← België

Cassatiebeschikking 13064 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 22/11/2018

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 22 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.13.064 Rolnummer: A. 226389/XIV-37834 Zaak: Cassatiebeschikking 13064 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 22/11/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-12-07 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-24 19:09 Fiche Beschikking nr 13.064 van 22 november 2018 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.064 van 22 november 2018 in de zaak A. 226.389/XIV-37.834 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bob Brijs kantoor houdend te 1060 Brussel Moskoustraat 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 8 oktober 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 208.663 van 3 september 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 18 oktober 2018 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en XIV-37.834-1/5 ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. Verzoeker heeft er in het beroepschrift voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wat zijn familiale situatie betreft op gewezen dat hij 13 jaar in Iran verbleef, dat hij geen familie meer heeft in Afghanistan, dat hij gehuwd is met een Afghaanse vrouw die sedert haar derde levensjaar in Iran verbleef, slechts één tante in Afghanistan heeft en ondertussen in Afghanistan verblijft, dat hij twee minderjarige kinderen heeft die in Iran zijn geboren en opgegroeid en dat hij de zorg had voor een (meerderjarige) gehandicapte broer. Verzoeker liet gelden dat niet enkel met zijn eigen zogenaamde zelfredzaamheid rekening moest worden gehouden maar ook met de mogelijkheid voor zijn gezin om zich in Afghanistan te vestigen. Hij voerde aan dat zijn kinderen nooit in Afghanistan hebben gewoond en dus een zeer beperkte band hebben met dat land. In het bestreden arrest wordt deze argumentatie beantwoord met de overwegingen “dat verzoekers verwijzing naar de situatie van zijn gehandicapte broer, zijn echtgenote en zijn dochter en naar de hypothetische omstandigheden waarin zij in Herat zouden verkeren indien zij zich naar deze stad zouden begeven in casu niet dienstig is” vermits “de beoordeling van een eventuele vrees en een eventueel risico in hun hoofde […] heden immers niet voor[ligt]”, dat “noch verzoekers broer, noch diens echtgenote en dochter […] verzoeker in België [vergezellen] en dat “verder […] geen van deze personen in verzoekers land van herkomst [vertoeft] doch verblijven zij allen in het buitenland”. Met de voornoemde motivering wordt duidelijk aangegeven waarom verzoekers argumentatie betreffende de onredelijkheid van een verblijf voor zijn gezin in Afghanistan wordt verworpen. Verzoeker heeft deze motivering ook begrepen vermits hij de wettigheid ervan betwist. De eventuele onjuistheid van de motieven in feite of in rechte kan op zich, zoals hoger aangehaald, echter geen schending vormen van de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht. Het eerste middelonderdeel is in die mate kennelijk ongegrond. XIV-37.834-2/5
  2. Naar luid van artikel 48/5, § 3, van de vreemdelingenwet is voor het aanvaarden van een intern vestigingsalternatief niet enkel vereist dat de asielzoeker op een veilige en wettige manier kan reizen naar en zich toegang kan verschaffen tot een veilig deel van het land van herkomst maar ook dat “redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij er zich vestigt”. Bij deze beoordeling “wordt rekening gehouden met de algemene omstandigheden van het land en met de persoonlijke omstandigheden van de asielzoeker”. Deze bepaling vormt de omzetting van artikel 8 van richtlijn 2011/95/EU van 13 december 2011 ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming’ (hierna: richtlijn 2011/95) en de hoger geciteerde bewoordingen van artikel 48/5, § 3, van de vreemdelingenwet zijn eruit overgenomen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft vastgesteld dat de door verzoeker genoemde familieleden niet in het land van herkomst, Afghanistan, verblijven en ook niet verzoeker vergezellen in België, doch dat zij in het buitenland verblijven. Hij heeft eveneens vastgesteld dat geen verzoek om internationale bescherming van die familieleden voorligt. In het licht van die feitelijke vaststellingen toont verzoeker geen schending aan van de hoger aangehaalde bepalingen doordat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de mogelijkheid voor die familieleden om zich op dezelfde plaats als verzoeker te vestigen niet heeft onderzocht. In artikel 4 van richtlijn 2011/95 worden gezinsleden trouwens gedefinieerd als bepaalde familieleden “die in verband met het verzoek om internationale bescherming in dezelfde lidstaat aanwezig zijn” als de persoon die internationale bescherming geniet. Het eerste middelonderdeel is in die mate kennelijk ongegrond.
  3. De beoordeling in het bestreden arrest van het redelijk vestigingsalternatief is niet enkel gesteund op de vaststelling “zonder enige pertinente motivering […] dat verzoeker zou kunnen rekenen op hulp en ondersteuning van zijn echtgenotes familie in Herat”. Er wordt immers ook overwogen dat verzoeker in het verleden tot tweemaal toe werd geholpen door een vriend in Herat en dat uit het openbare gedeelte van verzoekers Facebook-profiel blijkt dat hij nog andere vrienden heeft in Herat waaronder een politieagent. Anders dan verzoeker voorhoudt, is deze laatste vaststelling niet in strijd met de overweging dat een voorgelegde afdruk van een Facebook-conversatie op zich geen XIV-37.834-3/5 bewijs vormt dat één van die vrienden ondertussen zelf is gevlucht. Hetgeen wordt vastgesteld bij de raadpleging van een Facebook-profiel kan immers een andere bewijswaarde hebben dan enkel de voorgelegde afdruk van een eerdere Facebook- conversatie, waarvan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt dat deze gemakkelijk gemanipuleerd kan zijn. Om aan te nemen dat verzoeker wel degelijk beschikt over een netwerk, acht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het ook van belang dat verzoeker naar eigen zeggen zijn Facebook-profiel pas in België heeft gecreëerd en er dus slechts dan diverse vrienden uit Herat op heeft toegevoegd. “Los van het netwerk in en de affiliatie en aanknopingspunten in Herat-stad in hoofde van verzoeker” sluit de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich ook aan bij de motieven uit de aanvankelijk bestreden beslissing dat verzoeker een gezonde, geletterde volwassene is die, evenals zijn echtgenote en kinderen, de lingua franca van de stad spreekt, die jarenlange werkervaring heeft, die ook als migrant zonder wettig verblijf in Iran werk heeft gevonden en er zijn gezin onderhield, die in België Nederlands leerde en werk vond en waarvan het daarom niet onredelijk is aan te nemen dat hij dezelfde zelfredzaamheid vertoont in het land waarvan hij de nationaliteit heeft en waar hij de nodige contacten heeft om werk te vinden. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt vast dat verzoeker deze motieven onverlet laat, evenals het motief dat verzoeker, na zijn tweede deportatie naar Afghanistan, al de intentie had om zich daar te settelen. Met het geheel van die motieven geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk aan waarom hij het intern vestigingsalternatief in Herat als redelijk beschouwt. Het tweede middelonderdeel is kennelijk ongegrond.
  4. Verzoeker voert aan dat in het bestreden arrest het profiel van hem en zijn zoon niet in aanmerking zou zijn genomen, namelijk als lid van de Hazara-etnicitiet, sjiitische moslim, zoon van een voormalig commandant van de Hezb-i-Wahdat-partij, als iemand die een eigendomsconflict heeft met iemand van de Taliban, die het grootste deel van zijn leven in Iran heeft gewoond en die nu bijna drie jaar in België woont. In het bestreden arrest wordt niet enkel aangehaald dat een verwijzing naar risicoprofielen zonder een concreet verband met de individuele en persoonlijke situatie niet volstaat, doch er wordt ook verwezen naar de bij verzoekers aanvullende nota gevoegde stukken. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt XIV-37.834-4/5 dat de brieven waaruit zou blijken dat het voor Hazara’s niet veilig is in Afghanistan en dat verzoekers gronden in beslag zijn genomen door de Taliban, allesbehalve volstaan vermits ze enkel zijn gebaseerd op eigen verklaringen van verzoeker en een gesolliciteerd karakter hebben. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt op dat in de brief van het secretariaat van de Wahdat-partij geen gewag wordt gemaakt van concrete problemen van verzoeker doch enkel in het algemeen van een gebrek aan veiligheid voor Hazara’s. Verder gaat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen specifiek in op de situatie van sjiitische Hazara’s in Afghanistan zoals door verzoeker geschetst aan de hand van bepaalde stukken. Slechts daarna overweegt hij dat een verwijzing naar risicoprofielen zonder een concreet verband aan te tonen met iemands individuele en persoonlijke situatie niet volstaat. Verzoeker toont derhalve wat deze elementen betreft geen schending aan van de aangehaalde bepalingen. Het derde middelonderdeel is kennelijk ongegrond.
  5. Het enige middel is, in zijn geheel genomen, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  6. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  7. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op tweeëntwintig november tweeduizend achttien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.834-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.13.064 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.