id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 08 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.13.057 Rolnummer: A. 226396/XIV-37836 Zaak: Cassatiebeschikking 13057 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 08/11/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-11-26 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-24 17:03 Fiche Beschikking nr 13.057 van 8 november 2018 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.057 van 8 november 2018 in de zaak A. 226.396/XIV-37.836 In zake :
- XXXXX
- XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Vancraeynest kantoor houdend te 5530 Yvoir avenue de Fidevoye 9 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 8 oktober 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 208.802 van 5 september 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 15 oktober 2018 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De verzoeksters citeren een aantal uittreksels uit verslagen betreffende de algemene toestand in Albanië die door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zouden zijn miskend met de beoordeling in het bestreden arrest dat “de politionele en gerechtelijke autoriteiten daden van vervolging detecteren, vervolgen en bestraffen” en dat de verzoeksters niet aantonen “dat deze gevolgtrekkingen onjuist XIV-37.836-1/4 zouden zijn en dat de autoriteiten geen redelijke maatregelen treffen tot voorkoming van vervolging of het lijden van ernstige schade die verzoeksters zeggen te vrezen”. De verzoeksters gaan voorbij aan de motivering in het bestreden arrest dat niet wordt betwist dat hervormingen nog steeds nodig zijn om corruptie aan te pakken en dat de bescherming die de nationale overheid biedt daadwerkelijk doch niet absoluut moet zijn en niet tegen elk door derden gepleegd feit moet gelden. De verzoeksters gaan tevens voorbij aan de motivering dat zij in Albanië nooit klacht hebben ingediend tegen E., die huishoudelijk geweld zou hebben gepleegd, noch contact hebben opgenomen met een hulporganisatie, dat moeilijk een daadwerkelijk optreden van de autoriteiten kan worden verwacht tegen niet-aangegeven feiten en dat de verwijzing door de verzoeksters naar informatie betreffende de beschermingsmogelijkheden in Albanië bij huiselijk geweld niet berust op eigen persoonlijke ervaringen en dan ook niet in concreto vermag aan te tonen dat het de verzoeksters aan redelijke beschermingsmaatregelen ontbreekt. De verzoeksters tonen dan ook niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de bewijskracht van akten overeenkomstig de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek zou hebben geschonden door aan de door hen aangehaalde informatie een uitlegging te geven die in strijd is met de bewoordingen of de inhoud ervan. Het eerste middel is kennelijk ongegrond.
- De verzoeksters hebben in hun beroepschrift voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de inhoud van artikel 48/7 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) geciteerd en aangevoerd “dat tegenpartij de gewelddaden waarvan verzoekster het slechtoffer is geweest niet in twijfel trekt”, “dat tegenpartij in casu niet aantoont dat er goede redenen zijn om te veronderstellen dat de door verzoekster ondergane vervolgingen zich niet meer zullen voordoen” en “dat wat meer bepaald de beschermingsmechanismes betreft die aan verzoekster worden voorgesteld, uit hierboven vermelde COI Focus blijkt dat de voorgestelde oplossingen niet adequaat zijn”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betwist niet als dusdanig de feiten waarvan de verzoeksters voorhouden slachtoffer te zijn geworden maar hij is van XIV-37.836-2/4 oordeel dat er sprake is van voldoende bescherming. Betreffende het door de verzoeksters aangevoerd huishoudelijk geweld wordt immers gewezen op de algemene situatie in Albanië wat de mogelijkheid betreft om nationale bescherming te krijgen via de overheidsinstellingen of hulorganisaties en op het feit dat de verzoeksters nooit klacht hebben ingediend. Betreffende de seksuele geaardheid van eerste verzoekster wordt gewezen op de wetswijzigingen en de mentaliteitswijziging in de voorheen homofobe Albanese maatschappij, evenals op de steun die eerste verzoekster krijgt van haar moeder, die nochtans op de hoogte is van eerste verzoeksters geaardheid. De kritiek van de verzoeksters, die uitsluitend betrekking had op het al dan niet voorhanden zijn van voldoende bescherming, is aldus beantwoord en de verzoeksters tonen wat dat betreft geen schending aan van de jurisdictionele motiveringsplicht zoals vervat in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet. De verzoeksters tonen evenmin een schending van artikel 48/7 van de vreemdelingenwet aan vermits de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de mogelijkheid van bescherming, die de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zelf in het algemeen evalueert en waarvan hij vaststelt dat de verzoeksters ze in het verleden niet hebben benut, net als een reden beschouwt om aan te nemen dat de vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. Het tweede middel is kennelijk ongegrond.
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zet in het bestreden uiteen waarom hij van oordeel is dat bescherming in Albanië mogelijk is en hij verwijst daarbij uitdrukkelijk naar de evolutie van de algemene toestand, onder meer wat betreft corruptie en de aanpak van huishoudelijk geweld. Vermits de verzoeksters in hun beroepschrift voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen er enkel op algemene wijze aan hebben herinnerd “dat de echtgenoot van verzoekster over een politieke invloed geniet”, volstaat de motivering van het bestreden arrest om op dat punt te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht zoals vervat in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet. Het derde middel is kennelijk ongegrond. XIV-37.836-3/4 BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- De verzoeksters worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op acht november tweeduizend achttien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.836-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.13.057 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.