← België

Cassatiebeschikking 13055 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 08/11/2018

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 08 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.13.055 Rolnummer: A. 226287/XIV-37827 Zaak: Cassatiebeschikking 13055 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 08/11/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-11-23 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-24 17:01 Fiche Beschikking nr 13.055 van 8 november 2018 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.055 van 8 november 2018 in de zaak A. 226.287/XIV-37.827 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hanne Van Walle kantoor houdend te 1060 Brussel Berckmansstraat 89 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 26 september 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 207.979 van 21 augustus 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 8 oktober 2018 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Verzoekster voert aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ter terechtzitting de geloofwaardigheid van verzoeksters Eritrese nationaliteit in twijfel heeft getrokken, dat, aangezien dit niet door een partij werd aangevoerd, het debat had moeten worden heropend om verzoekster de gelegenheid te geven een repliek voor te bereiden en op een volwaardige wijze haar standpunt te laten gelden en dat, “door dit nieuw en eerder nooit besproken argument te hernemen zonder de gelegenheid te geven aan verzoekende partij om XIV-37.827-1/4 dit argument tegen te spreken en zich te verdedigen”, het recht van verdediging en het recht op tegenspraak zijn geschonden. Uit het rechtsplegingsdossier blijkt dat reeds in de aanvankelijk bestreden beslissing ernstige twijfels werden geuit over de (kopieën van de) Eritrese identiteitskaarten van verzoekster en haar moeder en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ter terechtzitting ook vragen stelde over verzoeksters voorgehouden Eritrese nationaliteit. Uit niets blijkt dat verzoekster of haar raadsman ter terechtzitting om uitstel heeft gevraagd of dat de raadsman een heropening van het debat heeft gevraagd nadat de zaak in beraad was genomen. Verzoekster toont dan ook geen schending aan van het recht van verdediging, waarvan het recht op tegenspraak deel uitmaakt. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen doet in zaken zoals te dezen uitspraak met hervormingsbevoegdheid en hij is daarbij niet gebonden door de motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen steunt zich voor zijn beoordeling van verzoekers voorgehouden nationaliteit uitdrukkelijk op de landenrapporten in het administratief dossier waaruit blijkt dat Eritrea pas in 1993 onafhankelijk werd verklaard en dus niet op eigen onderzoek of kennis. Het vormt geen schending van de bewijskracht van die stukken om daaruit af te leiden dat verzoekster pas na de onafhankelijkheid van Eritrea, en niet voordien zoals zij zelf voorhield, de Eritrese nationaliteit kon hebben. Verzoekster toont wat dat betreft geen schending aan van de in artikel 39/2, § 2, van de vreemdelingenwet omschreven bevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen noch van het beginsel van de bewijskracht van stukken zoals bepaald in de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Het enige middel is in die mate kennelijk ongegrond.
  2. Verzoekster voert verder aan dat “de omstandigheden van de al dan niet illegale vlucht uit Eritrea niet voldoende zijn om te besluiten dat er geen vrees voor vervolging is bij terugkeer maar dat er een onderzoek moet worden gevoerd naar de algemene geloofwaardigheid van de asielaanvrager”. XIV-37.827-2/4 Met het bestreden arrest wordt enkel uitspraak gedaan over verzoeksters vraag om internationale bescherming, zonder dat een verwijderingsmaatregel wordt opgelegd. Verzoekster kan zich derhalve niet dienstig beroepen op artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni
  3. Verder is het bestreden arrest niet enkel gesteund op de ongeloofwaardigheid van verzoeksters vluchtroute en op het feit dat zij slechts naar algemene rapporten zou verwijzen. Er wordt in het bestreden arrest immers concreet overwogen dat verzoekster inmiddels 50 jaar en dus niet meer dienstplichtig is, zelfs niet in oorlogstijd, en dat zij niet eens heeft geprobeerd een vrijstelling te krijgen, desgevallend omwille van haar leeftijd, slechtziendheid of andere lichamelijke problemen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt op dat verzoekster in het beroepschrift wel verwijst naar algemene rapporten over de onderdrukking in Eritrea, ook als alleenstaande oudere vrouw zonder kinderen, doch dat verzoekster tijdens het gehoor uitdrukkelijk heeft geantwoord dat de dienstplicht de grote reden was voor haar vertrek en dat zij “geen melding [heeft gemaakt] van andere problemen tijdens haar eenjarig verblijf in Eritrea”, noch over haar voorgehouden zwakke sociale positie. Zo kon verzoekster volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen blijkens haar eigen verklaringen “in Eritrea rekenen op de steun van haar nonkel en diens vrouw - bij wie zij introk in Asmara, wat volgens haar zelfs een vanzelfsprekendheid was gezien het om het huis ging waar zij opgroeide […] - en van haar drie halfzussen […] die zij in Foro ging bezoeken, waarbij haar zussen haar kwamen halen en ook terugbrachten”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt concreet waarom verzoeksters voorgehouden illegaal vertrek uit Eritrea ongeloofwaardig is, onder meer omdat haar voorgehouden onwetendheid over de route “haaks [staat] op de vaststelling dat zij wel gedetailleerd de route kon beschrijven die zij op 13-15 jarige leeftijd zou hebben afgelegd toen zij een eerste maal Eritrea verliet”. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen valt niet in te zien waarom verzoekster zelfs geen poging heeft ondernomen om Eritrea veilig en legaal te verlaten en houden ongeletterdheid en een beperkte scholing niet in dat verzoekster haar asielrelaas en leefwereld niet zou kunnen omschrijven. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt aan de hand van concrete elementen op dat uit verzoeksters verklaringen “geen problematische toestand maar wel een duidelijke alertheid [blijkt] aangezien verzoekster haar verklaring bijstelt wanneer ze het noodzakelijk acht voor de coherentie van haar verhaal en haar deportatie”. De risico’s voor XIV-37.827-3/4 verzoekster bij een eventuele terugkeer naar Eritrea zijn dus wel degelijk onderzocht in het licht van verzoeksters concrete asielmotieven en verklaringen. Verzoekster toont derhalve geen schending aan van artikel 48/3, § 2, of artikel 48/4, § 2, b), van de vreemdelingenwet, noch van de jurisdictionele motiveringsplicht die is opgenomen in artikel 149 van de Grondwet en in artikel 39/65 van de vreemdelingenwet. Het enige middel is in die mate kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  4. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  5. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op acht november tweeduizend achttien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.827-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.13.055 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.