id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 12 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.13.089 Rolnummer: A. 226467/XIV-37852 Zaak: Cassatiebeschikking 13089 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/12/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-12-24 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-25 01:10 Fiche Beschikking nr 13.089 van 12 december 2018 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.089 van 12 december 2018 in de zaak A. 226.467/XIV-37.852 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pierre Robert kantoor houdend te 1030 Brussel Eugène Smitsstraat 28-30 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 19 oktober 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 209.591 van 19 september 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 31 oktober 2018 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. 1. Verzoekers kritiek dat in het bestreden arrest niet, zelfs niet impliciet, wordt gesteld dat er in het district Surkhrod geen sprake is van willekeurig geweld dat als gevolg heeft dat het leven of de persoon van burgers er ernstig is bedreigd en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, door het vervangen van het criterium van de ‘ernstige bedreiging voor het leven of de persoon van de burger’ door het criterium van het XIV-37.852-1/5 ‘verplicht zijn woonplaats te moeten verlaten’, artikel 48/4, § 2,
- c)van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) heeft miskend, steunt op één overweging van het bestreden arrest. Daarmee geeft verzoeker blijk van een onvolledige lezing van dat arrest. Er kan immers worden vastgesteld dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk heeft onderzocht of er in het district Surkhrod sprake is van een “ernstige bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het geval van een internationaal of binnenlands gewapend conflict” in de zin van artikel 48/4, § 2,
- c)van de wet van 15 december 1980 van de vreemdelingenwet. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen steunt zich daarbij uitgebreid op de informatie vervat in het rechtsplegingsdossier en de door de verwerende partij bijgebrachte EASO-rapporten ‘Afghanistan Security Situation – Update’ van mei 2018 en ‘Country Guidance: Afghanistan. Guidance note and common analysis’ van juni 2018. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen komt voor wat betreft het district Surkhrod tot het besluit dat er “ook hier geen gewag gemaakt [kan] worden van een situatie van ‘open combat’ of van hevige en voortdurende of ononderbroken gevechten” en dat “er actueel voor burgers in het district Surkhrod aldus geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2,
- c)van de Vreemdelingenwet is”. Verzoekers argumentatie, de door hem in zijn aanvullende nota aangehaalde rapporten en persartikels en het veiligheidsincident van 22 juli 2018 waarnaar hij verwijst, doen volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen daaraan geen afbreuk. Hij overweegt daaromtrent dat “[i]n zoverre uit de informatie vervat in het administratief dossier en uit de door verzoekende partij bijgebrachte informatie blijkt dat er zich in het district Surkhrod met enige regelmaat terreuraanslagen voordoen, toch […] duidelijk [blijkt] dat er geen ‘open combat’ gevoerd wordt en dat er geen sprake is van een internationaal of binnenlands gewapend conflict in de zin van artikel 48/4, § 2,
- c)van de Vreemdelingenwet”. Vervolgens overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ook dat “de analyse van de veiligheidssituatie in de districten Jalalabad, Behsud en Surkhrod als een geheel moet worden gelezen op basis waarvan geoordeeld wordt dat er actueel geen sprake is van een uitzonderlijke situatie waarbij de mate van willekeurig geweld dermate hoog is dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat verzoekende partij louter door haar aanwezigheid aldaar een reëel risico lopen blootgesteld te worden aan een ernstige bedreiging van het leven of de persoon zoals bedoeld door artikel 48/4, § 2,
- c)van de Vreemdelingenwet”. Het eerste middel is bijgevolg kennelijk ongegrond. XIV-37.852-2/5 2.1. De artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek houden in dat de rechter aan een akte geen uitlegging mag geven die niet verenigbaar is met de bewoordingen of de inhoud ervan. Uit het EASO-rapport ‘Afghanistan Security Situation’ van december 2017 en de door de verwerende partij bijgebrachte EASO-rapporten ‘Afghanistan Security Situation – Update’ van mei 2018 en ‘Country Guidance: Afghanistan. Guidance note and common analysis’ van juni 2018 blijkt dat het district Surkhrod niet wordt vermeld als een van de door de taliban gecontroleerde gebieden (“Taliban control zones”) of gecontesteerde (“contested”) districten van de provincie Nangarhar. De overweging van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “[u]it de voormelde recente EASO rapporten blijkt tevens dat het district Surkhrod volgens de laatste berichtgeving niet onder de controle van de taliban staat noch dat het gecontesteerd gebied zou zijn” is dan ook niet onverenigbaar met de bewoordingen of de inhoud van die rapporten. Dat volgens een in het EASO-rapport ‘Afghanistan Security Situation’ van december 2017 aangehaalde bron Surkhrod beschouwd wordt als “high confidence Taliban support zone” en “half under Taliban control and half under government control” zou staan, doet aan die conclusie geen afbreuk. Verzoeker toont niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de bewijskracht van de vernoemde rapporten en de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek heeft geschonden. Het eerste onderdeel van het tweede middel is kennelijk ongegrond. 2.2. De vaststelling dat de voormelde conclusie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet in tegenstelling is met de inhoud of de bewoordingen van de rapporten waarnaar hij verwijst, noopt meteen tot het besluit dat verzoekers argumentatie in het tweede middelonderdeel - dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen door het formuleren van een conclusie die in strijd is met de rapporten waarnaar hij verwijst, ervan blijk geeft geen ernstig en zorgvuldig onderzoek te hebben gedaan van een verdedigbare grief van verzoeker en aldus de artikelen 3 en 13 van het Europees Verdrag over de Rechten van de Mens (hierna: het EVRM) heeft miskend - eveneens faalt. Het tweede onderdeel van het tweede middel is kennelijk ongegrond. XIV-37.852-3/5 3.1. In tegenstelling tot wat verzoeker beweert wordt in het bestreden arrest wel degelijk geantwoord op zijn kritiek in verband met de willekeur van de toepassing van de subsidiaire bescherming aan burgers afkomstig uit het district Surkhrod. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt immers dat “[h]et gegeven dat een verzoeker in begin 2017 de subsidiaire beschermingsstatus werd toegekend omwille van het veiligheidssituatie in zijn regio van herkomst, zijnde het district Surkhrod, […] geen afbreuk [doet] aan de recente landeninformatie die heden voorligt en waaruit blijkt dat er voor burgers in Surkhrod actueel geen reëel risico op ernstige schade bestaat in de zin van artikel 48/4, §2,
- c)van de Vreemdelingenwet”. In de mate verzoeker aanvoert dat hij gediscrimineerd wordt doordat in 2017 aan een verzoeker uit Surkhrod de subsidiaire beschermingsstatus werd toegekend terwijl aan hem die status wordt ontzegd, gaat hij eraan voorbij dat precedentenwerking niet wordt aanvaard in het Belgisch recht en dat elk verzoek tot internationale bescherming op individuele wijze dient te worden beoordeeld. Anders dan verzoeker argumenteert, dient in het arrest niet te worden gemotiveerd dat de situatie voor burgers in het district Surkhrod verbeterd zou zijn. Het volstaat dat de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling van het eerste middel is reeds gebleken dat in het bestreden arrest op omstandige wijze wordt gemotiveerd waarom in het geval van verzoeker geen nood aan subsidiaire bescherming kan worden aanvaard, met name omdat uit de recente landeninformatie blijkt dat er voor burgers in Surkhrod actueel geen reëel risico bestaat op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2,
- c)van de vreemdelingenwet. Verzoeker toont geen schending aan van de artikelen 3 en 14 van het EVRM. Het eerste onderdeel van het derde middel is kennelijk ongegrond. 3.2. In de mate dat verzoeker in het tweede onderdeel van het derde middel aanvoert dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn grief in verband met de willekeur van behandeling van zijn nood aan subsidiaire bescherming niet grondig en zorgvuldig heeft geanalyseerd en hem niet tegen de willekeur van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft beschermd, tracht hij de juistheid van de motieven van het bestreden arrest te betwisten en nodigt hij de Raad van State uit de beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over te doen. De Raad van State XIV-37.852-4/5 is als administratieve cassatierechter evenwel niet bevoegd om in de beoordeling van de feiten te treden. In zoverre verzoeker aanvoert dat het bestreden arrest hem niet in staat stelt te begrijpen waarom de behandeling van zijn nood aan bescherming niet willekeurig was, kan worden verwezen naar de beoordeling van het eerste onderdeel van het derde middel waaruit blijkt dat deze kritiek ongegrond is. Het tweede onderdeel van het derde middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT: 1. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twaalf december tweeduizend achttien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.852-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.13.089 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div