id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.279 Rolnummer: A. 225795/XIV-37784 Zaak: Arrest 243279 - Uitleveringen - 19/12/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-12-28 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-24 23:51 Fiche Arrest nr 243.279 van 19 december 2018 Vreemdelingen - Uitleveringen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 243.279 van 19 december 2018 in de zaak A. 225.795/XIV-37.784 In zake: Fatima TALEB bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Blomme kantoor houdend te 8820 Torhout Vredelaan 66 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- Verzoeker dient met een enig verzoekschrift op 28 juli 2018 een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging en een beroep tot nietigverklaring in van de beslissing van de minister van Justitie van 28 juni 2018 waarbij de uitlevering van verzoekster aan de regering van Marokko wordt toegestaan. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. XIV-37.784-1/5 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 november
- Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Verzoekster, die verschijnt in persoon, advocaat Yasmine Vuylsteke, die loco advocaat Koen Blomme verzoekster bijstaat, en advocaat Bernard Derveaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Met een verzoek van 5 maart 2018, meegedeeld met een diplomatieke nota van de ambassade van Marokko van 3 april 2018, vraagt Marokko de uitlevering van verzoekster, van Marokkaanse nationaliteit, op grond van een internationaal bevel tot aanhouding van 10 juni 2016, gegeven door de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg van Chefchaouen (Marokko). De raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge verklaart het voornoemde aanhoudingsbevel uitvoerbaar met een beschikking van 27 april
- De kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Antwerpen bevestigt deze beschikking met een arrest van 30 maart
- Verder brengt de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Gent op 29 mei 2018 een gunstig advies uit over het verzoek tot XIV-37.784-2/5 uitlevering van verzoekster. Op 28 juni 2018 staat de minister van Justitie de uitlevering toe van verzoekster aan de regering van Marokko wegens de feiten op grond waarvan de uitlevering is gevraagd. Er wordt vermeld dat het specialiteitsbeginsel van toepassing is. Dit is de bestreden beslissing. IV. De schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. V. Spoedeisendheid Standpunt van verzoekster
- Het verzoekschrift bevat geen afzonderlijke uiteenzetting over de voorwaarde van de spoedeisendheid, noch wordt elders in het verzoekschrift hierover enige toelichting gegeven. In een brief van haar raadsman van 15 oktober 2018 betwist verzoekster de conclusie van het auditoraatsverslag dat er geen sprake zou zijn van enige spoedeisendheid. Daartoe wordt verwezen naar de memorie van wederantwoord waarin zou zijn aangegeven dat verzoekster, indien zij geen vordering tot schorsing had ingesteld, mogelijk al zou zijn uitgeleverd naar Marokko waardoor alle voorgehouden inbreuken zouden zijn gerealiseerd. XIV-37.784-3/5 Beoordeling
- Naar luid van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift tot schorsing “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟. Dit houdt in dat het aan de verzoekende partij bij de Raad van State toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een (voortdurende) tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Een verzoekende partij moet aan de hand van concrete, precieze en dienstige gegevens in haar inleidende akte uitleggen in welke mate zij onherroepelijke schadelijke gevolgen zou ondergaan indien het resultaat van het beroep tot nietigverklaring zou moeten worden afgewacht. De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is.
- Zoals hoger reeds aangehaald, bevat het verzoekschrift te dezen geen uiteenzetting gewijd aan de voorwaarde van de “spoedeisendheid”. De algemene verwijzing naar het belang “aangezien [verzoekster] ingevolge de kwestieuze beslissing dreigt het land uitgezet te worden en bij afwezigheid op het Belgisch grondgebied van verzoekster de procedure automatisch zal worden afgewezen bij gebreke aan belang” kan niet als dusdanig worden beschouwd. Verzoekster licht immers niet aan de hand van concrete en precieze gegevens toe waarom een behandeling van het beroep in een procedure tot nietigverklaring te laat zou komen om bepaalde schadelijke gevolgen te voorkomen. De tenuitvoerlegging van een beslissing tot uitlevering houdt niet per definitie een verlies van het belang bij het beroep tot nietigverklaring in. XIV-37.784-4/5 Verzoeksters verwijzing naar een zinsnede uit haar memorie van wederantwoord kan evenmin worden aanvaard vermits ze niet is vervat in het verzoekschrift tot schorsing. De Raad van State merkt ten overvloede op dat verzoekster met de hypothese dat zij zonder het instellen van een vordering tot schorsing mogelijk al zou zijn uitgeleverd, slechts een mogelijkheid aangeeft doch geen spoedeisendheid aantoont. Bijgevolg is de spoedeisendheid van de vordering niet aangetoond. VI. Conclusie
- Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negentien december tweeduizend achttien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.784-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.279 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.771 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div