id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 22 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.13.066 Rolnummer: A. 226394/XIV-37835 Zaak: Cassatiebeschikking 13066 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 22/11/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-12-10 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-24 19:11 Fiche Beschikking nr 13.066 van 22 november 2018 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.066 van 22 november 2018 in de zaak A. 226.394/XIV-37.835 In zake :
- XXXXX
- XXXXX
- XXXXX
- XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sylvie Sarolea kantoor houdend te 1400 Nijvel rue des Brasseurs 30 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 8 oktober 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 208.522 van 31 augustus 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 22 oktober 2018 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- In het zesde onderdeel van het enige middel voeren de verzoekers aan dat zij “ter terechtzitting namelijk de originele versie van een document [hebben] neergelegd (betreffende een onderzoek), waarvan een kopie en vertaling op voorhand werden gestuurd naar de RvV” doch dat de Raad voor Vreemdelingen “door de originele XIV-37.835-1/3 versie van het onderzoek niet in acht te nemen en zelfs geen melding ervan te maken in het bestreden arrest […] zijn motiveringsplicht, zorgvuldigheidsplicht en de bewijskracht en draagwijdte van akten en van artikelen 1319, 1320 en 1322 BW [heeft] geschonden”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest inderdaad dat “de documenten aangaande het onderzoek […] slechts kopieën [zijn] en geen originele stukken, waardoor de authenticiteit en herkomst niet kan worden nagegaan”. Hij vervolgt echter dat “bovendien blijkt dat er in Irak op grote schaal gefraudeerd wordt met documenten en nagenoeg alle documenten vervalst worden of via corruptie, zowel in Irak als daarbuiten, aangekocht kunnen worden (zie Landeninformatie CGVS ‘COI Focus Irak: corruptie en dokumentenfraude’)” en dat “de bewijswaarde hiervan […] dus gering [is]”. Hiermee wordt in het bestreden arrest dus ook de bewijswaarde van een origineel stuk betreffende het door de verzoekers voorgehouden onderzoek beoordeeld en gering bevonden. Dit behoort tot de soevereine beoordelingsbevoedheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als rechter met hervormingsbevoegdheid zodat de Raad van State niet vermag er zich als administratieve cassatierechter over uit te spreken. Overigens wordt in de door de verzoekers ter terechtzitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overgelegde “aanvullende nota” van 20 juni 2018 niet eens verwezen naar een origineel stuk betreffende een onderzoek. Het zesde onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond.
- In het eerste tot en met het vijfde middelonderdeel beperken de verzoekers zich tot kritiek op de algemene vaststelling in het bestreden arrest dat de met een aanvullende nota en de ter terechtzitting overgelegde stukken slechts “summier” zullen worden beoordeeld. De verzoekers betrekken deze kritiek echter niet op een concreet motief in het bestreden arrest. Zij geven in deze middelonderdelen niet aan welke stukken te summier of helemaal niet in ogenschouw zouden zijn genomen. De enige concrete kritiek wordt in het zesde middelonderdeel aangevoerd doch dit is kennelijk ongegrond bevonden. Bijgevolg blijkt niet dat de voorgehouden onwettigheid de strekking van het bestreden arrest kan hebben beïnvloed. Het eerste tot en met het vijfde middelonderdeel zijn kennelijk niet- ontvankelijk. XIV-37.835-2/3 BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 800 euro, elk voor een vierde. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op tweeëntwintig november tweeduizend achttien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.835-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.13.066 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.