← België

Cassatiebeschikking 13077 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 28/11/2018

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 28 november 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.13.077 Rolnummer: A. 226249/XIV-37819 Zaak: Cassatiebeschikking 13077 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 28/11/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-10 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-24 20:02 Fiche Beschikking nr 13.077 van 28 november 2018 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.077 van 28 november 2018 in de zaak A. 226.249/XIV-37.819 In zake :

  1. XXXXX
  2. XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ahmed Sakhi Mir-Baz kantoor houdend te 1083 Brussel Broustinlaan 88/1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 24 september 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 208.186 van 23 augustus 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 29 oktober 2018 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de vreemdelingenwet specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen XIV-37.819-1/3 die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest onder meer dat “het initiatief om een DNA-procedure op te starten diende uit te gaan van de verzoekende partij” en “niet bij de verwerende partij [berustte]”. Hij stelt vast dat “[n]ergens blijkt uit de stukken van het dossier dat de verzoekende partij na de eerste weigeringsbeslissing ten aanzien van haar minderjarige kinderen stappen heeft ondernomen om een DNA-procedure op te starten” en dat “[d]e mails van de raadsman waarnaar de verzoekende partij verwijst om aan te tonen dat zij wel een DNA-procedure heeft voorgesteld [...] niet terug te vinden [zijn] in het administratief dossier”. “Los daarvan volstaat het niet om een DNA-test voor te stellen maar diende de verzoekende partij eerst een toelating over te maken aan de verwerende partij waarin ze uitdrukkelijk de toestemming geeft om haar kinderen definitief uit het land te laten vertrekken”, zo overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voorts. Hij stelt daaromtrent vast dat “[n]ergens [...] een toelating van de moeder met het oog op een definitief vertrek ten aanzien van haar kinderen terug te vinden [is]” terwijl “[d]it [...] echter de voorwaarde [was] om een DNA-procedure op te starten” en merkt nog op dat het “niet [is] omdat de verzoekende partij de visumaanvraag nu ook in eigen naam heeft ingediend, dat er kan aangenomen worden dat ze haar kinderen definitief naar België wil laten vertrekken”. Anders dan de verzoekers in het enige middel aanvoeren heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aldus wel degelijk geantwoord op de kritiek dat verzoekers bij de huidige visumaanvraag uitdrukkelijk hebben verzocht om een DNA- procedure te starten. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft ook het gegeven dat verzoekster zelf een visumaanvraag heeft ingediend uitdrukkelijk in zijn beoordeling betrokken. Daarmee is voldaan aan de vereisten van de jurisdictionele motiveringsplicht. In de mate dat de verzoekers in het middel verwijzen naar stukken waaruit moet blijken dat zij via hun raadsman hebben gevraagd om bij twijfel een DNA- procedure te starten en dat zij aanvoeren dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het arrest niet op correcte wijze heeft gemotiveerd, dat hij heeft nagelaten om tijdens de zitting om toelichting te vragen omtrent het verzoek om een DNA-test uit te voeren of achteraf daartoe de debatten te heropenen, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen eraan XIV-37.819-2/3 voorbijgaat hoe in de praktijk een DNA-procedure wordt gestart en dat hij heeft nagelaten om de zaak op een zorgvuldige wijze te onderzoeken, trachten zij de juistheid van de hiervoor aangehaalde motieven te betwisten. De vraag of de motivering juist is of niet, houdt echter geen verband met de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste, maar strekt ertoe de appreciatie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over te doen, terwijl de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de feiten te treden. De verzoekers tonen geen schending aan van artikel 149 van de Grondwet of artikel 39/65 van de vreemdelingenwet. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  4. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  5. De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro en een bijdrage van 40 euro, elk voor de helft. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op achtentwintig november tweeduizend achttien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.819-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.13.077 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.