id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.292 Rolnummer: A. 219645/IX-9416 Zaak: Arrest 243292 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 20/12/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-01-03 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-24 23:52 Fiche Arrest nr 243.292 van 20 december 2018 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 243.292 van 20 december 2018 in de zaak A. 219.645/IX-9416 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Milde kantoor houdend te 3000 Leuven Blijde Inkomststraat 108 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Buitenlandse en Europese Zaken, en van Defensie, belast met Be- liris en de Federale Culturele Instellingen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 21 juni 2016, strekt tot de nietigverkla- ring van besluit nr. 94.230 van de minister van Defensie van 8 april 2016 waarbij de wedde van XXXX gedurende vijftien dagen met 5% wordt verminderd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. IX-9416-1/16 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 december
- Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Milde, die verschijnt voor de verzoekende partij en majoor van het vliegwezen Maarten Kerckhofs, die verschijnt voor de verwe- rende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eens- luidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is beroepsofficier (niveau A) met de graad van kapi- tein bij Defensie. 3.
- Bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de politierecht- bank te Leuven van 4 juni 2015 wordt verzoeker veroordeeld tot een geldboete, met uitstel voor een termijn van drie jaar onder voorwaarde, en wordt hij voorts vervallen verklaard van het recht alle motorvoertuigen te besturen gedurende een termijn van drie maanden. De tenlastelegging waarop deze veroordeling is gesteund en die door de politierechter bewezen wordt bevonden, luidt: “op 25 oktober 2014 op een openbare plaats een voertuig of een rijdier te hebben bestuurd, of een bestuurder te hebben begeleid met het oog op scholing, terwijl de ademanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,35 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht heeft gemeten of de bloedanalyse een IX-9416-2/16 alcoholconcentratie van ten minste 0,8 gram per liter bloed heeft aangegeven, terwijl het misdrijf aan zijn/haar persoonlijk toedoen te wijten is (art. 34§2.1° en 38§1.1° Wegverkeerswet).” De politierechter neemt ook in overweging dat “in hoofde van [verzoeker] voor de tenlastelegging, herhaling bestaat”. Volgens verzoeker werd hij eerder, bij vonnis van de politie- rechtbank te Leuven van 9 december 2013, reeds veroordeeld tot een geldboete en een rijverbod van één maand. 3.
- Op 17 augustus 2015 informeert de bureauchef Tucht van de di- visie Administratieve Expertise van de algemene directie Human Resources van Defensie bij de korpscommandant van verzoeker of hij, op grond van de voormelde veroordeling van 4 juni 2015, ten aanzien van verzoeker een statutaire maatregel wenst voor te stellen. 3.
- Op 26 augustus 2015 antwoordt de korpscommandant daarop dat hij geen statutaire maatregel tegen verzoeker voorstelt. Hij argumenteert dat de feiten op grond waarvan verzoeker is veroordeeld tot de privésfeer behoren, dat noch die feiten, noch de gerechtelijke procedure of veroordeling invloed hebben gehad op de wijze van dienen van verzoeker en dat verzoeker in zijn eenheid nooit blijk heeft gegeven van enige alcoholverslaving of ongepast gedrag dat afbreuk zou kunnen doen aan zijn staat van militair en officier. Gelet op de herhaling, ziet de korpscommandant wel reden tot een grotere waakzaamheid en bijzondere aan- dacht ten aanzien van verzoeker, bijvoorbeeld ter gelegenheid van een drink of een receptie. 3.
- Op 23 oktober 2015 geeft de directeur-generaal Human Resour- ces aan de divisie Administratieve Expertise de opdracht om tegen verzoeker “de procedure statutaire maatregel op te starten”. IX-9416-3/16 3.
- Met een brief van 6 november 2015 wordt verzoeker door de di- visie Administratieve Expertise opgeroepen om op 3 december 2015 “in het kader van een procedure die aanleiding kan geven tot het nemen van een statutaire maat- regel” te worden gehoord over het feit dat hij “[o]p 04 Jun 15 werd [...] veroordeeld door de politierechter te Leuven tot een geldboete, met uitstel voor 3 jaar, en een rijverbod uit hoofde van het besturen van een voertuig onder invloed van alcohol (herhaling binnen 3 jaar)”. 3.
- Verzoeker dient op 28 november 2015 een verweerschrift in, met daarbij gevoegd zijn evaluatienota’s van 2013, 2014 en
- 3.
- Na verzoeker op 3 december 2015 te hebben gehoord, stelt mili- tair administrateur G.D. op 14 december 2015 een “[o]mstandig verslag” op waarin hij stelt “van oordeel [te zijn] dat de lichtste statutaire maatregel zou kunnen uitge- sproken worden daar de gepleegde feiten weinig erg en niet onverenigbaar met de staat van officier zijn”. 3.
- Op 15 december 2015 bezorgt verzoeker een aanvulling bij zijn verweerschrift “in het licht van de elementen die [hem] pas ter kennis kwamen tijdens de hoorzitting”. 3.
- Op 17 december 2015 neemt militair administrateur G.D. kennis van dat aanvullend verweerschrift, maar stelt hij dat “[hij zijn] omstandig verslag niet [wijzigt]”. 3.
- De chef van de divisie Administratieve Expertise zendt op 22 ja- nuari 2016 het dossier van verzoeker met de aanbeveling om hem “[e]en inhouding op de wedde van 5% gedurende 15 dagen” op te leggen, samen met het akkoord van de directeur-generaal Human Resources, naar de minister van Defensie. IX-9416-4/16 3.
- Op 11 februari 2016 stelt de minister van Defensie verzoeker in kennis van zijn intentie om hem een inhouding van 5% van zijn wedde gedurende vijftien dagen op te leggen. 3.
- Op 12 februari 2016 dient verzoeker hiertegen nog een verweer- schrift in. 3.
- De chef van de divisie Administratieve Expertise leest in dat ver- weerschrift geen nieuwe elementen en handhaaft op 17 maart 2016 de aanbeveling aan de minister tot inhouding van 5% van de wedde van verzoeker gedurende vijf- tien dagen. 3.
- Op 8 april 2016 neemt de minister van Defensie het thans bestre- den besluit waarbij aan verzoeker de statutaire maatregel van de inhouding van 5% van de wedde gedurende vijftien dagen wordt opgelegd. Dit besluit is als volgt gemotiveerd: “Gelet op de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat-militairen van het actief kader van de krijgsmacht, arti- kel 55, gewijzigd bij de wet van 31 juli 2013 en bij het koninklijk besluit van 10 april 2014; Gelet op het koninklijk besluit van 14 oktober 2013 tot vaststelling van de procedure betreffende de statutaire maatregelen toepasselijk op de militairen van het actief kader en tot wijziging van meerdere koninklijke besluiten betref- fende de militaire tucht, artikel 11; Overwegende dat Kapitein XXXX op 4 juni 2015 veroordeeld werd door de politierechter te Leuven tot een geldboete en een rijverbod uit hoofde van het besturen van een voertuig onder invloed van alcohol (herhaling binnen 3 jaar); Overwegende dat deze veroordeling het nemen van statutaire maatregelen niet uitsluit; Overwegende dat Kapitein XXXX gehoord werd door Luitenant-kolonel van het Vliegwezen [G.D.] (HRA-E), op 3 december 2015; Overwegende mijn intentieverklaring van 11 februari 2016 om Kapitein XXXX een inhouding op de wedde van 5% gedurende 15 dagen op te leggen, waarbij aan betrokkene de mogelijkheid geboden werd om een laatste verweer in te dienen; Overwegende dat Kapitein XXXX in zijn verweerschrift van 12 februari 2016 geen enkel nieuw element aanbrengt; IX-9416-5/16 Overwegende dat deze feiten niet kunnen of mogen getolereerd worden uit hoofde van eender welke militair, die een voorbeeldfunctie heeft en gehoor- zaamheid gezworen heeft aan de wetten van het Belgische volk; Overwegende dat het gedrag en de houding van Kapitein XXXX afbreuk doet aan de waardigheid van zijn ambt van beroepsofficier; Overwegende het sturen onder invloed van alcohol betreft (herhaling binnen 3 jaar), waardoor het passend is een statutaire maatregel op te leggen om de ernst van het vergrijp te onderstrepen; Overwegende dat Kapitein XXXX met zijn gedrag schade berokkent aan de goede faam van de krijgsmacht en aan zichzelf; Overwegende dat betrokkene zijn gedrag in het verkeer getuigt van weinig verantwoordelijkheidsgevoel ten aanzien van zijn medeweggebruikers; Overwegende dat betrokkene zijn gedrag in het verkeer een verkeerd beeld geeft naar ondergeschikten toe; Overwegende dat Kapitein XXXX met deze statutaire maatregel de zeer dui- delijke en ernstige raad meekrijgt op het rechte pad te blijven.” IV. Voorafgaande opmerking
- De verwerende partij merkt in haar memorie van antwoord op dat een verzoekschrift tot nietigverklaring slechts ontvankelijk is indien minstens één ontvankelijk rechtsmiddel wordt aangevoerd. Zij wijst erop dat luidens arti- kel 2, § 1, 3°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ het verzoekschrift onder meer een uiteenzetting van de middelen moet bevatten en dat onder een middel zoals bedoeld in deze bepaling moet worden verstaan de vol- doende duidelijke omschrijving van de geschonden geachte rechtsregel of het ge- schonden geachte rechtsprincipe en van de wijze waarop die regel of dat principe is geschonden. Volgens de verwerende partij wordt in het voorliggende ver- zoekschrift tot nietigverklaring “niet volledig duidelijk” aangegeven welke bepa- lingen volgens verzoeker geschonden zijn. De verwerende partij besluit daaruit dat “de middelen slechts be- oordeeld [kunnen] worden zoals ze door de verwerende partij begrepen zijn en in zoverre de kritiek van verzoeker relevant is”. IX-9416-6/16
- Verzoeker betwist in zijn memorie van wederantwoord dat “het rechtsmiddel onvoldoende duidelijk aangehaald zou zijn”. Hij betoogt: “Het verzoekschrift stelt duidelijk dat de beslissing waarvan de nietigheid gevorderd wordt een inbreuk uitmaakt op de wetsbepaling met betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (wet van 8 oktober 1992). Daar- enboven werd deze beslissing genomen in strijd met de beginselen van behoor- lijk bestuur en tenslotte heeft de beoogde maatregel een disproportioneel ka- rakter.”
- Na te hebben vastgesteld dat het inleidend verzoekschrift “geen duidelijk afgescheiden onderdeel” bevat waarin de aangevoerde rechtsmiddelen worden uiteengezet, leidt de auditeur-verslaggever in zijn verslag over de zaak uit verzoekers uiteenzetting in dat verzoekschrift af: “dat de verzoeker – al zegt hij het niet in duidelijke bewoordingen – 1) de materiële motiveringsplicht geschonden acht doordat de bestreden beslissing gesteund is op onbestaande feiten; 2) de bestreden beslissing het ‘non bis in idem’-beginsel schendt doordat de verzoeker voor de feiten reeds veroordeeld is door de politierechter; en 3) het zorgvuldigheids- en het evenredigheidsbe- ginsel geschonden acht doordat de opgelegde sanctie buiten proportie staat tot de feiten.” De auditeur-verslaggever vervolgt in zijn verslag: “Hoewel de verzoeker niet kan gevolgd worden in zijn stelling dat uit het verzoekschrift duidelijk blijkt dat hij ‘de wetsbepaling met betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer’ geschonden acht, kan aangeno- men worden dat het verzoekschrift wel degelijk ontvankelijke middelen bevat. De verwerende partij heeft dit overigens ook zo begrepen vermits zij ten gronde repliek biedt ten aanzien van die middelen.”
- De verwerende partij weerspreekt dit standpunt van het audito- raatsverslag niet in haar laatste memorie. Ook verzoeker doet dat niet in zijn laatste memorie. Hij beperkt zich tot een letterlijke herhaling van zijn hiervóór sub 5 aan- gehaald betoog.
- In die omstandigheden sluit de Raad van State zich, na een eigen onderzoek, aan bij het voormelde standpunt van het auditoraatsverslag en IX-9416-7/16 onderzoekt hij hierna de voormelde drie middelen, die als enige in het inleidend verzoekschrift kunnen worden onderkend. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in het eerste middel de schending aan van het materiëlemotiveringsbeginsel, doordat het bestreden besluit gesteund is op onbe- staande feiten. Hij betoogt in zijn inleidend verzoekschrift: “Het M.B. werd genomen op grond van feiten welke niet bestaan en werden derhalve gesteund op een juridisch onaanvaardbaar motief. Zo stelt het M.B. dat het gedrag van verzoeker schade berokkent aan de goede faam van de Krijgs- macht en aan zichzelf. Dit argument kan niet weerhouden worden nu het feit onbestaande is. Op geen enkel ogenblik werd er schade toegebracht aan de Krijgsmacht. De feiten deden zich voor in de privé sfeer van verzoeker, zonder dat dit ook maar enige implicatie had op zijn functie binnen Defensie of de faam van de krijgsmacht in het gedrang zou zijn gekomen. Dat in dezelfde context het M.B. stelt dat verzoeker een verkeerd beeld geeft naar zijn ondergeschikten. Ook hier wordt er een motivatie opgebouwd op grond van een niet bestaand feit, met name geen enkele van de onderdanen van ver- zoeker zijn op de hoogte van de veroordeling door de Politierechtbank. Het betreft immers feiten welke zich afspelen buiten de werksfeer van ver- zoeker.”
- Verzoeker laat in zijn memorie van wederantwoord nog gelden dat militair administrateur G.D. van oordeel was dat “de gepleegde feiten weinig erg en niet onverenigbaar met de staat van officier zijn”. Verzoeker leidt eruit af dat de voorwaarde voor het opleggen van een statutaire maatregel, namelijk het bestaan van “ernstige, met de staat van militair overeenstemmend met zijn perso- neelscategorie niet overeen te brengen feiten” de facto niet vervuld is. IX-9416-8/16 Verzoeker benadrukt dat de feiten zich volledig binnen de privé- sfeer hebben afgespeeld, in burgerkledij, met zijn persoonlijk voertuig, zonder be- trokkenheid van derden en bij afwezigheid van media-aandacht. Hij stelt dat de verwerende partij de weerslag van de feiten op de goede faam van de krijgsmacht niet heeft aangetoond en dat uit de nota van de korpscommandant en de nota’s betreffende zijn evaluatie blijkt dat er geen enkele invloed is op de uitoefening van zijn ambt. Hij merkt ook op dat er geen enkel aantoonbaar verband is tussen de gepleegde feiten en de mate van zijn plichtsbewustzijn, zijn respect voor de mili- taire hiërarchie of de militaire discipline. Volgens verzoeker wordt er evenzeer op grond van onbestaande feiten een motivering opgebouwd voor zover wordt aangenomen dat hij een ver- keerd beeld geeft aan zijn ondergeschikten. Niemand van zijn hiërarchische onder- geschikten is immers op de hoogte van zijn veroordeling door de politierechtbank. Verzoeker voert ten slotte aan dat de opgelegde statutaire maat- regel onvoldoende is gemotiveerd. De inhouding van 5% van de wedde gedurende vijftien dagen kan, aldus verzoeker, bezwaarlijk licht worden genoemd, in acht ge- nomen dat een dergelijke inhouding minimum twee percent en maximum vijf per- cent mag bedragen gedurende minimum één dag en maximum dertig dagen.
- In zijn laatste memorie stelt verzoeker nog dat het de verwerende partij is die met de bestreden maatregel onnodige publiciteit geeft aan de feiten die tot de privésfeer van verzoeker behoren. Volgens verzoeker kan en mag de verwe- rende partij zich niet beroepen op een feit dat zij zelf heeft gecreëerd. Beoordeling
- Het bestreden besluit is door de verwerende partij ten aanzien van verzoeker genomen met toepassing van artikel 55, eerste lid, van de wet van 28 februari 2007 ‘tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat- IX-9416-9/16 militairen van het actief kader van de Krijgsmacht’ (hierna: de wet van 28 februari 2007), dat als volgt luidt: “Onverminderd de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, indien een militair zich aan ernstige, met de staat van militair overeenstemmend met zijn personeelscategorie niet overeen te brengen feiten schuldig heeft gemaakt, kan de door de Koning aangewezen overheid een inhouding op de wedde van betrokken militair toepassen. Deze inhouding wordt toegepast gedurende ten hoogste één maand en bedraagt ten minste twee percent en ten hoogste vijf percent van de bruto maandwedde, verschuldigd voor de maand waarin de statutaire maatregel betekend wordt aan de betrokken mili- tair.”
- De materiëlemotiveringsplicht als beginsel van behoorlijk be- stuur houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motie- ven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren bewezen is en die in rechte ter ver- antwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiverings- plicht vermag de Raad van State zijn oordeel omtrent de feiten niet in de plaats te stellen van het oordeel van het bestuur. Hij vermag enkel na te gaan of het bestuur is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of het die correct heeft be- oordeeld en of het op grond daarvan in redelijkheid tot zijn besluit is kunnen ko- men.
- In dit geval steunt het bestreden besluit op de vaststelling dat verzoeker op 4 juni 2015 door de politierechter werd veroordeeld tot een geldboete (met uitstel) en een tijdelijk rijverbod op grond van de bewezen tenlastelegging van het besturen van een voertuig onder invloed van alcohol, wat een “herhaling” betreft binnen een periode van drie jaar. Die veroordeling staat vast. Het bestaan ervan en het definitieve karakter ervan worden door verzoeker niet betwist. IX-9416-10/16
- Het bestreden besluit overweegt met betrekking tot de door de strafrechter vastgestelde feiten vooreerst dat ze niet kunnen of mogen worden ge- tolereerd in hoofde van eender welke militair, die een voorbeeldfunctie heeft en gehoorzaamheid gezworen heeft aan de wetten van het Belgische volk. Voorts wordt gesteld dat verzoeker ermee afbreuk doet aan de waardigheid van zijn ambt van beroepsofficier, dat het passend is een statutaire maatregel op te leggen om de ernst van het vergrijp te onderstrepen, dat verzoeker met zijn gedrag schade berok- kent aan de faam van de krijgsmacht en van hemzelf, dat zijn gedrag in het verkeer getuigt van weinig verantwoordelijkheidsgevoel ten aanzien van zijn medewegge- bruikers en een verkeerd beeld geeft naar ondergeschikten toe. De Raad van State kan deze appreciatie van de bewezen feiten door de verwerende partij verre van onredelijk bevinden. De omstandigheid dat die feiten zich hebben afgespeeld in de privésfeer staat er niet aan in de weg dat de verwerende partij dergelijke feiten als niet-tolereerbaar mag beschouwen in hoofde van een militair die gehoorzaamheid heeft gezworen aan de wetten van het Belgi- sche volk en van wie mag worden aangenomen dat hij een voorbeeldfunctie heeft. Dit geldt nog des te meer ten aanzien van verzoeker die de graad van kapitein heeft en daarmee een leidende functie bekleedt. Dat de bewezen feiten de faam van de krijgsmacht en van verzoeker zelf in het gedrang kunnen brengen, kan bezwaarlijk worden betwist. De omstandigheid dat aan deze feiten geen ruchtbaarheid is gege- ven en niet blijkt in welke mate de faam van de krijgsmacht en van verzoeker in concreto in het gedrang is gekomen, doet niets daaraan af, net zomin als de gun- stige evaluaties van verzoekers functioneren op de dienst in 2013, 2014 en
- Verzoeker betwist voorts niet dat zijn zelfs bij herhaling vastgesteld gedrag in het verkeer, zoals de verwerende partij overweegt, van weinig verantwoordelijkheids- gevoel getuigt ten aanzien van de medeweggebruikers. Niet ten onrechte verbindt de verwerende partij daaraan haar opvatting dat verzoeker “een verkeerd beeld geeft naar ondergeschikten toe”. Verzoekers argument dat zijn ondergeschikten niet op de hoogte zijn van het voorgevallene, kan niet overtuigen. Minstens bestaat de reële mogelijkheid dat ondergeschikten van verzoeker kennis ervan krijgen. Niet zonder reden vermag de verwerende partij daarvoor beducht te zijn en de IX-9416-11/16 wenselijkheid van een administratieve maatregel ten aanzien van verzoeker, zoals degene die wordt bestreden, mede daarop te steunen. Ten slotte kan verzoeker aan de verwerende partij niet nuttig ver- wijten dat zij met de gevoerde procedure zelf publiciteit zou hebben gegeven aan feiten uit zijn privéleven. De verwerende partij heeft met de gevoerde procedure immers slechts toepassing gemaakt van de mogelijkheid die artikel 55, eerste lid, van de wet van 28 februari 2007 haar biedt om op te treden tegen ernstige feiten die niet in overeenstemming zijn met de militaire status van de betrokkene.
- Voor zover verzoeker in zijn memorie van wederantwoord nog laat gelden dat de zwaarte van de opgelegde statutaire maatregel onvoldoende is gemotiveerd, geeft hij aan het middel een nieuwe draagwijdte. Niets belette hem om deze grief reeds in zijn inleidend verzoekschrift aan te voeren, wat hij heeft nagelaten. De grief kan niet ontvankelijk voor het eerst in de memorie van weder- antwoord worden aangevoerd.
- Het eerste middel wordt verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in het tweede middel de schending aan van het beginsel non bis in idem. Hij betoogt in zijn inleidend verzoekschrift: “Het M.B. is in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur. De opgelegde maatregel maakt immers een veroordeling uit voor feiten waarvoor verzoeker reeds veroordeeld werd door de Politierechter. Door aan verzoeker een inhou- ding van loon op te leggen, wordt hij voor de tweede maal bestraft voor dezelfde feiten. Dit is een inbreuk op het beginsel non bis in idem.” IX-9416-12/16 Beoordeling
- Het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem houdt in dat nie- mand twee keer mag worden gestraft of berecht voor eenzelfde strafbaar feit. Het belet evenwel niet dat eenzelfde feit aanleiding geeft tot maatregelen van verschil- lende aard, zoals de Raad van State recent nog meer uitvoerig heeft uiteengezet onder meer in arrest nr. 234.916 van 2 juni 2016 en arrest nr. 240.916 van 6 maart
- Op 4 juni 2015 werd verzoeker door de politierechter te Leuven strafrechtelijk veroordeeld ter beteugeling van een inbreuk op de verkeerswetge- ving. De thans bestreden beslissing legt aan verzoeker voor hetzelfde feit een maat- regel op van geheel andere aard, namelijk een statutaire maatregel die verzoeker in zijn belangen beoogt te treffen ter vrijwaring van het belang van de dienst, nu het feit dat werd vastgesteld en ernstig bevonden, geacht wordt niet in overeenstem- ming te zijn met “de staat van militair overeenstemmend met [verzoekers] perso- neelscategorie”. Er is dan ook geen sprake van een schending van het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem.
- Het tweede middel is niet gegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in het derde middel de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. IX-9416-13/16 Hij betoogt in zijn inleidend verzoekschrift: “Bovendien is de maatregel onzorgvuldig en disproportioneel. Er is afdoende gebleken dat de feiten zich hebben voorgedaan binnen de privésfeer van ver- zoeker en zonder enige implicatie op zijn werk, zijn houding of zijn collega’s. Wat verzoeker doet buiten de werkomgeving kan niet het voorwerp zijn van een statutaire maatregel, wanneer er geen enkele link is naar het professionele leven. Verzoeker heeft een perfecte staat van dienst en nooit was hij het voorwerp van enige maatregel van disciplinaire aard. Het opgelegde M.B., bemoeilijkt de carrièremogelijkheden van verzoeker binnen Defensie zodat de statutaire maatregel een disproportioneel karakter heeft.”
- In zijn memorie van wederantwoord wijst verzoeker erop dat de bevorderingscomités die verantwoordelijk zijn voor het advies inzake bevorde- ringsvoordrachten hiermee rekening moeten houden, zodat de draagwijdte van de maatregel verder reikt dan enkel het financiële aspect en er derhalve een bijko- mende impact is op zijn carrièremogelijkheden.
- In zijn laatste memorie herhaalt verzoeker dat “[d]e schade door de genomen beslissing […] veel groter [is] dan de beperkte intrekking van het loon”. Beoordeling
- Voor zover verzoeker in het middel aanvoert dat de bestreden maatregel onzorgvuldig is genomen omdat hij gesteund is op feiten die zich in de privésfeer hebben voorgedaan en geen impact hebben gehad op zijn werk, zijn hou- ding of zijn collega’s, laat hij wezenlijk dezelfde grief gelden als in zijn eerste middel. Om de redenen uiteengezet bij de beoordeling van dat middel, is de grief ongegrond.
- Voor zover verzoeker in het middel aanvoert dat de genomen maatregel buiten proportie is, dient erop te worden gewezen dat de Raad van State bij het beoordelen van de evenredigheid van die maatregel zich niet in de plaats van het bestuur vermag te stellen. De Raad van State mag slechts tot een schending IX-9416-14/16 van het evenredigheidsbeginsel besluiten wanneer een beslissing, waarvan wordt vastgesteld dat ze op deugdelijke grondslagen berust, inhoudelijk dermate van het normale beslissingspatroon afwijkt dat het ondenkbaar is dat enige andere overheid in dezelfde omstandigheden die beslissing zou nemen. In dit geval ziet de Raad van State geen reden om aan te nemen dat het ondenkbaar is dat enige andere overheid aan haar personeelslid met een gezagsfunctie, zoals verzoeker, de relatief lichte statutaire maatregel van inhouding van 5% van de wedde gedurende vijftien dagen oplegt, op grond van de strafrech- telijke veroordeling van dat personeelslid voor het besturen van een voertuig op een openbare plaats onder invloed van alcohol, met een niet-toegelaten alcohol- concentratie, en in acht genomen dat dit bovendien een herhaling betreft. Verzoeker beweert, maar toont niet aan dat de maatregel in re- kening zal moeten worden gebracht in het advies van de bevorderingscomités in- zake bevorderingsvoordrachten. Bovendien maakt verzoeker niet duidelijk hoe hem dat concreet in zijn loopbaan zou belemmeren. Dat de proportionaliteit van de maatregel erdoor in het gedrang zou komen, wordt aldus niet in het minst aanne- melijk gemaakt. Ook het feit dat verzoeker een perfecte staat van dienst zou heb- ben, zoals hij beweert, en nooit eerder het voorwerp was van een maatregel van disciplinaire aard, doet de Raad van State niet tot de onevenredigheid van de op- gelegde maatregel besluiten.
- Het derde middel wordt eveneens verworpen. IX-9416-15/16 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nie- tigverklaring, begroot op 200 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 20 december 2018, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9416-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.292 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div