← België

Cassatiebeschikking 13065 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 22/11/2018

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 22 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.13.065 Rolnummer: A. 226414/XIV-37839 Zaak: Cassatiebeschikking 13065 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 22/11/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-12-07 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-24 19:10 Fiche Beschikking nr 13.065 van 22 november 2018 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.065 van 22 november 2018 in de zaak A. 226.414/XIV-37.839 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alexander Loobuyck kantoor houdend te 8000 Brugge Langestraat 46/1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 12 oktober 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 208.945 van 6 september 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het administratief dossier is op 22 oktober 2018 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. In het bestreden arrest wordt aangehaald dat het beroep tot nietigverklaring is gericht tegen “de beslissing van de gemachtigde van de staatssecretaris voor Asiel en Migratie en Administratieve Vereenvoudiging van 25 oktober 2017 tot afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten”. Verder wordt verwezen naar “de beschikking van 30 mei 2018 met toepassing van artikel 39/73 van [de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van XIV-37.839-1/3 vreemdelingen’]” (hierna: de vreemdelingenwet), waarvan een afschrift aan het bestreden arrest in het rechtsplegingsdossier is gehecht en dat ook als stuk bij het verzoekschrift tot cassatie is gevoegd. Deze beschikking heeft wel degelijk betrekking op de aanvankelijk bestreden beslissing en op de door verzoeker tegen die beslissing opgeworpen schending van de formelemotiveringsplicht, de zorgvuldigheidsplicht, artikel 74/13 van de vreemdelingenwet, artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de hoorplicht. Verzoeker verwijst in zijn op 11 juni 2018 verstuurde vraag om te worden gehoord met toepassing van artikel 39/73 van de vreemdelingenwet eveneens naar de voornoemde beschikking. In het proces-verbaal van de terechtzitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 9 augustus 2018 wordt vermeld dat de kamervoorzitter de partijen heeft uitgenodigd “om te reageren op de beschikking, voorwerp van de vraag tot horen” en dat verzoeker “blijft bij [zijn] standpunt zoals uiteengezet in het verzoekschrift”. Dit wordt woordelijk overgenomen in het bestreden arrest. Uit het voorgaande blijkt dat met het bestreden arrest zonder twijfel verzoekers beroep tot nietigverklaring tegen het bevel om het grondgebied te verlaten van 25 oktober 2017 is verworpen en dat daarbij zijn enig middel is beantwoord, gesteund op de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, de zorgvuldigheidsplicht, artikel 74/13 van de vreemdelingenwet, artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de hoorplicht. De verwijzing in het bestreden arrest naar artikel 9bis van de vreemdelingenwet, het zorgvuldigheidsbeginsel, de materiëlemotiveringsplicht en het redelijkheidsbeginsel doet geen afbreuk aan het voorgaande en berust kennelijk op een materiële misslag. Verzoeker toont wat dat betreft geen schending aan van artikel 149 van de Grondwet of van artikel 39/65 van de vreemdelingenwet.
  2. Een vraag tot horen na een beschikking op grond van artikel 39/73 van de vreemdelingenwet heeft uitsluitend tot doel mee te delen dat men zijn standpunt alsnog op de terechtzitting wil uiteenzetten. Die vraag biedt de betrokkene echter geenszins de mogelijkheid nieuwe middelen of argumenten aan te voeren. Het gaat er enkel om dat de betrokkene die daarom verzoekt de mogelijkheid krijgt zijn standpunt op de terechtzitting uiteen te zetten indien hij het niet eens is met de in de beschikking opgenomen argumentatie. XIV-37.839-2/3 De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen was er dan ook niet toe gehouden in het bestreden arrest in te gaan op argumenten uit verzoekers vraag tot horen, a fortiori niet nu verzoeker zich ter terechtzitting heeft beperkt tot zijn “standpunt zoals uiteengezet in het verzoekschrift”. Verzoeker toont wat dat betreft geen schending aan van artikel 149 van de Grondwet of artikel 39/65 van de vreemdelingenwet.
  3. Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  4. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  5. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op tweeëntwintig november tweeduizend achttien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.839-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.13.065 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.