← België

Cassatiebeschikking 13076 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 28/11/2018

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 28 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.13.076 Rolnummer: A. 226415/XIV-37840 Zaak: Cassatiebeschikking 13076 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 28/11/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-12-07 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-24 20:02 Fiche Beschikking nr 13.076 van 28 november 2018 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.076 van 28 november 2018 in de zaak A. 226.415/XIV-37.840 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart De Decker kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Prinses Josephine-Charlottelaan 71 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 8 oktober 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 209.473 van 18 september 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 22 oktober 2018 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. De Raad van State heeft reeds herhaaldelijk geoordeeld dat uit de ontstaansgeschiedenis van artikel 39/81 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) en de sedert de wijziging van die bepaling met artikel 2 van de wet van 31 december 2012 ‘houdende diverse bepalingen, inzonderheid betreffende justitie’ uitdrukkelijk gestelde vereiste van een samenvatting van de middelen, XIV-37.840-1/4 blijkt dat een loutere herhaling van of een verwijzing naar de oorspronkelijke middelen niet volstaat in de synthesememorie. Indien een verzoeker immers niet wenst te repliceren op het verweer dat in de nota met opmerkingen tegen zijn middelen wordt gevoerd en evenmin voornemens is bepaalde middelen of onderdelen uit het verzoekschrift te laten vallen, kan hij volstaan met de mededeling binnen de acht dagen na de kennisgeving door de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van de neerlegging van het administratief dossier dat hij geen synthesememorie wenst in te dienen. Indien een verzoeker in die omstandigheden toch vraagt om een synthesememorie in te dienen en hij zich vervolgens in die synthesememorie beperkt tot het loutere herhalen van de middelen uit het verzoekschrift, handelt hij dilatoir. Op die wijze verlengt hij immers nodeloos de behandelingsduur van zijn zaak en vergroot hij de administratieve last voor de partijen en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Indien een verzoeker daarentegen zijn middel of middelen wenst aan te houden en hij wel degelijk wenst te repliceren op het verweer dat in de nota met opmerkingen tegen dat middel of die middelen wordt gevoerd, kan hij binnen de in de wet gestelde termijnen vragen om een synthesememorie in te dienen en daarin zijn middel of middelen te hernemen, al dan niet in verkorte vorm, en aangevuld met de gewenste repliek. Ook indien hij zijn middel of middelen letterlijk herhaalt en ze met een werkelijke repliek aanvult, komt hij immers tegemoet aan de hierboven aangehaalde bekommernis in de verantwoording bij het amendement dat tot de voornoemde wijzing van artikel 39/81 van de vreemdelingenwet heeft geleid om hem toe te laten “te repliceren op het verweer tegen de middelen die [hij] wel wenst aan te houden zodat [hij] de middelen samenvat”.
  2. In het bestreden arrest wordt gesteld dat te dezen de synthesememorie “enkel een letterlijke weergave van de middelen [bevat] zoals opgenomen in het verzoekschrift, waardoor het beroep dient te worden verworpen” en wordt “volledigheidshalve […] nog opgemerkt dat de omstandigheid dat bij de synthesememorie bijkomende stukken worden gevoegd, hieraan geen afbreuk doet, gezien de stukken dateren van na de bestreden beslissing”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen licht dit toe voor de twee kwestieuze stukken en besluit dienaangaande dat de wettigheid van een administratieve beslissing moet worden beoordeeld in functie van de gegevens waarover het bestuur kon beschikken op het ogenblik van het nemen van die beslissing. XIV-37.840-2/4 Verzoeker betwist niet dat hij in de synthesememorie de middelen letterlijk heeft herhaald doch stelt dat hij “tevens antwoordde op de aanvullende nota teneinde [zijn] standpunt duidelijker uiteen te zetten”. Volgens hem werd echter “een beperkte aanvulling” gedaan en werden de middelen “bijkomend gestaafd door nieuwe stukken”. Het komt de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toe in de plaats van de feitenrechter te oordelen of een bepaalde memorie een samenvatting, laat staan een voldoende samenvatting, vormt, doch hij kan desgevraagd wel vaststellen dat die memorie, waarvan de eerste rechter stelt dat het om een integrale herhaling van het middel uit het inleidend verzoekschrift gaat, niet aan artikel 39/81, vijfde lid van de vreemdelingenwet beantwoordt vermits ze geen samenvatting van het middel of een repliek op de nota van de verwerende partij bevat. Het enige verschil tussen verzoekers inleidend verzoekschrift en haar “synthesememorie” bestaat in de verwijzing naar twee bijkomende medische stukken. De verwijzing naar twee nieuwe stukken hoeft niet als een werkelijke repliek te worden beschouwd doch vormt slechts de mededeling van die stukken. In het bestreden arrest is dan ook niet op onwettige wijze besloten dat het als synthesememorie ingediend stuk een integrale herhaling van het middel uit het verzoekschrift vormt. De vergelijking met ’s Raads arrest nr. 229.004 van 3 november 2014, waarin het een synthesememorie betrof met een letterlijke herhaling van de middelen “gevolgd door een antwoord op het verweer in de nota met opmerkingen”, gaat daarom niet op. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft derhalve op wettige wijze besloten dat de door verzoeker neergelegde akte niet voldeed aan de definitie van artikel 39/81, vijfde lid, van de vreemdelingenwet.
  3. Verder geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest nog duidelijk aan waarom hij de twee bijkomende stukken van verzoeker buiten beschouwing laat.
  4. Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  5. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar. XIV-37.840-3/4
  6. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op achtentwintig november tweeduizend achttien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.840-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.13.076 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.