← België

Arrest 243271 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 18/12/2018

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:20

2, zou handhaven, indien de Kamer het haar in de plenaire vergadering van 6 december 2018 voorgelegde voorstel tot resolutie over het Mondiaal Pact voor veilige, ordelijke en reguliere migratie zou aannemen (wat in voornoemde plenaire zitting van 6 december 2018 gebeurd is).

  1. De instructienota van de Minister van Buitenlandse Zaken van 3 okto- ber 2018, gegeven aan de Belgische ambassadeur (Permanente vertegenwoor- IX-9474-1/17 diger) bij de Verenigde Naties, om het Mondiaal Compact voor veilige, orde- lijke en reguliere migratie [...] uit te dragen, te steunen en dus goed te keuren in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties te New York (normaal) op of rond 19 december
  2. De akten en/of handelingen houdende de goedkeuring van voornoemd Compact, gesteld te Marrakesh door de Eerste Minister op 10 december
  3. Alle andere sinds 3 oktober 2018 door de Federale Regering of door één van haar leden uitgegeven soortgelijke instructienota‟s waarvan de inhoud zou overeenstemmen met de

2 aangehaalde instructienota van 3 oktober 2018.” II. Verloop van de rechtspleging

  1. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Met toepassing van artikel 90, § 1, vierde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is de zaak verwezen naar een kamer met drie leden. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 december 2018, om 10.00 uur. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Philip Dewinter, advocaat Luc Deceuninck, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaten Jürgen Vanpraet en Yannick Peeters, die ver- schijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur-generaal Luc Vermeire heeft een met dit arrest eens- luidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari
  2. IX-9474-2/17 III. Feiten 3.
  3. Verzoeker is lid van de Kamer van volksvertegenwoordigers. 3.
  4. Op 19 september 2016 heeft de algemene vergadering van de Verenigde Naties een resolutie aangenomen over de Verklaring van New York voor Vluchtelingen en Migranten. Daarin is voorzien in het tot stand brengen van een Global Compact for Safe, Orderly and Regular Migration in
  5. Na intergouvernementele onderhandelingen wordt op 13 juli 2018 de definitieve tekst van dat pact (hierna: het Migratiepact) overeen- gekomen. 3.
  6. Luidens het verslag van de vergadering van 12 september 2018 van de zogenaamde CoorMulti bij de federale overheidsdienst Buitenlandse Zaken gaan “[a]lle aanwezige vertegenwoordigers [...] akkoord met de tekst en bijgevolg met de goedkeuring door ons land op de Conferentie van Marrakesh, evenals de actieve promotie van de tekst bij derde landen”. 3.
  7. Op 3 oktober 2018 richt de minister van Buitenlandse Zaken een nota aan onder meer de permanente vertegenwoordiger van België bij de Vere- nigde Naties waarin hij de stand van zaken met betrekking tot het “Global Compact for Migration – Conferentie van Marrakesh” als volgt samenvat: “Op 13.07.18 werd na lange onderhandelingen de eindtekst van de Global Compact for Migration (GCM) overeengekomen. De GCM is een eerste belangrijke eerste stap naar betere internationale sa- menwerking rond „safe, orderly and regular migration‟. Deze tekst bevat de voor België essentiële punten, overschrijdt geen Belgi- sche rode lijnen en kan worden gesteund en goedgekeurd op de Conferentie van Marrakech (10-11 december 2018). De tekst kan bovendien actief worden gepromoot ten aanzien van derde landen.” IX-9474-3/17 3.
  8. Op 6 december 2018 ligt in de Kamer van volksvertegenwoor- digers een voorstel van resolutie “over de ondertekening door België van het Mondiaal Pact voor veilige, ordelijke en reguliere migratie” ter stemming. De Eerste minister verklaart dat indien de resolutie wordt aan- genomen, hij dat zou beschouwen als “een zeer sterk signaal van het Parlement, dat de burgers van dit land vertegenwoordigt”, en dat hij zich “uit respect voor onze instellingen en de Grondwet persoonlijk erdoor gebonden zou voelen” (vertaling, voorlopige versie integraal verslag plenumvergadering van 6 december 2018 na- middag, p. 44). De resolutie, waarin een verzoek aan de regering is opgenomen om “het Mondiaal Pact voor veilige, ordelijke en reguliere migratie goed te keu- ren”, wordt aangenomen met 107 ja-stemmen tegen 36 nee-stemmen (voorlopige versie integraal verslag plenumvergadering van 6 december 2018 namiddag, p. 52). 3.
  9. Bij koninklijk besluit van 9 december 2018 wordt het ontslag aanvaard van drie ministers en twee staatssecretarissen. Bij ditzelfde koninklijk besluit worden de twee andere staatssecretarissen van de federale regering be- noemd tot minister en worden de bevoegdheden van de leden van de regering wier ontslag is aanvaard, toegewezen aan andere leden (BS 10 december 2018). 3.
  10. Op 10 en 11 december 2018 heeft de VN-conferentie te Marra- kesh plaats, waarop de eerste minister aanwezig is en het Migratiepact volgens de verwerende partij bij consensus wordt aangenomen als een slotdocument (“out- come document”). IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  11. Verzoeker vordert bij een afzonderlijk verzoekschrift, met rol- nummer A. 226.956/IX-9477, dat op dezelfde openbare terechtzitting is behandeld IX-9474-4/17 als de thans voorliggende zaak, onder meer ook de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van “[h]et proces-verbaal of verslag opgemaakt door de Directie generaal voor Multilaterale Zaken en voor de Mondialisering […] van de zitting van 12 september 2018 van […] de zogenaamde CoorMulti, houdende de bepaling van het Belgische standpunt betreffende het [Migratiepact]”. Het gaat om de standpuntbepaling zoals hiervóór

3.3 vermeld is. In dat verzoekschrift stelt verzoeker dat hij op 16 december 2018 bij de politie een strafklacht heeft ingediend wegens valsheid van het voormelde verslag, dat als stuk 5b is opgenomen in het door de verwerende partij neergelegde administratief dossier. De verwerende partij heeft ter terechtzitting geantwoord dat zij volhardt in haar bedoeling om van het stuk gebruik te maken. De Raad van State houdt evenwel in de huidige stand van de rechtspleging geen rekening met het stuk, aangezien het geen invloed heeft op zijn hiernavolgende beoordeling van de vordering. V. Ontvankelijkheid van de vordering

  1. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om uitspraak te doen over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties. Een on- derzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat zoals hierna zal blijken niet het geval is. VI. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  2. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min- IX-9474-5/17 stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood- zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VII. Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunt van verzoeker
  3. In zijn inleidend verzoekschrift wijst verzoeker, onder de rubriek „feiten die de spoedeisendheid van de gevraagde schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen‟, er vooreerst op dat het Migratiepact op 19 de- cember 2018 zal worden goedgekeurd door de algemene vergadering van de Ve- renigde Naties te New York. Hij leidt daaruit af dat “[d]e tijd […] te kort [is] om de schorsing van de bestreden beslissingen, akten en handelingen te kunnen bekomen voor 19 december 2018 via de gewone schorsingsprocedure”. Hij stelt voorts dat het Migratiepact niet ter goedkeuring aan de Kamer van volksvertegenwoordigers zal worden voorgelegd. Hij haalt de tekst aan van “[d]e door [hem] bestreden Doelstelling 17,

§ 33

, c, en Doelstelling 23,

§ 41

, van het Compact” en hij vervolgt: “Ondanks de bepaling van § 7 van het Compact, dat bepaalt dat het Compact niet juridisch bindend is […] kunnen de bepalingen van het Compact door na- tionale en internationale rechters aangewend worden als soft law, als elementen die dienstig kunnen zijn voor de interpretatie van andere normen, verdragen of interne wetgeving en kan door nationale en internationale rechters mogelijks gesteld worden dat de bepalingen van het Compact een standstill verplichting inhouden. Aangezien het Compact niet bij wet zal goedgekeurd worden, zal verzoeker hierover niet kunnen stemmen en zal hij de goedkeuringswet niet voor het Grondwettelijk Hof kunnen bestrijden. Daarom is het noodzakelijk de goed- keuring van het Compact te verhinderen. Dat moet verhinderd worden voor 19 december 2018, dag waarop België zal stemmen in de Algemene Vergade- ring van de Verenigde Naties. Daartoe is de procedure schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de thans bestreden akten/beslissingen de enige mogelijkheid.” IX-9474-6/17 Beoordeling

  1. Er moet worden aan herinnerd dat de toepassing van de proce- dure „bij uiterst dringende noodzakelijkheid‟ een ernstige verstoring teweegbrengt in het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, dat ze de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum beperkt en de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang brengt. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonder- lijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat door de verzoekende partij op een duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond dat de zaak uiterst dringend is. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟ bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzake- lijkheid wordt aangevoerd, daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit betekent dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens in haar inleidend verzoekschrift aannemelijk moet maken dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van een gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen dat haar ingevolge de onmiddellijke tenuit- voerlegging van de bestreden beslissing treft of dreigt te treffen. Maar er is meer. Immers, niet anders dan het geval is in een gewone schorsingsprocedure, is vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten, op gevaar af zich in een toestand te bevinden waarin schadelijke gevolgen van de bestreden beslissing niet meer door IX-9474-7/17 een eventueel vernietigingsarrest of in het kader van het rechtsherstel na een der- gelijk arrest kunnen worden goedgemaakt. 9.
  2. In dit geval wijst verzoeker onder de rubriek van zijn inleidend verzoekschrift waar hij een uiteenzetting geeft van “de feiten die de spoedei- sendheid van de gevraagde schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”, vooreerst op de nakende goedkeuring van het Migratiepact door de algemene vergadering van de Verenigde Naties te New York op 19 december
  3. Die “goedkeuring” mag dan wel nakend zijn, daarmee toont verzoeker echter niet aan dat de schorsing van de door hem bestreden beslissingen die goedkeuring door de algemene vergadering van de Verenigde Naties zou kunnen verhinderen. 9.
  4. Voorts toont verzoeker evenmin aan dat hij meer in het bij- zonder door de Belgische instemming met het Migratiepact zodanig wordt geraakt in zijn belangen dat hij de uitspraak over een beroep tot nietigverklaring niet kan afwachten. Het standpunt van verzoeker dat het Migratiepact, niettegen- staande het niet bindend is, door nationale rechters kan worden aangewend als soft law, dienstig bij de interpretatie van andere normen, verdragen of interne wetge- ving, of kan worden opgevat als bron van een standstill-verplichting, toont niet aan dat verzoeker persoonlijk of als parlementslid een nadeel ondergaat dat recht- streeks voortvloeit uit de Belgische instemming met het pact en dat hij niet zou kunnen verdragen tot er uitspraak is gedaan over een beroep tot nietigverklaring. Met zijn argument, ten slotte, dat het Migratiepact niet bij wet zal worden goedgekeurd, zodat hij over een dergelijke wet niet zal kunnen stemmen en hij geen dergelijke wet voor het Grondwettelijk Hof zal kunnen aanvechten, gaat verzoeker eraan voorbij dat de grief die eraan ten grondslag ligt, louter een gevolg IX-9474-8/17 is van de grondwettelijke regeling van de staatsmachten. Het argument verandert niets aan de voorgaande vaststelling dat verzoeker niet aantoont de uitspraak over een beroep tot nietigverklaring van de thans bestreden beslissingen niet te kunnen afwachten.
  5. Voor zover verzoeker in zijn inleidend verzoekschrift, niét onder de hiervóór

7 genoemde rubriek, maar bij de uiteenzetting van zijn persoonlijk belang bij zijn vordering, doet gelden dat het Migratiepact ertoe kan leiden dat zijn recht op vrije meningsuiting wordt beknot, refereert hij aan zijn derde middel, waarin hij de schending van dat recht aanvoert. Er moet evenwel op worden gewezen dat de aangevoerde on- wettigheid van de bestreden beslissingen als zodanig niet kan volstaan om ervan te overtuigen dat de vordering spoedeisend is. De schorsingsvoorwaarde van het spoedeisend karakter van de vordering is immers een op zich staande voorwaarde, die moet worden onderzocht los van de andere schorsingsvoorwaarde, namelijk dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing(en) prima facie kan verantwoorden. Met een verwijzing naar een aangevoerd middel toont verzoeker derhalve nog niet aan dat er in zijn geval sprake is van spoedeisendheid. Overigens wordt verzoekers derde middel hierna niet ernstig bevonden.

  1. Eveneens met betrekking tot zijn persoonlijk belang voert ver- zoeker aan dat zijn politieke actie en werking kunnen worden beknot, doordat “op grond van het Compact” de financiering van zijn politieke partij, Vlaams Belang, kan worden ingetrokken. De door verzoeker gevreesde “intrekking” van de partijfinan- ciering van zijn politieke partij betreft slechts een niet-gestaafde en louter hypo- thetische bewering, die bovendien geen rechtstreeks verband houdt met de goed- IX-9474-9/17 keuring van het Migratiepact, zodat ze de hoogdringendheid van de voorliggende vordering evenmin kan verantwoorden.
  2. Er is bijgevolg niet voldaan aan de schorsingsvoorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering. VIII. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  3. Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van “de artikelen 33 en 99 van de Grondwet en van het uit het grondwettelijk gewoonte- recht afgeleide algemeen constitutioneel rechtsbeginsel van de besluitvorming in de Federale Regering bij consensus, dat – voor de regeringen van de gemeen- schappen en de gewesten – ook verankerd werd in de artikelen 69 van de bijzon- dere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der […] instellingen, 36 § 1 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen en 51 van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap”. Verzoeker richt dit eerste middel tegen de eerste en de tweede bestreden beslissing, dit wil zeggen tegen de instructienota van de minister van Buitenlandse Zaken van 3 oktober 2018 en de “handhaving” ervan door de Eerste minister op 6 december
  4. Hij doet gelden dat deze beslissingen tot stand zijn gekomen zonder dat de besluitvormingsprocedure van de consensus werd toegepast die in de federale ministerraad dient te worden gevolgd. Hij betoogt in dit verband (met weglating van een voetnoot): IX-9474-10/17 “De regel van de besluitvorming bij consensus in de Federale Ministerraad is een regel van constitutioneel gewoonterecht. Deze regel werd, wat de bestreden akte van 3 oktober 2018 betreft, meer- maals geschonden. Op 3 oktober 2018 bestond er in de schoot van de toenma- lige Federale Regering geen consensus over de goedkeuring van het Compact door de Permanente Vertegenwoordiger van België bij de Verenigde Naties. Over de wenselijkheid van deze instructienota was op de Ministerraad geen consensus bereikt: de nota was op de Ministerraad niet besproken. Toen de Eerste Minister op 6 december 2018 in de plenaire zitting van de Kamer van Volksvertegenwoordigers verklaarde de bestreden akte van 3 oktober 2018 te handhaven, bestond daarvoor evenmin een consensus in de schoot van de toenmalige Federale Regering. De hierbij voorgelegde persberichten van de Ministerraad vanaf 31 augus- tus 2018 tonen aan dat de goedkeuring van de instructienota nooit op de agenda van de Ministerraad stond, laat staan dat er daarover een consensus zou bereikt zijn. Al evenmin blijkt uit deze stukken dat de Ministerraad akkoord ging (laat staan in consensus) met de handhaving van deze instructienota, in tegenstelling tot de beslissing verwoord door de premier in de plenaire zitting van 6 december 2018, waarbij hij o.a. stelde dat hij de instructienota, waarvan de schorsing hierbij gevorderd wordt, handhaafde.” Beoordeling
  5. Verzoeker voert op het eerste gezicht terecht aan dat de be- sluitvorming in de federale ministerraad volgens een gewoonterechtelijke regel bij consensus gebeurt. Dit lijkt evenwel op zich niet te betekenen dat een beslissing van (een lid van) de regering slechts rechtsgeldig kan zijn indien er een beraadslaging van de ministerraad aan voorafgegaan is. Verzoeker wijst alvast geen enkele normatieve bepaling aan waaruit zou blijken dat over elke beslissing van de rege- ring in de ministerraad dient te worden overlegd. Zijn verwijzing naar artikel 69 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 „tot hervorming der instellingen‟, artikel 36, § 1, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 „met betrekking tot de Brusselse instellingen‟ en artikel 51 van de wet van 31 december 1983 „tot her- vorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap‟ is in dit opzicht niet dienstig, aangezien die bepalingen alleen voor een gemeenschaps- of gewestrege- ring voorzien in een collegiale beraadslaging “over alle zaken die tot haar be- voegdheid behoren”. IX-9474-11/17
  6. Het Hof van Cassatie, zetelend in verenigde kamers, heeft reeds in een arrest van 10 april 1987 geoordeeld dat er geen algemeen staatsrechtelijk rechtsbeginsel bestaat luidens hetwelk voor de geldigheid van regeringshande- lingen een voorafgaand overleg in de ministerraad vereist is. Zo er al enig gebruik bestaat om over zaken die een zeker belang vertonen in de ministerraad te be- raadslagen en te besluiten, aldus het Hof, tast de ontstentenis van een dergelijke beraadslaging de rechtsgeldigheid van een in zodanige materie door een minister verrichte handeling op zichzelf niet aan. In de huidige stand van de rechtspleging van de voorliggende zaak sluit de Raad van State zich daarbij aan.
  7. Alleen in de gevallen waarin de Grondwet, de wet of een ko- ninklijk besluit voor een regeringshandeling een beraadslaging in de ministerraad voorschrijft, mag gewag worden gemaakt van een

stantieel vormvereiste waarvan de miskenning voor de Raad van State kan worden opgeworpen. Verzoeker wijst evenwel geen enkele normatieve bepaling aan waaruit blijkt dat de instructie van de minister van Buitenlandse Zaken van 3 ok- tober 2018 of de zogenaamde handhaving daarvan door de Eerste minister op 6 december 2018 aan de voorafgaande beraadslaging van de ministerraad onder- worpen was. Ook de Raad van State heeft vooralsnog geen kennis van het bestaan van een dergelijk normatief vormvereiste. Daargelaten de vraag of welbepaald die instructie, niet op 3 oktober 2018, maar bij de handhaving ervan op 6 december 2018 als een politiek significant gevoelig dossier op de agenda van de ministerraad diende te worden gebracht, moet op het eerste gezicht worden vastgesteld dat zulks hoe dan ook niet door enige juridisch dwingende norm is voorgeschreven en derhalve ook niet door de Raad van State als wettigheidsrechter kan worden beoordeeld.

  1. Het eerste middel is derhalve niet ernstig. IX-9474-12/17 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  2. In een tweede middel voert verzoeker de schending aan van “de reeds voornoemde artikelen 33 en 99 van de Grondwet en van het grondwettelijk gewoonterechtsbeginsel volgens hetwelk een nieuwe Federale Regering met een regeringsverklaring voor de Kamer van Volksvertegenwoordigers komt, waarna er expliciet gestemd wordt over het vertrouwen in de regering en een regering die dat vertrouwen niet heeft, de legitimiteit mist en hoogstens de lopende zaken kan afhandelen”. Hij voert dit middel aan tegen de derde bestreden beslissing, dit wil zeggen tegen “[d]e akten en/of handelingen houdende de goedkeuring van [het Migratiepact], gesteld te Marrakesh door de Eerste Minister op 10 december 2018”. Hij doet gelden dat de federale regering bij monde of door toe- doen van de Eerste minister op 10 december 2018 het Migratiepact te Marrakesh heeft goedgekeurd, zonder het vertrouwen van de Kamer van volksvertegen- woordigers te hebben verkregen. Verzoeker stelt dat die goedkeuring, die niet onder de lopende zaken valt, derhalve nietig is en moet worden geschorst in af- wachting van de nietigverklaring ervan. Beoordeling
  3. De redenering van verzoeker dat de federale regering na het ontslag van vijf van haar leden, de benoeming van twee staatssecretarissen tot minister en de herschikking van de bevoegdheden van haar leden bij koninklijk besluit van 9 december 2018, nog slechts gerechtigd is om de lopende zaken af te handelen en dat de “goedkeuring” van het Migratiepact te Marrakesh niet daar- onder valt, gaat op het eerste gezicht alleszins in dit geval niet op. IX-9474-13/17 Zelfs als, louter voor het debat, met verzoeker zou worden aan- genomen dat de federale regering op 10 december 2018 slechts over de beperkte bevoegdheid beschikte om “lopende zaken” te behandelen – wat de verwerende partij betwist – moet op het eerste gezicht immers worden vastgesteld dat een aldus beperkte bevoegdheid van de regering slechts een verantwoording kan vinden in een onvolkomen controlemogelijkheid van het parlement. In dit geval echter ligt een op 6 december 2018 door de Kamer van volksvertegenwoordigers aangeno- men resolutie voor waarbij de regering uitdrukkelijk wordt verzocht “het Mondiaal Pact voor veilige, ordelijke en reguliere migratie goed te keuren”. In die concrete omstandigheden kan de Raad van State in de huidige stand van de rechtspleging niet aannemen dat de derde bestreden beslissing de in het middel aangevoerde bepalingen en beginsel schendt.
  4. Het tweede middel is evenmin ernstig. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  5. In een derde middel voert verzoeker de schending aan van de vrijheid van meningsuiting en van de persvrijheid, zoals gewaarborgd door de artikelen 19 en 25 van de Grondwet en artikel 10 van het Europees Verdrag over de rechten van de mens (hierna: het EVRM). Verzoeker lijkt dit middel te richten tegen elk van de bestreden beslissingen. Volgens verzoeker houdt het Migratiepact voor de staten de verplichting in om “mediaprofessionals te sensibiliseren en op te leiden over mi- gratiegerelateerde kwesties en terminologie, (en) te investeren in ethische rap- portagestandaarden”. Hij leidt daaruit af dat de staten verplicht worden tot het IX-9474-14/17 nemen van andere preventieve maatregelen dan die welke door artikel 19 van de Grondwet zijn toegelaten. De media en ook hijzelf, nu hij zich als politicus via de media tot het kiespubliek richt om zijn ideeëngoed en het ideeëngoed van zijn politieke partij te verspreiden, worden aldus onder een andere en meer verregaande druk geplaatst dan “de druk van een eventuele vervolging op initiatief van het Openbaar Ministerie dat hem in drukperszaken voor het hof van assisen kan brengen waar een jury over [...] schuld of onschuld oordeelt”. Verzoeker onderkent “minstens” in de doelstellingen 17,

§ 33

, c, en 23,

§ 41, van het Migratiepact een schending van artikel 19 van de Grondwet.

Voorts, zo betoogt verzoeker, leidt het voorgaande bovendien tot een indirecte censuur en schenden de voornoemde doelstellingen aldus ook arti- kel 25 van de Grondwet en artikel 10 van het EVRM. Beoordeling 22. Verzoeker toont op het eerste gezicht niet aan dat het Migratie- pact, waarvan hij de “goedkeuring” beoogt te bestrijden, en in het bijzonder de door hem geviseerde doelstellingen 17,

§ 33

, c, en 23,

§ 41

, van het Mi- gratiepact, de in het middel aangevoerde grondrechten ten aanzien van hem per- soonlijk of in zijn hoedanigheid van parlementslid in het gedrang brengen. Verzoeker lijkt een bezwaar te maken tegen de verplichting die volgens hem aan de staten wordt opgelegd om “mediaprofessionals te sensibili- seren en op te leiden over migratiegerelateerde kwesties en terminologie, (en) te investeren in ethische rapportagestandaarden”. Nog daargelaten dat, zoals ver- zoeker in zijn inleidend verzoekschrift uitdrukkelijk zelf aanneemt, het Migratie- pact niet bindend is, moet worden vastgesteld dat de voornoemde verplichting aan de staten zou worden opgelegd en bovendien de “mediaprofessionals” zou beogen. Verzoeker mag dan al wel als politicus gebruik maken van de media om zich te IX-9474-15/17 richten tot het kiespubliek, dit lijkt niet te impliceren dat hij moet worden be- schouwd als een “mediaprofessional” zoals bedoeld in de voormelde bepaling. Alleszins maakt verzoeker dat vooralsnog niet aannemelijk. Allerminst maakt verzoeker duidelijk hoe het Migratiepact rechtstreeks een ongeoorloofde preventieve beperking van zijn grondrecht op vrije meningsuiting zou inhouden of hem indirect zou onderwerpen aan censuur. Daarentegen moet worden vastgesteld dat de door verzoeker geviseerde doelstel- ling 17,

33, van het Migratiepact uitdrukkelijk vermeldt dat de onderschrijvers van het pact zich ertoe “verplichten [...] om de vrijheid van meningsuiting te be- schermen in overeenstemming met het internationale recht” (vertaling).

  1. Het derde middel is evenmin ernstig. IX. Slotsom
  2. Er is niet voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn opdat een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijk- heid zou kunnen worden ingewilligd. BESLISSING
  3. De Raad van State verwerpt de vordering.
  4. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. IX-9474-16/17 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 18 december 2018, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9474-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.271 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.