aan bij de leer van het arrest van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak nr. 190.728 van 20 februari 2009, dat weliswaar geen betrekking heeft op de in de tuchtwet vervatte regeling, maar die ook in de arresten nr. 197.017 van 19 oktober 2009 en nr. 201.862 van 15 maart 2010 inzake tuchtprocedures tegen politieambtenaren is gevolgd.
- Uit wat voorafgaat, volgt dat de beoordeling van het beginsel van de redelijke termijn zich aandient indien de voorwaarden om toepassing te maken van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet vervuld zijn - en de tuchtoverheid dus niet over voldoende gegevens beschikt om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen - en de tuchtoverheid derhalve de gerechtelijke eindbeslissing afwacht om de tuchtvordering in te stellen. Beschikt de overheid daarentegen over voldoende gegevens om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen, dan vergt dit geen beoordeling van de vraag of door dit afwachten er een schending is van het beginsel van de redelijke termijn, maar wel van de vraag of de tuchtvordering alsnog tijdig is ingesteld. XIV-37.737-19/47
- Verzoeker voert vooreerst aan dat de tuchtoverheid reeds vroeger over voldoende gegevens beschikt om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen. Op het eerste gezicht overtuigt deze grief niet. De bestreden beslissing neemt 9 augustus 2017, zijnde de datum waarop de procureur des Konings de toelating verleent om het videofragment te gebruiken binnen de tuchtprocedure (zie supra, punt 3.7., punt 3 van de bestreden beslissing), als de datum die in aanmerking moet worden genomen voor het bepalen van de verjaringstermijn van de kennisgeving van het inleidend verslag. De hogere tuchtoverheid wijst er inzonderheid op dat zij op die datum kennis kreeg van het volledige strafdossier, met inbegrip van het videofragment. Verzoeker van zijn kant plaatst zich op het standpunt dat de verwerende partij sinds 2016 kennis had of moest hebben van de tuchtfeiten, zodat de tuchtvordering is vervallen. Volgens hem blijkt zulks uit twee feiten: allereerst het feit dat de coördinatiedienst - de afdeling Kwaliteitszorg - van de hogere tuchtoverheid in het bezit was van het betrokken kwestieuze videofragment en dat mag worden aangenomen dat die dienst, op grond van de in artikel 10, derde lid, van het koninklijk besluit van 26 november 2001 vervatte informatieplicht die volgens hem rust op de voorafgaand onderzoek “en aldus eveneens [op] de coördinatiedienst”, haar plichten heeft vervuld en de hogere tuchtoverheid reeds in 2016 heeft ingelicht omtrent de inhoud van het dossier. Het tweede feitelijke argument is dat in de aan verzoeker opgelegde voorlopige schorsing was omschreven om welke feiten het ging. Wat het eerste feitelijk argument betreft, blijkt dat te dezen geen voorafgaand onderzoek werd bevolen, hetgeen overigens ter terechtzitting door verzoeker uitdrukkelijk is bevestigd. Anders dan hoe verzoeker het stelt, blijkt niet dat de afdeling Kwaliteitszorg is opgetreden als voorafgaand onderzoeker. De in artikel 10, derde lid, van het koninklijk besluit van 26 november 2001 bepaalde verplichting om de tuchtoverheid regelmatig op de hoogte te brengen van de vordering van het voorafgaand onderzoek, die enkel bestaat wanneer een XIV-37.737-20/47 voorafgaand onderzoek is bevolen bij toepassing van artikel 32, eerste lid, of 38 van de tuchtwet, vindt bijgevolg op haar geen toepassing. Het middel mist op dat punt duidelijk feitelijke grondslag. Nu in deze stand van het geding lijkt vast te staan dat die dienst niet is opgetreden in het raam van het lastens verzoeker gevoerd (voorafgaand) tuchtonderzoek, kan uit het enkele gegeven dat die dienst reeds (in het kader van het lopende strafonderzoek) vroeger over het betrokken videofragment beschikte, op het eerste gezicht niet worden afgeleid dat de (hogere) tuchtoverheid reeds vroeger kennis had of moest hebben over de wezenlijke elementen die in de tuchtzaak aan de orde zijn. Evenmin toont het tweede argument, dat verzoeker bij ordemaatregel preventief werd geschorst, aan dat de hogere tuchtoverheid op dat tijdstip reeds over voldoende inlichtingen beschikte om voor de feiten waarvoor verzoeker vervolgd werd, de tuchtvordering in te stellen. Vooreerst betwist verzoeker in zijn verzoekschrift niet de bevindingen door de Tuchtraad dat de tuchtoverheid voor hem had opgeworpen dat de voorlopige schorsing geschiedde naar aanleiding van het gerechtelijk dossier 155/2015 hetgeen geen betrekking heeft op het voorliggende tuchtdossier, zijnde volgens de Tuchtraad een “gegeven dat door de verzoeker niet wordt tegengesproken.” In het verzoekschrift wordt dit gegeven evenmin betwist. De Raad van State neemt derhalve in de huidige stand van het geding aan dat verzoeker voorlopig werd geschorst op grond van een volledig ander dossier dat over andere feiten gaat. Het eigen standpunt van verzoeker dat “uit de stukken mbt de voorlopige schorsing, waarin PV nummers werden opgesomd en werd omschreven over welke feiten het ging”, ook blijkt dat de tuchtoverheid reeds veel eerder kennis had gekregen van de voorliggende tuchtfeiten, zonder dat verzoeker die stelling (feitelijk) uitwerkt of aannemelijk maakt in het raam van de voorgaande vaststellingen, is derhalve prima facie een loutere bewering. Ze leidt derhalve niet tot het aannemelijk maken dat de (hogere) tuchtoverheid reeds vroeger kennis had of moest hebben over de wezenlijke elementen die in de tuchtzaak aan de orde zijn. Verzoeker gaat er in zijn kritiek tot slot aan voorbij dat bij het opleggen van een voorlopige schorsing bij ordemaatregel in de zin van artikel 59 van de tuchtwet, die een preventieve maatregel is, de overheid vooralsnog geen uitspraak doet over de schuldvraag of XIV-37.737-21/47 over de toewijsbaarheid van de ten laste gelegde tuchtfeiten. Uit het enkele feit dat aan verzoeker een ordemaatregel werd opgelegd en dat “de tuchtoverheid toen reeds oordeelde dat de feiten ernstig waren en dat zij geen samenwerking met verzoeker meer zag zitten”, kan niet worden afgeleid dat de hogere tuchtoverheid reeds dan de vereiste kennis had of moest hebben over de wezenlijke elementen die in de tuchtzaak aan de orde zijn. Het middel is in die mate niet ernstig.
- Verzoeker voert ook aan dat de hogere tuchtoverheid onvoldoende inspanningen heeft ondernomen. Verzoeker voert in het middel in wezen aan dat de hogere tuchtoverheid door geen eigen administratief onderzoek te voeren naar deze toch eenvoudige feiten, te lang heeft stilgezeten, terwijl ze al in 2016 op de hoogte was van de feiten. Volgens verzoeker houdt het feit dat het dossier is geseponeerd, in dat het onderzoek en de feiten niet al te ingewikkeld zijn en dat een administratief dossier zeker tot de mogelijkheden behoorde. De coördinatiedienst heeft een onderzoek gevoerd en de mogelijkheid om verzoeker en zijn collega op te roepen voor een administratief onderzoek en verhoor behoorde zeker tot de mogelijkheden. Het was niet in die mate onmogelijk dat het een strafrechtelijk onderzoek zou kunnen schaden. Deze grief overtuigt evenmin. Verzoeker uit te dezen enkel een algemene kritiek, zonder dat hij evenwel concreet aangeeft waarom de parallelle uitvoering van de volgens hem voor de hand liggende tuchtrechtelijke onderzoeksdaden die de tuchtoverheid of de desgevallend aangestelde voorafgaande onderzoeker konden stellen om op tuchtrechtelijk vlak meer duidelijkheid in de zaak te krijgen betreffende de wezenlijke elementen die in een tuchtzaak aan de orde zijn - het bewijs van de feiten die de betrokkene gepleegd heeft, de ernst van de feiten en de schuld van de betrokkene, de tuchtrechtelijke kwalificatie en de weerslag van de feiten op de XIV-37.737-22/47 werking van de dienst - het lopende strafonderzoek niet hinderen en zouden toelaten dat de tuchtoverheid op grond daarvan over voldoende gegevens beschikte om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen. Verzoeker verwijst wel op algemene wijze naar de mogelijkheid om hem en zijn collega te horen, doch hij maakt op zich niet aannemelijk dat verzoeker en diens collega gedurende het lopende strafonderzoek aan de tuchtoverheid klaarheid had willen geven over de wezenlijke elementen die in de voorliggende tuchtzaak aan de orde zijn, zodat hun tuchtrechtelijk verhoor redelijkerwijs te dezen een voor de hand liggende onderzoeksdaad zou zijn geweest. Voorts houdt de enkele vaststelling dat het opsporingsonderzoek nadien werd geseponeerd op zich niet in “dat het onderzoek en de feiten niet al te ingewikkeld zijn en dat een administratief dossier zeker tot de mogelijkheden behoorde.” Ook het voeren van een eigen onderzoek of het stellen van eigen onderzoekshandelingen in een, naar verzoeker beweert, “niet al te ingewikkeld” gerechtelijk dossier, kan immers inhouden dat die het strafonderzoek kunnen hinderen of doorkruisen. Dat verzoeker het te dezen anders ziet dan de tuchtoverheid en de procureur des Konings, doet weliswaar blijken van een eigen feitelijke beoordeling hiervan, doch die maakt niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid door te wachten op de kennisgeving door de gerechtelijke overheid van het gehele strafdossier, de perken van haar beoordelingsbevoegdheid te buiten is gegaan.
- Het is aan verzoeker die de schending van artikel 56 van de tuchtwet aanvoert, om het bewijs te leveren dat de door die bepaling voorgeschreven verjaringstermijn niet werd nageleefd. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker op het eerste gezicht dat bewijs niet levert. Wat tot slot de geschonden redelijketermijnvereiste betreft, bouwt verzoeker geen specifieke argumentatie op zodat deze grief geacht moet worden ofwel samen te vallen met wat hiervóór al is besproken, ofwel niet ontvankelijk te zijn.
- Het middel is in die mate niet ernstig XIV-37.737-23/47 De niet-melding dat toepassing is gemaakt van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet
- Verzoeker bekritiseert in het middel ook dat hij nooit in kennis is gesteld van een formele toepassing van artikel 56, tweede lid van de tuchtwet, hetgeen volgens hem maakt dat die bepaling niet meer van toepassing kan zijn. De in artikel 56, tweede lid van de tuchtwet vervatte opschorting van de verjaringstermijn in geval van een opsporingsonderzoek of een strafvervolging volgt uit de tuchtwet zelf zonder dat daarover een beslissing moet worden genomen door de (hogere) tuchtoverheid. Voor de toepassing en werking van dit beginsel is aldus geen mededeling vereist, zodat de vraag of er al dan niet een (correcte) mededeling omtrent de opschorting van de procedure gebeurd is, dan ook geen invloed heeft op de toepassing van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet. Verzoeker heeft aldus geen belang bij deze kritiek.
- Het middel is in die mate niet ernstig. Conclusie
- Het eerste middel is niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Het tweede middel draagt als kopje “de schending van de objectiviteit van de voorafgaand onderzoeker.” Na het doel van het voorafgaand onderzoek en de finaliteit van een onpartijdig onderzoek te hebben uiteengezet, stelt verzoeker dat “van enige objectiviteit in hoofd van de voorafgaand onderzoeker [er] geen sprake [is]”. Verzoeker detailleert zijn standpunt ter zake en concludeert dat “het […] duidelijk [is] dat de voorafgaand onderzoeker hierdoor zijn taak om een onderzoek ten laste en ontlaste te voeren te buiten gaat en XIV-37.737-24/47 hierdoor het ganse voorafgaand onderzoek schade toebrengt.” Volgens hem is de volledige tuchtprocedure op een onherstelbare wijze in het gedrang gebracht omdat de schijn van de partijdigheid die er het gevolg van is, aan de volledige feitenvinding blijft kleven, zodat “gelet op al het voorgaande”, de bestreden beslissing moet worden vernietigd “wegens gebrek aan objectiviteit in hoofde van de voorafgaand onderzoeker.” Dat maakt volgens verzoeker ook een schending uit van de zorgvuldigheidsplicht en het recht van verdediging, hetgeen hij toelicht. Beoordeling De ontvankelijkheid van het middel
- De verwerende partij betwist in hoofdorde de ontvankelijkheid van het middel.
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidexceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over de opgeworpen exceptie zou alleen nodig zijn indien zou komen vast te staan dat het middel ernstig is, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. De ernst van het middel
- Zoals bij de behandeling van het eerste middel is vastgesteld (zie supra, punt 12), blijkt dat te dezen geen voorafgaand onderzoek werd bevolen, hetgeen overigens ter terechtzitting door verzoeker uitdrukkelijk is bevestigd. Het middel gaat bijgevolg op het eerste gezicht uit van een verkeerde voorstelling van de feiten, zodat het om die reden niet ernstig is.
- Het tweede middel is niet ernstig. XIV-37.737-25/47 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in het derde middel de schending aan van de zorgvuldigheidsplicht. Hij betoogt dat moet worden vastgesteld dat de hogere tuchtoverheid zich steunt op niet-bewezen feiten. Bij ontkenning van de feiten door de tuchtrechtelijk vervolgde, impliceert volgens hem de zorgvuldigheid dat de tuchtoverheid niet uitsluitend kan steunen op de klacht van één persoon of op een versie van getuigen uit de tweede hand, maar dat zij moet overgaan tot een onderzoeksmaatregel. Volgens verzoeker haalt de tuchtoverheid argumenten aan die niet steunen op materieel bewijs: zo gaat de tuchtoverheid ervan uit dat P. geen Nederlands zou begrijpen, maar zij weigert dat te onderzoeken en P. te horen. Zo gaat de tuchtoverheid ervan uit dat de uitspraken zonder meer met een slechte intentie zijn gepleegd en dat er geen sprake kan zijn van een eerdere verspreking door P. De tuchtoverheid verklaart niet waarom P. staat te lachen aan het dienstvoertuig indien ze dan al vernederd en racistisch zou zijn benaderd geweest. De hogere tuchtoverheid aanvaardt niet dat het om een fragment gaat dat uit zijn context is gerukt en dat een gesprek in zijn geheel dient te worden beoordeeld. Verzoeker besluit dat de tuchtoverheid weigert te onderzoeken of P. de verspreking deed en deze toestand zelf hilarisch vond en aldus helemaal niet werd vernederd. Beoordeling
- Verzoeker voert in het middel aan dat de zorgvuldigheidsplicht is geschonden. De zorgvuldigheidsplicht volgt uit het zorgvuldigheidsbeginsel. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke XIV-37.737-26/47 en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. De zorgvuldigheidsplicht houdt evenwel niet in dat van een tuchtoverheid moet worden verwacht dat zij een loutere suggestie of bewering die niet op een geloofwaardige wijze is ingeroepen, met de nodige zorgvuldigheid onderzoekt. Enkel wanneer de ingeroepen bewering niet is ontbloot van elk element van geloofwaardigheid, rust op de tuchtoverheid de hiervoor geschetste zorgvuldigheid bij het onderzoek van dit gegeven.
- Ter adstructie van zijn standpunt dat de hogere tuchtoverheid onzorgvuldig de door hem betwiste feiten heeft onderzocht, doet verzoeker vooreerst gelden dat de (te dezen) hogere tuchtoverheid ervan uitgaat dat P. het Nederlands niet begrijpt, maar dat weigert te onderzoeken en P. daartoe te horen. De formele motivering van de bestreden beslissing is hiervoor weergegeven (supra, punt 3.7.). Hieruit blijkt dat de aan verzoeker ten laste gelegde feiten een tuchtvergrijp uitmaken omdat hij de waardigheid van het ambt op een zeer ernstige wijze heeft geschonden doordat, luidens de beslissing, zijn “uitspraken minstens uitermate ongepast, beledigend, vernederend, onrespectvol, mensonterend en zelfs racistisch zijn ten aanzien van de dame van andere origine en ten aanzien van een gehele bevolkingsgroep.” Anders dan wat verzoeker thans betoogt, is voorts in de bestreden beslissing niet te lezen dat P. “geen Nederlands zou begrijpen”, wel dat P. de Nederlandse taal “niet voldoende machtig is.” Dat laatste wordt voorts ook als zodanig erkend door verzoeker gedurende zijn verhoor op 20 september 2017 door de burgemeester, waar hij aangeeft dat er geen sprake is van racisme, “doch eerder van een komische situatie die ontstaan is door de beperkte taalvaardigheden van de dame die te zien is in de beelden en haar naam [P.].” Ook in de pleitnota door verzoekers raadsman neergelegd op de zitting van 6 februari 2018 voor de Tuchtraad, stelt verzoeker dat “door iedereen wordt gesteld dat [P.] geen Nederlands zou verstaan, maar ze verstond ons goed, aangezien wij haar de hele uitleg hebben gedaan en ik steeds een paar keer vraag of ze het goed begrepen hebben als ik twijfels heb daarover.” Evenmin blijkt dat XIV-37.737-27/47 verzoeker de taalkennis van P. en het onderzoek ernaar als argument of verzoek tot onderzoek heeft aangehaald voor de Tuchtraad. Los van de vaststelling dat verzoeker in het middel niet duidt waarom de (concrete) taalkennis van P. in feite of in rechte relevant is ter beoordeling van het aan verzoeker ten laste gelegde tuchtvergrijp en waarom derhalve de onderzoeksmaatregel van het horen van P. nodig is om tot een behoorlijke feitenvinding ter zake te komen - zodat de vraag kan rijzen naar verzoekers belang bij het opwerpen van deze kritiek -, volgt uit wat voorafgaat dat op het eerste gezicht de hogere tuchtoverheid niet de grens van haar appreciatiemarge heeft overschreden door te oordelen dat P. de Nederlandse taal “niet voldoende machtig is.” Voorts oordeelde de tuchtoverheid dat, “omdat de feiten al bewezen waren door de vastlegging ervan op een videofragment, dienden geen afzonderlijke onderzoeksdaden meer te worden verricht”. Zij nam aldus aan dat het videofragment volstond ter bewijs van het tuchtvergrijp. In deze feitelijke context maakt verzoeker derhalve op het eerste gezicht niet aannemelijk dat het gegeven dat de hogere tuchtoverheid P. niet heeft gehoord omtrent haar kennis van het Nederlands, doet blijken van een onzorgvuldige feitenvinding.
- Het tweede argument dat verzoeker ter adstructie van zijn standpunt aanvoert, is dat de hogere tuchtoverheid niet heeft onderzocht of P. een verspreking deed, die toestand zelf hilarisch vond en dus helemaal niet werd vernederd. De feitelijke argumenten die verzoeker ter adstructie van zijn standpunt aangeeft, hebben op het eerste gezicht allen betrekking op de ruimere context waarin het gesprek heeft plaatsgehad. Uit de gegevens van de zaak en meer bepaald uit de beoordeling in de bestreden beslissing van het verzoek P. te horen - zodat die haar versie van de feiten kan meedelen en de algemene context van het laakbaar gedrag kon geven - blijkt uit de bestreden beslissing dat de hogere tuchtoverheid die problematiek heeft onderzocht, maar dat zij heeft geoordeeld dat het voorgestelde XIV-37.737-28/47 getuigenverhoor niet opportuun is aangezien op grond van de voorliggende gegevens de tenlasteleggingen reeds werden bewezen. (zie supra, punt 3.7., inzonderheid punt 5.1 van de bestreden beslissing). Voorts oordeelt de hogere tuchtoverheid dat de tuchtoverheid in het filmfragment “een ontoelaatbaar, onrespectvol en totaal ongepast gedrag vast[stelt] ten aanzien van de dame, in welke context dan ook” (bestreden beslissing, punt 5.2.4.). Verzoeker betrekt die gegevens en argumenten zoals die duidelijk blijken uit de formele motivering van de bestreden beslissing, niet in zijn middel. Hij beperkt zich ter zake tot het geven van een eigen niet-gestaafde feitelijke zienswijze inzake de context van het gesprek met P. Hiermee maakt hij evenwel op het eerste gezicht geenszins aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid in het licht van wat voorafgaat en in de beslissing is gesteld, op dat punt tot een appreciatie is gekomen die de perken van haar beoordelingsbevoegdheid te buiten gaat.
- Het derde middel is niet ernstig. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in het vierde middel de schending aan van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991), van de formelemotiveringsplicht vervat in artikel 38sexies van de tuchtwet en van de materiëlemotiveringsplicht. In fine voert verzoeker ook nog de schending aan van de zorgvuldigheidsplicht en van het recht van verdediging. Na een theoretische uiteenzetting over de formelemotiveringsplicht vervat in de wet van 29 juli 1991 en artikel 38sexies van de tuchtwet, doet verzoeker gelden dat, aangezien te dezen één van de zwaarste tuchtstraffen werd opgelegd, kan worden vereist dat in een zeer nauwkeurige en precieze motivering wordt voorzien. Verzoeker stelt vast dat de bestreden beslissing is gesteund op de mening van de tuchtoverheid dat verzoeker zich als XIV-37.737-29/47 politieambtenaar moet onthouden van zulk een gedragingen. De hogere tuchtoverheid motiveert niet waarom die gedragingen volgens haar bewezen zijn, minstens geeft zij niet aan welke materiële bewijzen er naar voor gebracht worden. Zij stelt dat het videofragment voldoende is om aan te tonen dat er racistische uitspraken zouden gedaan zijn. Zij stelt niet dat het onmogelijk is dat een deel van een gesprek waarbij de context niet bekeken wordt, niet racistisch kan zijn. Zij stelt dat het niet nodig is P. te verhoren, omdat er al een fragment voorhanden is. Het is volgens verzoeker echter van belang om P. te horen teneinde te kunnen nagaan of zij die uitspraken heeft ervaren als racistisch, minstens kan bevestigen dat er sprake was van een verspreking die de hilarische toestand heeft gecreëerd. De motivering is niet afdoende, nu er wordt gesteld dat er voldoende bewijs voorhanden is door het bestaan van een gefilmd fragment van een gesprek en dat de context van dit gesprek niet belangrijk is. De context van het gesprek en de ervaring ervan door P. is volgens verzoeker wel degelijk belangrijk om aan te tonen welke connotatie er aan de uitgesproken woorden dient gegeven te worden. Verzoeker merkt voorts op dat hij heeft aangehaald dat hij sedert de video-opname in 2013 nog meer dan twee jaar heeft gefunctioneerd binnen de dienst en dat hij niet gekend is als racist. Hij heeft veel gewerkt met mensen van vreemde origine. Een éénmalige uitspraak, die dan nog volgens hem in de verkeerde context wordt geplaatst, kan derhalve niet in alle redelijkheid leiden tot een ontslag. Verzoeker begrijpt niet waarom geen lichtere tuchtstraf werd uitgesproken en waarom elke verdere samenwerking onmogelijk zou zijn. De tuchtoverheid argumenteert hieromtrent volgens hem niet duidelijk en legt niet uit waarom de samenwerking in de periode na de feiten, van 2013 tot en met 2016, wel nog mogelijk was en nadien niet meer. Verzoeker is dezelfde persoon gebleven en tijdens de voornoemde periode zijn er geen klachten geweest. Verzoeker acht zich ook gegriefd doordat niet wordt ingegaan op het gevraagde verhoor van P. en de confrontatie met zijn collega. Er wordt simpelweg gezegd dat deze onderzoeken niet nodig zijn omwille van het fragment van een gesprek wat volgens de hogere tuchtoverheid afdoende bewijs is en dat de context van het gesprek niet belangrijk is om te oordelen of de uitspraken XIV-37.737-30/47 racistisch zijn. Verzoeker meent nochtans dat een fragment van een gesprek nog niet aantoont dat de context racistisch is. Verzoeker is dan ook van oordeel dat de motiveringsplicht, de zorgvuldigheidsplicht en het recht van verdediging geschonden zijn. De tuchtoverheid antwoordt niet op de aangehaalde argumentatie en organiseert geen confrontatie. Beoordeling Schending van de formelemotiveringsplicht
- De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid ertoe in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden.
- De bestreden beslissing steunt op de hiervoor onder punt 3.
- weergegeven motieven. Hieruit blijkt op afdoende wijze waarom en op grond waarvan de verwerende partij de feiten bewezen acht, op welke bewijsmiddelen zij daarvoor steunt en waarom het verhoor van P. en de confrontatie met L. daartoe niet nodig werd geacht, alsook waarom de tuchtstraf werd opgelegd en waarom, naar het oordeel van de hogere tuchtoverheid, de verdere samenwerking met verzoeker onmogelijk werd geacht. Dit volstaat in het licht van de formelemotiveringsplicht. Voorts gaat de formelemotiveringsplicht te dezen niet XIV-37.737-31/47 zover dat ze de verwerende partij ertoe zou verplichten de uitgedrukte motieven ter zake nog nader te expliciteren. De enkele omstandigheid dat verzoeker zich niet kan vinden in de gegeven formele motivering, maakt die daarom niet onwettig. Waar verzoeker ook doet gelden dat de verwerende partij geen uitleg geeft waarom de samenwerking van de periode 2013 tot en met 2016 nog mogelijk was en nadien niet meer, houdt - anders dan verzoeker voorhoudt - de formele motivering niet in dat de verwerende partij ertoe verplicht is uitdrukkelijk te antwoorden op alle door hem tijdens de tuchtprocedure opgeworpen argumenten. Het volstaat dat impliciet of expliciet blijkt dat de argumentatie van verzoeker daadwerkelijk in de besluitvorming is betrokken. Te dezen beperkt verzoeker zich wat deze kritiek betreft tot een blote bewering, zonder in concreto nader toe te lichten of uit te werken waarom uit de bestreden beslissing niet (minstens impliciet) kan worden afgeleid waarom dat (zijn) argumenten in het algemeen niet werden aanvaard om een lichtere of geen straf op te leggen, derwijze dat hierdoor de formelemotiveringsplicht zou zijn miskend. Het middel is in die mate niet ernstig.
- Verzoeker voert ook de schending aan van de formelemotiveringsplicht zoals die is vervat in artikel 38sexies van de tuchtwet. Die bepaling luidt: “Art. 38sexies. Op grond van het volledige dossier en van het verweer, deelt de hogere tuchtoverheid haar beslissing mede door kennisgeving aan het betrokken personeelslid tegen een ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekend schrijven. De beslissing kan zijn, ofwel dat zij beslist heeft geen tuchtstraf uit te spreken, ofwel dat zij beslist heeft één van de lichte tuchtstraffen uit te spreken, ofwel dat zij beslist heeft een voorstel van één van de zware tuchtstraffen uit te spreken. De beslissing wordt aan het betrokken personeelslid medegedeeld, uiterlijk vijftien dagen na het verstrijken van de in artikel 38quater bedoelde termijn van dertig dagen en vermeldt het recht van de betrokkene om tegen het voorstel van zware tuchtstraf bij de tuchtraad overeenkomstig artikel 51bis een verzoek tot heroverweging in te stellen. […] De in het eerste lid bedoelde beslissingen en voorstellen van beslissingen van de hogere tuchtoverheid, worden formeel gemotiveerd.” XIV-37.737-32/47 Zonder dat de Raad van State moet onderzoeken of, in het licht van artikel 6 van de wet van 29 juli 1991, de in het laatste lid van die bepaling vervatte formelemotiveringsplicht minder strengere dan wel strengere verplichtingen oplegt als die bepaald in de voornoemde wet, blijkt op het eerste gezicht de bestreden beslissing geen beslissing of voorstel van beslissing van de hogere tuchtoverheid in de zin van artikel 38sexies, eerste lid van de tuchtwet te zijn. In zoverre de schending van de laatstgenoemde wet wordt aangevoerd, mist het middel derhalve juridische grondslag. Het middel is derhalve in die mate niet ernstig. De schending van de materiëlemotiveringsplicht
- De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. De tuchtoverheid heeft bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, zowel op het stuk van de bewezenverklaring als op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde feiten. De tuchtoverheid die zich over het opleggen van een tuchtstraf wegens een bepaald feit moet uitspreken, vermag daarbij niet alleen te steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen, vermoedens, enz. Indien zoals te dezen, een tuchtregeling geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft, beoordeelt de tuchtoverheid op discretionaire wijze de bewijswaarde van de gegevens uit het tuchtdossier om tot een bepaalde overtuiging te komen. Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf een beoordeling te maken van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke XIV-37.737-33/47 gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.
- De formele motivering van de bestreden beslissing is hiervoor weergegeven (supra, punt 3.7.). Hieruit blijkt dat tot het vaststaan van de feiten is besloten op grond van het betreffende videofragment en verzoekers verklaring daaromtrent, hetgeen steun vindt in het administratief dossier. Ook blijkt, wat reeds in het derde middel werd onderzocht, waarom volgens de verwerende partij de ruimere context van het videofragment, noch het verhoor van P. en de confrontatie met L. relevant is voor de feitenvinding. Voorts is de toerekening van de tuchtrechtelijke feiten aan verzoeker omstandig onderzocht. Verzoeker voert inzake de feitenvinding een aantal feitelijke kritieken aan. Een eerste betreft het eigen standpunt dat het verhoor van P. en de confrontatie met L. daartoe wel nodig was, alsook dat de context van het op het videofragment opgenomen gesprek wel belangrijk is. Verzoeker betrekt de vaststellingen ter zake in de bestreden beslissing niet in zijn verzoekschrift, doch beperkt zich daarentegen tot het geven van een eigen niet-gestaafde feitelijke appreciatie van de relevantie van de context van het gefilmd gesprek en van de noodzaak om P. te horen en tot de confrontatie over te gaan met N.L. Met die blote beweringen en eigen visie op de feitenvinding, maakt hij evenwel prima facie niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid in haar beoordeling van het bewijs van de feiten, tot een conclusie is gekomen waaruit een schending van de materiëlemotiveringsplicht zou moeten blijken. In een tweede kritiek oordeelt verzoeker dat, gelet op zijn persoon en zijn functioneren sinds 2013, de hem tenlastegelegde feiten in alle redelijkheid niet kunnen leiden tot een ontslag. Zonder dat de Raad van State moet onderzoeken of er in de betrokken tijdspanne geen klachten zouden zijn geweest en los van het gegeven dat de omstandigheid dat de feiten eenmalig waren, op zich niet de verwijdering van een politieambtenaar uit het ambt belet, stelt de Raad van State vast dat de verwerende partij omstandig uiteenzet waarom, naar haar mening, een verdere samenwerking met verzoeker niet mogelijk wordt geacht, waarom het XIV-37.737-34/47 ontslag van ambtswege aangewezen is en de meest gepaste tuchtstraf is voor de aan verzoeker ten laste gelegde feiten, die de verwerende partij als zeer ernstig aanziet en oordeelt dat ze op ernstige wijze het vertrouwen in de politie en de geloofwaardigheid en het imago van de politie schaden. Op grond van zijn functioneren sinds 2013, het eenmalig karakter van de tuchtfeiten, het eigen standpunt dat hij geen racist is en dat hij veel heeft gewerkt met mensen van vreemde origine, is verzoeker het niet eens met het standpunt van verzoeker en is hij een andere mening toegedaan inzake de ernst van de opgelegde straf. Op zich maakt dat ander standpunt evenwel niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid in verband met de beoordeling van de strafmaat tot een onredelijke conclusie is gekomen waaruit de schending van de materiëlemotiveringsplicht moet blijken. Het middel is in die mate niet ernstig. Schending van de zorgvuldigheidsplicht
- Verzoeker voert in fine van het middel ook de schending aan van de zorgvuldigheidsplicht. De draagwijdte van de zorgvuldigheidsplicht is hiervoor reeds bepaald (zie supra, punt 25.). Vooreerst stelt de Raad van State vast dat bij de voorgaande behandeling van de grief gesteund op de schending van de materiëlemotiveringsplicht, is gebleken dat de bestreden beslissing op deugdelijke materiële motieven steunt, zodat het niet langer relevant is om te onderzoeken of de overheid zorgvuldig heeft gehandeld - er kan immers niet enerzijds tot de conclusie worden gekomen dat een beslissing op deugdelijke materiële motieven steunt en anderzijds dat de overheid onzorgvuldig heeft gehandeld. Om te stellen dat de tuchtoverheid onzorgvuldig is geweest, beperkt verzoeker zich voorts tot het hernemen van zijn kritiek op het feit dat P. niet werd verhoord en dat er geen confrontatie met L. is gebeurd, alsook dat het videofragment van een gesprek nog niet aantoont dat de context racistisch is, doch hij maakt hiermee niet aannemelijk XIV-37.737-35/47 dat de hogere tuchtoverheid door deze handelingen niet te hebben gesteld, of de gehele context van het videofragment te hebben beoordeeld, tot een conclusie is gekomen die de grens van zijn beoordelingsbevoegheid te buiten zou gaan. Kortom, met de enkele opsomming van een aantal te stellen onderzoeksdaden, maakt verzoeker niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid op onzorgvuldige wijze de feiten heeft beoordeeld. Het middel is in die mate niet ernstig. Schending van het recht van verdediging
- Uit de voorgaande behandeling blijkt dat de tuchtoverheid haar beoordelingsvrijheid niet heeft geschonden door te oordelen dat de confrontatie met L. geen meerwaarde biedt. Door aldus geen confrontatie te organiseren, schendt de verwerende partij evenmin het recht op verdediging. Het middel is in die mate niet ernstig. Conclusie
- Het vierde middel is niet ernstig. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in het vijfde middel de schending aan van artikel 3 van het koninklijk besluit van 26 november 2001, alsook in fine van het middel, de schending van het recht van verdediging en van de zorgvuldigheidsplicht. Verzoeker stelt dat stukken ontbreken in het tuchtdossier. Ondanks de vaststelling dat vanaf 2016 door de coördinatiedienst een onderzoek XIV-37.737-36/47 werd gevoerd, is volgens hem in het dossier nergens een spoor te vinden van enig verslag dat daaromtrent zou zijn opgemaakt ten behoeve van de tuchtoverheid. Evenmin is ergens terug te vinden hoe de gewone tuchtoverheid aan de nummers van de processen-verbaal is geraakt die worden weergegeven in de stukken met betrekking tot de voorlopige schorsing. Hieruit blijkt dat de gewone tuchtoverheid meer wist dan zij liet uitschijnen. De vraag dringt zich op hoe de tuchtoverheid aan die nummers is gekomen. Hieruit blijkt volgens verzoeker duidelijk dat er stukken ontbreken en zijn hierdoor het recht van verdediging en de zorgvuldigheidsplicht geschonden. Beoordeling
- Wat het volgens verzoeker ontbrekende verslag van de coördinatiedienst ten behoeve van de tuchtoverheid betreft, gaat verzoeker er in dit vijfde middel op het eerste gezicht ook verkeerdelijk vanuit dat een voorafgaand onderzoek werd gevoerd door de coördinatiedienst. Zoals reeds is vastgesteld bij de behandeling van het eerste middel (zie supra, punt 13.), heeft geen voorafgaand onderzoek in het kader van de tuchtprocedure plaatsgevonden. Niet blijkt dat die dienst is opgetreden als coördinatiedienst in de zin van artikel 19 van het koninklijk besluit van 26 november 2001 en zij in het licht daarvan en overeenkomstig artikel 10, derde lid, van dit koninklijk besluit van 26 november 2001, de verwerende partij diende te informeren. In de mate dat derhalve enig verslag van deze dienst ten behoeve van de tuchtoverheid - of welk ander stuk vanwege deze dienst dan ook inzake het optreden op tuchtgebied - zou ontbreken, faalt het middel dan ook in de feiten. In de mate dat verzoeker in zijn uiteenzetting tevens verwijst naar stukken met betrekking tot de voorlopige schorsing, is bij de behandeling van het eerste middel eveneens vastgesteld dat de voorlopige schorsing die hem is opgelegd, werd genomen naar aanleiding van andere feiten (supra, punt 13.). De stukken inzake verzoekers voorlopige schorsing zijn derhalve geen stukken die betrekking hebben op de ten laste gelegde feiten in het kader van voorliggende tuchtprocedure en zijn dus op het eerste gezicht geen stukken die betrekking XIV-37.737-37/47 hebben op de voorliggende tuchtprocedure. Verzoeker maakt dan ook niet aannemelijk dat gegevens in het kader van die voorlopige schorsing in het voorliggend tuchtdossier hadden moeten worden opgenomen. Ook de Tuchtraad oordeelde in dezelfde zin en wees erop dat de voorlopige schorsing naar aanleiding van het gerechtelijk dossier 155/2015 geschiedde en geen betrekking heeft op voorliggende tuchtdossier zodat deze stukken niet gevoegd dienen te worden. Verzoeker betrekt deze gegevens niet bij zijn middel. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker niet aantoont dat er stukken ontbreken in het tuchtdossier en dat aldus artikel 3 van het koninklijk besluit van 26 november 2001, het recht van verdediging en de zorgvuldigheidsplicht zouden zijn geschonden.
- Het vijfde middel is niet ernstig. F. Zesde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker stelt in het zesde middel in hoofdorde dat het dossier geen stuk bevat waaruit de aanstelling van een voorafgaand onderzoeker blijkt, zodat er kan worden van uit gegaan dat de ganse dienst Kwaliteitszorg - die in algemene bewoordingen is aangewezen als coördinatiedienst in de zin van artikel 19 van het koninklijk besluit van 26 november 2001 - bevoegd was in het kader van het tuchtonderzoek. De vraag dient aldus volgens verzoeker te worden gesteld “of het in het kader van de tuchtprocedure mogelijk is een ganse dienst aan te stellen, zonder aan te duiden wat de graden van deze personen zijn, zodat niet kan nagegaan worden of zij de juiste hoedanigheid hebben om het onderzoek te voeren.” In ondergeschikte orde doet verzoeker gelden dat, aangezien er mag worden vanuit gegaan dat de hogere tuchtoverheid zich rechtstreeks heeft belast met de feiten dan wel de zaak heeft geëvoceerd, uit het dossier niet blijkt dat XIV-37.737-38/47 er een kennisgeving is gebeurd overeenkomstig artikel 38 van de tuchtwet. Volgens verzoeker brengt het feit dat zich in het dossier geen stuk bevindt waaruit zou blijken dat de hogere tuchtoverheid de gewone tuchtoverheid in kennis stelt van het feit dat de hogere tuchtoverheid zich rechtstreeks belast met de feiten, rechtstreeks de bevoegdheid van de hogere tuchtoverheid in het gedrang. De vraag rijst immers wie nu bevoegd is. Voorts is nergens een gemotiveerde evocatiebeslissing terug te vinden, zodat van evocatie evenmin sprake kan zijn. Indien de tuchtoverheid toepassing zou hebben gemaakt van haar evocatierecht, dan is volgens verzoeker artikel 18 van de tuchtwet geschonden. Minstens is artikel 38 van de tuchtwet geschonden, alsook het recht van verdediging en de zorgvuldigheidsplicht. Beoordeling De ontvankelijkheid van het middel
- De verwerende partij betwist in hoofdorde de ontvankelijkheid van het middel.
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidexceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over de opgeworpen exceptie zou alleen nodig zijn indien zou komen vast te staan dat het middel ernstig is, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. De ernst van het middel
- Wat de in hoofdorde aangevoerde kritiek betreft, blijkt uit de behandeling van het eerste middel (zie supra, punt 13.), dat te dezen geen voorafgaand onderzoek werd bevolen. Dat lijkt dan ook te verklaren waarom er geen “aanstellingsbesluit” van een vooronderzoeker voorligt. XIV-37.737-39/47 De in hoofdorde aangevoerde kritiek gaat op het eerste gezicht bijgevolg uit van een verkeerde voorstelling van de feiten, zodat het middel in die mate en om die reden niet ernstig is.
- Wat de in ondergeschikte orde aangevoerde schending van artikel 38 van de tuchtwet betreft, bepaalt het eerste lid van die bepaling het volgende: “De hogere tuchtoverheid die feiten die mogelijk een tuchtvergrijp uitmaken, vaststelt of er kennis van krijgt, of die een zaak evoceert, stelt een inleidend verslag op na eventueel een onderzoek te hebben bevolen. Wanneer de hogere tuchtoverheid zich rechtstreeks belast met de feiten of de zaak evoceert, stelt zij de gewone tuchtoverheid daarvan in kennis. Deze kennisgeving brengt onttrekking van de zaak mee voor de gewone tuchtoverheid.” De tuchtwet voorziet in twee niveaus van tuchtoverheden, met onderscheiden bevoegdheden maar met initiatiefrecht voor beiden, weze het dat de gewone tuchtoverheid haar tuchtbevoegdheid verliest wanneer de hogere overheid optreedt. Te dezen heeft de hogere tuchtoverheid zich uit eigen beweging, rechtstreeks met de tuchtprocedure belast toen zij via de procureur des Konings kennis kreeg van de feiten. Deze auto-saisine is een mogelijkheid die uitdrukkelijk is voorzien in het aangehaalde artikel 38, eerste lid, van de tuchtwet. De omstandigheid dat te dezen de hogere tuchtoverheid de gewone tuchtoverheid niet uitdrukkelijk in kennis heeft gesteld van de uitoefening van die eigen wettelijke bevoegdheid, ontneemt haar niet die in artikel 38 bepaalde tuchtbevoegdheid, noch maakt dat haar optreden onwettig. Overigens bemerkt de Raad van State dat op grond van artikel 17, tweede lid, van de tuchtwet, enkel de hogere tuchtoverheid bevoegd is om, zoals te dezen, een zware tuchtstraf op te leggen, zodat in elk geval de hogere tuchtoverheid te dezen de bevoegde tuchtoverheid is. Wat de schending van het in artikel 18 van de tuchtwet vervatte evocatierecht betreft, blijkt dat de hogere tuchtoverheid geen gebruik heeft gemaakt van haar evocatierecht. Overigens bemerkt de Raad van State dat de uitoefening van het in de voormelde bepaling bedoelde evocatierecht vereist dat de XIV-37.737-40/47 gewone tuchtoverheid een tuchtprocedure aanhangig heeft gemaakt, hetgeen te dezen niet het geval blijkt te zijn. Het middel is in die mate niet ernstig.
- Wat tot slot het in fine van het middel geschonden geachte recht van verdediging en het zorgvuldigheidsbeginsel betreft, bouwt verzoeker geen specifieke argumentatie op zodat deze grieven geacht moet worden ofwel samen te vallen met wat hiervóór al is besproken, ofwel niet ontvankelijk te zijn. Het middel is in die mate niet ernstig. Conclusie
- Het zesde middel is niet ernstig. G. Zevende middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in het zevende middel de schending aan van het “verbod van schijn van partijdigheid”, alsook van het “algemeen rechtsbeginsel van het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechter” dat volgens hem ook in tuchtzaken dient te worden gerespecteerd. Hij zet uiteen dat in de beslissing tot voorlopige schorsing wordt gesteld dat de aan het betrokken personeelslid ten laste gelegde feiten in strijd zijn met artikel 132 van de wet van 7 december 1998 ‘tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus’ en dat verzoeker niet langer kan functioneren binnen de politie en dat de feiten bewezen zijn. De hogere tuchtoverheid, die eveneens heeft geoordeeld in het kader van de voorlopige schorsing, heeft haar mening reeds op dusdanige wijze gevormd dat zij die niet meer kan wijzigen zonder gezichtsverlies te lijden en aldus vooringenomen is. Door in het kader van de voorlopige schorsing reeds te oordelen dat de feiten ernstig zijn, heeft de hogere tuchtoverheid te kennen XIV-37.737-41/47 gegeven dat zij geoordeeld heeft over het feit dat de feiten zich hebben voorgedaan. Het is voor verzoeker duidelijk dat de hogere tuchtoverheid zich aldus schuldig maakt aan vooringenomenheid en partijdigheid en niet objectief oordeelt en aldus het “beginsel van het recht op een onpartijdige en onafhankelijke rechter” heeft geschonden. Beoordeling
- Uit het middel blijkt dat verzoeker de onpartijdigheid betwist van de tuchtoverheid, zijnde een orgaan van het actief bestuur. In de mate dat verzoeker zich derhalve beroept op “het algemeen beginsel van het recht op een onafhankelijke rechter”, is het middel in die mate niet-ontvankelijk.
- In de mate dat verzoeker zich beroept op het onpartijdigheidsbeginsel, waarborgt dat beginsel, voor zover van toepassing op organen van het actief bestuur, zowel de persoonlijke onpartijdigheid als de structurele onpartijdigheid van, te dezen, de hogere tuchtoverheid, op het vlak van het verloop van de procedure en het tot stand komen van haar beslissingen. Verzoeker beroept zich op de subjectieve partijdigheid van de hogere tuchtoverheid. Subjectieve partijdigheid wordt evenwel niet vermoed en mag slechts worden aangenomen indien precieze feiten of concrete aanwijzingen worden bijgebracht die deze partijdigheid aantonen.
- In deze stand van het geding levert verzoeker dit bewijs niet. Verzoeker wijst ter adstructie van zijn argumentatie in het verzoekschrift naar de beslissing betreffende verzoekers voorlopige schorsing, om hieruit af te leiden dat het duidelijk is dat “de huidige hogere tuchtoverheid […] haar mening op dusdanige wijze reeds gevormd heeft, en dat zij deze niet meer kan wijzigen zonder gezichtsverlies te lijden en aldus vooringenomen is.” Volgens XIV-37.737-42/47 verzoeker zou uit de beslissing inzake de voorlopige schorsing duidelijk blijken dat de hogere tuchtoverheid vooringenomen is, “in die zin dat zij duidelijk stelt dat de ten laste gelegde feiten gepleegd zijn.” Zoals reeds bij de behandeling van het eerste middel is vastgesteld (supra, punt 13.), staat in de huidig stand van het geding vast dat verzoeker voorlopig werd geschorst op grond van een volledig ander dossier dat over andere feiten gaat en dat geen betrekking had over de feiten waarvoor hij met de thans bestreden beslissing tuchtrechtelijk is gestraft. Verzoeker gaat in zijn middel hieraan voorbij. In het bijzonder maakt hij niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid zich in het kader van die voorlopige schorsing reeds heeft uitgesproken over de (ernst) van de thans bestrafte feiten. Het eigen standpunt van verzoeker vindt derhalve geen steun in het dossier.
- Het zevende middel is niet ernstig. H. Achtste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in het achtste middel de schending aan van het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel, alsook in fine, van het zorgvuldigheidsbeginsel. Hij doet gelden dat de redelijkheid van de hogere tuchtoverheid bij de beoordeling van de strafmaat ernstig in vraag dient te worden gesteld. Volgens hem is het opleggen van een van de zwaarste tuchtstraffen “voor een gesprek, waarbij een vermoeden van racisme kan ontstaan maar geen duidelijkheid wordt gegeven over de ganse context en de betrokken dame van andere origine niet wordt gehoord en waarbij dient vastgesteld te worden dat verzoeker nog meer dan twee jaar vlekkeloos heeft gefunctioneerd”, duidelijk onevenredig. Bovendien werden anderen voor dezelfde feiten een minder zware tuchtsanctie opgelegd, wat eveneens de redelijkheid schendt. XIV-37.737-43/47 Beoordeling
- In de mate dat verzoeker in het middel opnieuw de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel inroept ter adstructie van zijn eigen standpunt dat er geen duidelijkheid wordt gegeven over de ganse context en dat P. niet werd gehoord, wordt verwezen naar de behandeling van het derde middel (zie supra, punt 27.). Uit wat voorafgaat volgt, dat in het achtste middel enkel nog aan de orde is de vraag of de strafmaat het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel miskent.
- Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht, niet toe om zelf een beoordeling te maken van de strafmaat. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid bij de keuze van de strafmaat, al dan niet het evenredigheids- en redelijkheidsbeginsel schendt. Een schending van de door verzoeker aangehaalde algemene beginselen van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat de tuchtoverheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Het redelijkheids- of evenredigheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de tuchtoverheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende tuchtoverheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen. De Raad van State gaat bij de beoordeling van de evenredigheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- of evenredigheidsbeginsel miskent. XIV-37.737-44/47
- Verzoeker was een politieambtenaar en had aldus een voorbeeldfunctie. Dit betekent dat kan worden aangenomen dat de tuchtoverheid principieel een strenge houding aanneemt ten aanzien van tuchtvergrijpen. Uit de bestreden beslissing blijkt duidelijk waarom, in concreto, naar het oordeel van de hogere tuchtoverheid, de tuchtsanctie van het ontslag van ambtswege moet worden opgelegd. Er wordt naar verwezen (zie supra, punt 3.7.). Door aldus in concreto te oordelen dat voor dit tuchtvergrijp de zware straf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd, is de verwerende partij de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid inzake de keuze van de strafmaat niet te buiten gegaan. Verzoeker is te dezen in zijn verzoekschrift inzake de strafmaat een andere mening toegedaan - waarbij hij in wezen de ernst van de tuchtfeiten beoogt in een andere context te plaatsen en waarbij hij wijst op zijn vlekkeloos functioneren nadat de feiten zich voordeden - maar het niet bijvallen van en het niet hetzelfde gewicht geven aan de (context van de) feiten en aan het gegeven dat verzoeker naar zijn mening nog twee jaar vlekkeloos zou hebben gefunctioneerd, maakt de opgelegde straf niet onredelijk. Het standpunt van verzoeker, geeft weliswaar blijk van een eigen feitelijke beoordeling van de zwaarwichtigheid van de in aanmerking genomen feiten die verschilt van die van de hogere tuchtoverheid, maar door dat standpunt niet bij te vallen, is de verwerende partij bij de beoordeling van de strafmaat, de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid niet te buiten gegaan, waaruit de schending van het redelijkheids- of proportionaliteitsprincipe moet blijken.
- In de mate dat verzoeker in het middel betoogt dat “anderen voor dezelfde feiten een minder zware tuchtsanctie [werd] opgelegd”, verzuimt hij deze eigen bewering te ondersteunen door middel van enig concreet gegeven omtrent de vraag wie hij met de “anderen” bedoelt, alsook of het bij die om dezelfde feiten ging. Aldus maakt hij het de Raad van State onmogelijk deze bewering op haar merites te onderzoeken.
- Het achtste middel is niet ernstig. XIV-37.737-45/47 I. Negende middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in het negende middel de schending aan van het recht van verdediging en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoeker stelt dat hij bijkomende onderzoeksdaden heeft gevraagd, met name het verhoor van P. en de confrontatie met zijn collega. Volgens hem was, “zeker wat betreft het verhoor van [P.]”, zulks zeer nuttig teneinde met zekerheid te kunnen aantonen dat P. “de Nederlandse taal al dan niet machtig was” en dat “zij zich vernederd of racistisch benaderd heeft gevoeld en dat zij de verspreking heeft gedaan”. Dat verhoor zou een heel ander beeld hebben kunnen werpen op het videofragment en zou mogelijk tot een lichtere straf hebben kunnen leiden. Door dat niet te doen, zijn volgens verzoeker het recht van verdediging en de zorgvuldigheidsplicht geschonden. Beoordeling
- Verzoekers grief dat de gevraagde bijkomende onderzoeksdaden werden geweigerd, is reeds het voorwerp van behandeling geweest in het derde en vierde middel (zie supra, punten
- en 36.) Verzoeker voegt in het voorliggende middel geen nieuwe argumenten toe, zodat het middel te dezen voorkomt als een loutere herhaling van wat reeds is uiteengezet en behandeld. Te dezen volstaat derhalve een verwijzing naar hetgeen hiervoor is uiteengezet en besloten.
- Het negende middel is niet ernstig. VIII. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. XIV-37.737-46/47 IX. Kosten
- Wat de vraag van de verwerende partij tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien december tweeduizend achttien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.737-47/47 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.268 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.603 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div