id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.286 Rolnummer: A. 224133/VII-40161 Zaak: Arrest 243286 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 20/12/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-01-03 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-24 23:53 Fiche Arrest nr 243.286 van 20 december 2018 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 243.286 van 20 december 2018 in de zaak A. 224.133/VII-40.
- In zake :
- de GEMEENTE EVERGEM
- het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE GEMEENTE EVERGEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sven Boullart kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 419 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEWESTELIJKE STEDENBOUWKUNDIGE AMBTENAAR bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de BVBA STORM 25 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Roggen en Jannick Poets kantoor houdend te 3500 Hasselt Kempische Steenweg 303, bus 40 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 28 december 2017, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb/A/1718/0216 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 7 november 2017 in de zaak 1516/RvVb/0365/A. VII-40.161-1/17 II. Verloop van de rechtspleging
- Een beschikking van 17 januari 2018 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 6 juni
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend teneinde te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 november
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pieter Delmoitie, die loco advocaat Sven Boullart verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Klaas De Pauw, die loco advocaat Veerle Tollenaere verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Jannick Poets, die tevens loco advocaat Jan Roggen verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-40.161-2/17 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Met een besluit van 22 december 2015 verleent de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar (hierna: GSA) aan de BVBA Storm 25 een stedenbouwkundige vergunning “voor het oprichten van een windturbine met bijhorende infrastructuur en kabeltracé, het snoeien van bomen, installeren van een houten poort en een werfbord”. 3.
- Het bestreden arrest verwerpt de vordering van de verzoekende partijen tot vernietiging van de vergunningsbeslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Uiteenzetting van het eerste middel
- De verzoekende partijen voeren de schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek, het algemeen beginsel van de scheiding der machten, artikel 4.8.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO) en artikel 149 van de Grondwet. Zij betogen in een eerste middelonderdeel: “Door te oordelen dat „De lokalisatienota bevat een beschrijving en evaluatie van onder meer de effecten op het gebruik van landbouwgronden en het landschap, evenals effecten op de veiligheid en slagschaduw- en geluidsberekeningen‟, en dienvolgens het tweede onderdeel van het eerste middel van verzoekende partijen te verwerpen, heeft de RvVb een uitlegging gegeven aan de lokalisatienota die niet verenigbaar is met diens bewoordingen, zodat de RvVb de bewijskracht schendt van de lokalisatienota, alsook de rechterlijke motiveringsplicht vermits niet wordt geantwoord op de kritiek van VII-40.161-3/17 verzoekende partijen dat de in de lokalisatienota terug te vinden beschrijving en evaluatie van de mogelijke effecten van de inplanting ten aanzien van efficiënt bodemgebruik, eventuele verstoring van de uitbating(smogelijkheden) en landschappelijke kwaliteiten niet of minstens niet afdoende of geïndividualiseerd gebeurde, waardoor zijn beslissing op dat punt niet naar recht is verantwoord en niet regelmatig is gemotiveerd (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek, alsook artikel 149 van de Grondwet). […] De verzoekende partijen hadden nochtans op pag. 26-27 van hun verzoekschrift tot nietigverklaring bij de RvVb middels een opgave van diverse pagina‟s uit die lokalisatienota (met name pag. 25, pag. 26, pag. 54-55 en pag. 85 van die lokalisatienota) opgeworpen dat de lokalisatienota aldus de mogelijke effecten van de inplanting ten aanzien van efficiënt bodemgebruik, eventuele verstoring van de uitbating(smogelijkheden) en landschappelijke kwaliteiten niet, minstens niet afdoende of geïndividualiseerd (nu de loutere stijlformules immers betrekking kunnen hebben op eender welke windturbine op eender welke plaats) beschreven en geëvalueerd heeft, zodat de bij de RvVb bestreden vergunningsbeslissing niet kon besluiten tot de planologische overeenstemming van het aangevraagde. […] Voorts bevat het bestreden arrest van de RvVb geen antwoord op de kritiek van verzoekende partijen dat de in de lokalisatienota terug te vinden beschrijving en evaluatie van de mogelijke effecten van de inplanting ten aanzien van efficiënt bodemgebruik, eventuele verstoring van de uitbating(smogelijkheden) en landschappelijke kwaliteiten niet of minstens niet afdoende of geïndividualiseerd gebeurde. […] Met het bestreden arrest miskent de RvVb de rechterlijke motiveringsplicht door geen antwoord te bieden op wat verzoekende partijen de lokalisatienota en dienvolgens de bestreden vergunningsbeslissing hadden verweten, zodat de motivering ter verwerping van het tweede onderdeel van hun eerste middel niet duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die de RvVb ertoe brengen om het middel te verwerpen”. In een tweede middelonderdeel argumenteren zij: “Door te oordelen dat „Het project sluit ook aan bij de schaal en de opbouw van het landschap in de directe omgeving, met weinig of geen impact op dat landschap‟, geeft de RvVb een eigen beoordeling van de vergunningsaanvraag en stelt het de eigen beoordeling in de plaats van deze die het bestuur toekomt, zodat zijn beslissing op dat punt niet naar recht verantwoord wordt (schending van het algemeen beginsel van de scheiding der machten en artikel 4.8.
- van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)”. VII-40.161-4/17 Beoordeling
- De bewijskracht van een akte wordt miskend door de rechter die aan die akte een uitlegging geeft die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is. De schending van de bewijskracht van een akte betreft niet de juridische of feitelijke gevolgtrekking die de rechter uit de akte maakt zonder miskenning van de draagwijdte ervan.
- Uit de gegevens van het dossier waarop de Raad van State acht kan slaan, blijkt dat de lokalisatienota een beschrijving en evaluatie bevat van de effecten van geluid en slagschaduw en effecten voor landbouw, landschap en veiligheid.
- Door te oordelen dat de lokalisatienota “een beschrijving en evaluatie van onder meer de effecten op het gebruik van landbouwgronden en het landschap, evenals effecten op de veiligheid en slagschaduw- en geluidsberekeningen” bevat, geeft de RvVb geen uitlegging aan die akte die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is.
- Het middelonderdeel dat de schending van de bewijskracht van de akte aanvoert, wordt verworpen.
- Het middelonderdeel dat aanvoert dat “de bij de RvVb bestreden vergunningsbeslissing niet kon besluiten tot de planologische overeenstemming van het aangevraagde” is niet gericht tegen het bestreden arrest en bijgevolg onontvankelijk.
- Het arrest van de RvVb moet overeenkomstig artikel 149 van de Grondwet met redenen worden omkleed. De aan de RvVb opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte VII-40.161-5/17 draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet -al ware die redengeving verkeerd of onwettig- die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Wanneer een motivering leidt tot onjuiste gevolgtrekkingen in rechte, levert dit een schending van de wet op maar geen motiveringsgebrek. Een gemis aan motivering maakt een schending uit van de aan de rechter opgelegde motiveringsverplichting.
- De grief van de verzoekende partijen dat in de bestreden vergunningsbeslissing en de lokalisatienota de mogelijke effecten op het bodemgebruik en de landschappelijke kwaliteiten van de plaats niet of niet afdoende worden onderzocht en de bestreden vergunningsvergunning louter stijlformules bevat, wordt door de RvVb met volgende overwegingen verworpen: “Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt voorts duidelijk dat de verwerende partij de plaats in kwestie omschrijft als een agrarische omgeving met akkers en weilanden nabij de R4 en overweegt dat het plaatsen van een windturbine een kwaliteitsvolle inplanting en integratie vraagt. In dat kader overweegt de verwerende partij in de bestreden beslissing bij de beoordeling van de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening: „… Voor de inplanting van een windturbinepark dient de impact van de windturbine op het landschap zorgvuldig bestudeerd te worden. Het plaatsen van een windturbine is immers een ruimtelijke ingreep waarbij gestreefd dient te worden naar een kwaliteitsvolle inplanting en integratie in de omgeving. Om de visuele hinder in open en onaangetaste gebieden te vermijden dient een bundeling van infrastructuren nagestreefd te worden. Om deze reden werden in Vlaanderen reeds windturbines ingeplant langsheen autosnelwegen, rivieren en kanalen. In voorliggend project staat de windturbine ingeplant nabij de R4-autosnelweg. De windturbine wordt dus gekoppeld met de aanwezige lijninfrastructuur en met het ten oosten daarvan gesitueerde „regionaal bedrijventerrein met openbaar karakter‟ en „zone voor zeehaven- en watergebonden bedrijven‟. In deze bedrijventerreinen werd recent een windturbineproject met 4 windturbines vergund (zie historiek), waarmee de turbine in aanvraag geclusterd wordt. Deze cluster wordt verder vervolledigd met één recent vergunde windturbine op het grondgebied van Zelzate (zie historiek), die van hetzelfde type is en samen met de windturbine in aanvraag een lijnopstelling evenwijdig aan de R4 vormt. Gelet op het voorgaande, kan vastgesteld worden dat het project aansluit bij de schaal en de opbouw van het landschap in de directe omgeving. VII-40.161-6/17 Aangezien de windturbine door zijn beperkte oppervlakte-inname weinig of geen impact heeft op het agrarisch gebied, kan ook de functionele inpasbaarheid positief beoordeeld worden. … Daarnaast kan ook de keuze van het windturbinetype een invloed hebben op de beleving in het landschap. Voor betreffend project is gekozen voor een turbine van het traag draaiende type. Een laag toerental wordt als statiger en minder storend ervaren dan een hoog toerental. De standaardkleur van de turbines is lichtgrijs. Uit onderzoek blijkt dat deze kleur het meest rust geeft in het landschap en zodoende de impact hierop verkleint. Doordat de moderne turbines standaard worden voorzien van een anti-reflectiecoating is de kans op flikkering of lichtschittering klein tot onbestaande. … Het inplanten van de windturbine in het agrarisch gebied heeft geen noemenswaardige invloed op de land- en tuinbouw; het bodemreliëf wordt er niet door gewijzigd. Het agrarisch gebruik van de betrokken percelen wordt door de beperkte oppervlakte-inname van de windturbine nauwelijks beperkt; de realisatie van de algemene bestemming van het gebied, noch het efficiënt bodemgebruik worden bijgevolg in het gedrang gebracht. …‟ Bij de beoordeling van het ongunstige advies van de eerste verzoekende partij vermeldt de bestreden beslissing onder meer nog: „…
- Zoals uit het aanvraagdossier blijkt, betreft het ook geen solitaire windturbine, maar wordt aangesloten bij een cluster van 4 vergunde windturbines ten oosten van de R4 en wordt er ten westen van de R4, op het grondgebied van Zelzate, nog 1 windturbine voorzien. Iets verder naar het noorden werden 3 windturbines vergund ten zuiden van de E34 te Assenede. De gevraagde windturbine sluit dus aan bij 8 vergunde windturbines. Bovendien betreft het een landschap waar reeds verscheidene visueel storende elementen aanwezig zijn, zoals de E34, de R4, toekomstige maar reeds vergunde windturbines en verscheidene industrieterreinen waardoor er moeilijk beweerd kan worden dat het een open en ongeschonden landschap is.
- De windturbine is gelegen in een door de provincie Oost-Vlaanderen aangeduide zoekzone voor windturbines en bovendien worden de basisprincipes van voormelde omzendbrief duidelijk gerespecteerd (ruimtelijke bundeling en clustering: zie verder, bij de rubriek „Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening‟). …‟ Uit deze overwegingen blijkt dat de verwerende partij wat betreft de effecten op het landschap onder meer concreet rekening houdt met de bundeling van infrastructuren (de R4 en de E34 als aanwezige lijninfrastructuur, naast het ten oosten daarvan gesitueerd „regionaal bedrijventerrein met openbaar VII-40.161-7/17 karakter‟ en de „zone voor zeehaven- en watergebonden bedrijven‟) en met acht windturbines waarmee geclusterd wordt. Gegeven deze elementen, is er volgens de verwerende partij geen sprake meer van een „open en ongeschonden (agrarisch) landschap‟. Het project sluit ook aan bij de schaal en de opbouw van het landschap in de directe omgeving, met weinig of geen impact op dat landschap. Verder overweegt de verwerende partij dat het inplanten van de windturbine in het agrarisch gebied geen noemenswaardige invloed heeft op de land- en tuinbouw, dat het agrarisch gebruik van de betrokken percelen door de beperkte oppervlakte-inname van de windturbine nauwelijks wordt beperkt en dat het bodemreliëf niet gewijzigd wordt. In weerwil van wat de verzoekende partijen voorhouden, bevat de motivering van de bestreden beslissing meer dan enkel stijlformules. Er is afdoende duidelijk onderzocht en in de bestreden beslissing uiteengezet dat en waarom de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang wordt gebracht en hetzelfde geldt voor de mogelijke effecten op het landschap”.
- Het bestreden arrest is aldus naar recht met redenen omkleed.
- Het eerste middelonderdeel wordt verworpen.
- Het bestreden arrest stelt vast dat de GSA in de bestreden vergunningsbeslissing aanneemt dat “[h]et project [...] aan[sluit] bij de schaal en de opbouw van het landschap in de directe omgeving, met weinig of geen impact op dat landschap”.
- Het tweede middelonderdeel dat ervan uitgaat dat het bestreden arrest oordeelt dat “[h]et project [...] aan[sluit] bij de schaal en de opbouw van het landschap in de directe omgeving, met weinig of geen impact op dat landschap” en de RvVb zijn eigen beoordeling in de plaats stelt van deze die het bestuur toekomt, mist feitelijke grondslag.
- Het tweede middelonderdeel wordt verworpen. B. Uiteenzetting van het tweede middel
- De verzoekende partijen voeren de schending aan van VII-40.161-8/17 artikel 4.7.26/1 VCRO zoals van toepassing vóór de opheffing ervan bij artikel 336 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, en van artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage (hierna: project-MER-besluit). Zij betogen dat uit artikel 4.7.26/1, §§ 1 en 2, VCRO en artikel 2, § 7, van het project-MER-besluit: “voort[vloeit] dat de vergunningverlenende overheid zelf moet onderzoeken aan de hand van de criteria vervat in Bijlage II bij het Decreet van 5 april 1995 of het voorgenomen project geen aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het milieu. Dat onderzoek houdt in dat de vergunningverlenende overheid zelf de toetsing aan die selectiecriteria moet uitvoeren en dat het niet volstaat dat de vergunningverlenende overheid onder verwijzing naar de project-m.e.r.-screeningsnota tot de conclusie komt dat het voorgenomen project geen aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het milieu. […] […] Door te oordelen dat „In de bestreden beslissing verwijst de verwerende partij naar de project-m.e.r.-screeningsnota en oordeelt ze dat op basis daarvan kan gesteld worden dat de milieugevolgen van de aanvraag voldoende kunnen ingeschat worden en dat „rekening houdende met de criteria van bijlage II DABM (kenmerken van het project en kenmerken van de potentiële effecten)‟ geen aanzienlijke milieueffecten worden verwacht. Tevens vermeldt de bestreden beslissing dat de verwerende partij zich op 15 oktober 2015 bij de ontvankelijkheids- en volledigheidsverklaring akkoord heeft verklaard met de conclusie van de nota en dat de opmaak van een project-MER niet nodig is. Uit de bestreden beslissing blijkt derhalve afdoende dat de project-m.e.r.-screeningsnota volgens de verwerende partij voldoende informatie bevat om een goed beeld te krijgen van de milieueffecten van het project en dat de verwerende partij aan de hand van de criteria van bijlage II DABM heeft geoordeeld dat geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn en dat geen project-MER vereist is.‟ en vervolgens te besluiten dat „Uit de bestreden beslissing blijkt afdoende dat de verwerende partij zelf een beoordeling heeft gemaakt aan de hand van de criteria van bijlage II DABM en tot het besluit is gekomen dat het project geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu heeft, zodat geen schending van artikel 4.7.26/1, §2 VCRO voorligt.‟ vermocht de RvVb niet te oordelen na de door hem gedane vaststellingen dat de verwerende partij met de voor hem bestreden vergunningsbeslissing zelf de toetsing aan de selectiecriteria heeft uitgevoerd, gezien slechts verwezen wordt naar de VII-40.161-9/17 project-m.e.r.-screeningsnota om te stellen dat de milieugevolgen van de aanvraag voldoende kunnen ingeschat worden en dat nog onder verwijzing naar die nota „rekening houdende met de criteria van bijlage II DABM (kenmerken van het project en kenmerken van de potentiële effecten)‟ geen aanzienlijke milieueffecten worden verwacht (schending van de in het middel opgegeven bepalingen). […] […] De RvVb heeft bij de beoordeling van het tweede middel slechts gewezen op de formele paragraaf inzake de project-m.e.r.-screening uit de bij hem bestreden vergunningsbeslissing, om daaruit af te leiden dat de toetsing aan de selectiecriteria door de vergunningverlenende overheid zelf werd uitgevoerd, zonder daarbij na te gaan of die beoordeling verder gaat dan het verwijzen naar de project-m.e.r.-screeningsnota”. Beoordeling
- Luidens artikel 14, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, treedt de afdeling bestuursrechtspraak in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaken zelf”. Als cassatierechter mag de Raad van State bijgevolg niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van de RvVb overdoen maar mag hij enkel nagaan of het hem voorgelegde arrest overeenkomstig de wet is genomen.
- Het middelonderdeel dat aanvoert dat de RvVb niet kon oordelen dat de GSA de vergunningsaanvraag niet aan de in artikel 4.7.26/1, § 2, VCRO bedoelde criteria van bijlage II van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid heeft getoetst, noopt de Raad van State tot het overdoen van de feitelijke beoordeling door de RvVb van het tweede middel van de verzoekende partijen.
- Het middelonderdeel is onontvankelijk.
- Artikel 4.7.26/1 VCRO in de op het geding toepasselijke versie, bepaalt: VII-40.161-10/17 “§
- Als de vergunningsaanvraag een project-m.e.r.-screeningsnota als vermeld in artikel 4.3.3, § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, omvat, onderzoekt het vergunningverlenende bestuursorgaan of zijn gemachtigde, die nota en neemt een beslissing of er een milieueffectrapport over het project moet worden opgesteld. §
- Er hoeft geen milieueffectrapport over het project te worden opgesteld als het vergunningverlenende bestuursorgaan of zijn gemachtigde oordeelt dat: 1) een toetsing aan de criteria van bijlage II van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, uitwijst dat het voorgenomen project geen aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het milieu en een project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten; of 2) vroeger al een plan-MER werd goedgekeurd betreffende een plan of programma waarin een project met vergelijkbare effecten beoordeeld werd of een project-MER werd goedgekeurd betreffende een project waarvan het voorgenomen initiatief een herhaling, voortzetting of alternatief is, en een nieuw project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten. §
- De beslissing dat een milieueffectrapport over het project moet worden opgesteld, heeft van rechtswege de onvolledigheid van de vergunningsaanvraag tot gevolg. [...]”. Artikel 2, § 7, van het project-MER-besluit luidt: “De overheid die beslist over de ontvankelijkheid en volledigheid van de vergunningsaanvraag beslist geval per geval over die project-m.e.r.-screeningsnota‟s. Ze beslist op basis van de selectiecriteria, vermeld in bijlage II van het decreet”.
- Uit deze bepalingen volgt dat de vergunningverlenende overheid een bij de vergunningsaanvraag gevoegde project-MER-screeningsnota onderzoekt en een beslissing neemt of er een milieueffectenrapport over het project moet worden opgesteld.
- Het middelonderdeel dat ervan uitgaat dat de vergunningverlenende overheid de in het voormelde artikel 4.7.26/1 VCRO beslissing neemt of er een milieueffectenrapport over het project moet worden opgesteld zonder het daaraan voorafgaande onderzoek van de bij de vergunningsaanvraag gevoegde project-MER-screeningsnota, faalt naar recht. VII-40.161-11/17
- Het middel gaat terug op de verwerping door de RvVb van het tweede middel waarin de verzoekende partijen aanvoeren “dat uit de motivering van de bestreden [vergunnings]beslissing niet blijkt of de [GSA] zelf onderzocht heeft of er aanzienlijke gevolgen voor het milieu te verwachten zijn” en “beperkt [is] tot een verwijzing naar de project-m.e.r.-screening”, op grond van volgende overwegingen: “[…] In de bestreden beslissing verwijst de [GSA] naar de project-m.e.r.-screeningsnota en oordeelt ze dat op basis daarvan kan gesteld worden dat de milieugevolgen van de aanvraag voldoende kunnen ingeschat worden en dat „rekening houdende met de criteria van bijlage II DABM (kenmerken van het project en kenmerken van de potentiële effecten)‟ geen aanzienlijke milieueffecten worden verwacht. Tevens vermeldt de bestreden beslissing dat de [GSA] zich op 15 oktober 2015 bij de ontvankelijkheids- en volledigheidsverklaring akkoord heeft verklaard met de conclusie van de nota en dat de opmaak van een project-MER niet nodig is. Uit de bestreden beslissing blijkt derhalve afdoende dat de project-m.e.r.-screeningsnota volgens de [GSA] voldoende informatie bevat om een goed beeld te krijgen van de milieueffecten van het project en dat de [GSA] aan de hand van de criteria van bijlage II DABM heeft geoordeeld dat geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn en dat geen project-MER vereist is. De verzoekende partijen wijzen overigens niet op een gebrek aan informatie over de milieueffecten in de project-m.e.r.-screeningsnota dat zou kunnen leiden tot de vaststelling dat er wel aanzienlijke milieueffecten kunnen zijn. Ze geven evenmin aan dat volgens hen de opmaak van een project-MER vereist is. Uit de bestreden beslissing blijkt afdoende dat de [GSA] zelf een beoordeling heeft gemaakt aan de hand van de criteria van bijlage II DABM en tot het besluit is gekomen dat het project geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu heeft, zodat geen schending van artikel 4.7.26/1, §2 VCRO voorligt. [...]”.
- Het middelonderdeel dat ervan uitgaat dat de RvVb slechts heeft gewezen op de formele paragraaf over de project-MER-screening in de bestreden vergunningsbeslissing en daaruit heeft afgeleid “dat de toetsing aan de selectiecriteria door de vergunningverlenende overheid zelf werd uitgevoerd” zonder “na te gaan of die beoordeling verder gaat dan het verwijzen naar de project-m.e.r.-screeningsnota”, mist feitelijke grondslag. VII-40.161-12/17
- Het middel wordt verworpen. C. Uiteenzetting van het derde middel
- De verzoekende partijen voeren de schending aan van artikel 4.3.1, § 1, eerste lid, 1°, a) en b), VCRO, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij artikel 308 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, en van artikel 149 van de Grondwet. Zij argumenteren: Eerste onderdeel “[…]
- Blijkens de stukken waarop uw Raad van State vermag acht te slaan, blijkt op pagina‟s 37 t.e.m. 57 van het verzoekschrift tot vernietiging dat verzoekende partijen bij de RvVb hadden ingediend, dat zij in hun derde middel bij de RvVb ook de schending hebben ingeroepen van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.
- Door te oordelen dat „Met dit laatste middel voeren de verzoekende partijen de schending van de motiveringsplicht aan voor wat betreft de beoordeling van de verenigbaarheid van het aangevraagde met de goede ruimtelijke ordening.‟ en de door verzoekende partijen ingeroepen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur ook bij de verdere behandeling van het derde middel onbesproken te laten, beantwoordt de RvVb niet de door verzoekende partijen opgeworpen schending van dat beginsel, zodat de bestreden beslissing op dat punt niet regelmatig is gemotiveerd (schending van artikel 149 van de Grondwet)”. Tweede onderdeel “[…]
- Blijkens de stukken waarop uw Raad van State vermag acht te slaan, blijkt op pagina‟s 37 t.e.m. 57 van het verzoekschrift tot vernietiging dat verzoekende partijen bij de RvVb hadden ingediend, dat zij in hun derde middel bij de RvVb ook de schending hebben ingeroepen van artikel 4.3.1, § 1, eerste lid, 1°, b) iuncto § 2, 1° en 2° van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, waar zij hadden opgeworpen dat de bij de RvVb bestreden beslissing VII-40.161-13/17 niet is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, dan wel deze niet correct heeft beoordeeld a.h.v. de in die bepalingen benoemde aandachtspunten en criteria, alsook in het licht van de in de omgeving bestaande toestand, zodat de beoordeling kennelijk onredelijk werd uitgevoerd.
- Door te oordelen dat „De verzoekende partijen komen in hun kritiek ook niet verder dan het poneren van een tegengestelde visie van de beoordeling in de bestreden beslissing, wat niet volstaat voor het succesvol aanvoeren dat de beoordeling in de bestreden beslissing van de verenigbaarheid van het aangevraagde met de goede ruimtelijke ordening de grenzen van de appreciatiebevoegdheid van de verwerende partij overschrijdt‟, beantwoordt de RvVb niet de door verzoekende partijen opgeworpen schendingen, zodat de bestreden beslissing op dat punt niet regelmatig is gemotiveerd (schending van artikel 149 van de Grondwet)”. Derde onderdeel “[…]
- Door te stellen dat „In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen menen, kan de verwerende partij in het onderdeel dat betrekking heeft op de beoordeling van de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening, ook verwijzen naar toepasselijke regels en voorwaarden die voortvloeien uit de planologische toets‟ en dat „Er is terzake minstens een samenhang tussen de legaliteitstoets en de opportuniteitstoets, zodat de beoordeling inzake de impact van de windturbine en de gevolgen voor de realisatie van de agrarische bestemming van het gebied, uitgevoerd kan worden onder de hoofding „beoordeling van de goede ruimtelijke ordening‟, in samenhang met de beoordeling van de functionele inpasbaarheid en de gevolgen voor het landbouwgebruik als relevant criterium en aandachtspunt in de beoordeling van de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening.‟, vermocht de RvVb niet te oordelen na die door hem gedane vaststellingen dat de door de verzoekende partijen ingeroepen schendingen dienden verworpen te worden zonder daarbij concreet na te gaan of de toets aan de goede ruimtelijke ordening werd doorgevoerd op meer dan de planologische toets en is de beslissing op dat punt niet naar recht verantwoord (schending van artikel 4.3.1., § 1, eerste lid, 1°, a) en b) van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)”. Beoordeling Eerste middelonderdeel
- Het bestreden arrest overweegt dat de GSA in de bestreden vergunningsbeslissing “met een afdoende zorgvuldige en nauwkeurige motivering VII-40.161-14/17 aan[geeft] om welke redenen zij het [ongunstig] advies [van de tweede verzoekende partij] niet volgt” en besluit de beoordeling van het derde middel van de verzoekende partijen dat zij “in hun betoog niet aan[tonen] dat de bestreden [vergunnings]beslissing […] kennelijk onzorgvuldig […] zou zijn”.
- Het middelonderdeel dat het bestreden arrest niet de door de verzoekende partijen aangevoerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel beantwoordt, mist feitelijke grondslag. Tweede middelonderdeel
- Het bestreden arrest overweegt dat in de bestreden vergunningsbeslissing “[d]e windturbine wordt […] beoordeeld in verhouding tot de ligging van de (lijn)infrastructuur, het bedrijventerrein, en de andere (aanwezige en/of minstens vergunde) windturbines”, dat de verzoekende partijen “in hun kritiek […] niet verder [komen] dan het poneren van een tegengestelde visie van de beoordeling in de bestreden [vergunnings]beslissing” en dat zij “niet aan[tonen] dat de bestreden beslissing zou steunen op foutieve gegevens, dan wel kennelijk onzorgvuldig of kennelijk onredelijk zou zijn”.
- Het middelonderdeel dat het bestreden arrest niet de door de verzoekende partijen aangevoerde grief beantwoordt in verband met de verwijzing in de bestreden vergunningsbeslissing “naar de met de directe omgeving (met name de lijninfrastructuur, het regionaal bedrijventerrein en de andere vergunde windturbineprojecten) vergelijkbare schaal en opbouw”, mist feitelijke grondslag. Derde middelonderdeel
- Artikel 4.3.1, § 1, eerste lid, 1°, a) en b), VCRO bepaalt dat een vergunning wordt geweigerd indien het aangevraagde onverenigbaar is met “a) stedenbouwkundige voorschriften […], b) een goede ruimtelijke ordening”. VII-40.161-15/17
- Het middelonderdeel gaat terug op de beoordeling door de RvVb van het derde middel waarin de verzoekende partijen aanvoeren dat “de beoordeling van de verenigbaarheid van het aangevraagde met de goede ruimtelijke ordening door de [GSA] niet naar behoren [werd] uitgevoerd”.
- Het bestreden arrest verwerpt het derde middel van de verzoekende partijen op grond van volgende overwegingen: “[...] [...] In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen menen, kan de [GSA] in het onderdeel dat betrekking heeft op de beoordeling van de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening, ook verwijzen naar toepasselijke regels en voorwaarden die voortvloeien uit de planologische toets. Voor de toepassing van artikel 4.4.9 VCRO is de windturbine in agrarisch gebied slechts aanvaardbaar als de aangevraagde werken (door hun beperkte impact) de realisatie van de algemene bestemming van het agrarisch gebied niet in het gedrang brengen. De formele motiveringsplicht noch een andere rechtsregel verbieden de [GSA] om de motivering dat aan deze voorwaarden voldaan is in het onderdeel inzake de toets aan de goede ruimtelijke ordening onder te brengen. Er is terzake minstens een samenhang tussen de legaliteitstoets en de opportuniteitstoets, zodat de beoordeling inzake de impact van de windturbine en de gevolgen voor de realisatie van de agrarische bestemming van het gebied, uitgevoerd kan worden onder de hoofding „beoordeling van de goede ruimtelijke ordening‟, in samenhang met de beoordeling van de functionele inpasbaarheid en de gevolgen voor het landbouwgebruik als relevant criterium en aandachtspunt in de beoordeling van de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening. [...]”.
- Het middelonderdeel dat ervan uitgaat dat het bestreden arrest het derde middel van de verzoekende partijen verwerpt “zonder daarbij concreet na te gaan of de toets aan de goede ruimtelijke ordening werd doorgevoerd”, mist feitelijke grondslag.
- Het middel wordt verworpen. VII-40.161-16/17 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig december tweeduizend achttien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.161-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.286 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div