← België

Cassatiebeschikking 13095 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 13/12/2018

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 13 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.13.095 Rolnummer: A. 226523/XIV-37860 Zaak: Cassatiebeschikking 13095 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 13/12/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-12-24 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-25 01:10 Fiche Beschikking nr 13.095 van 13 december 2018 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.095 van 13 december 2018 in de zaak A. 226.523/XIV-37.860 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Najat Joundi kantoor houdend te 2140 Antwerpen Turnhoutsebaan 158 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, thans de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 25 oktober 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 209.724 van 20 september 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 14 november 2018 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Het zorgvuldigheidsbeginsel is als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. XIV-37.860-1/3
  2. Het recht van verdediging, waarvan het recht op tegenspraak deel uitmaakt, houdt onder meer in dat elke partij op nuttige wijze haar standpunt moet kunnen laten gelden voor de rechter. Met het bestreden arrest wordt vastgesteld dat verzoeker “hoewel rechtsgeldig opgeroepen” niet op de terechtzitting van 14 september 2018 is verschenen en er evenmin vertegenwoordigd is, waarna het beroep met toepassing van artikel 39/59, § 2, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) wordt verworpen. Uit het rechtsplegingsdossier van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en de stukken van verzoeker blijkt dat de beschikking van 9 juli 2018, waarmee de terechtzitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen werd bepaald op 14 september 2018, met een ter post aangetekende brief van 10 juli 2018 naar verzoekers gekozen woonplaats werd gestuurd, dat die brief er op 11 juli 2018 zonder succes werd aangeboden en dat een bericht werd achtergelaten in de brievenbus, dat de brief op 12 juli 2018 beschikbaar werd gesteld in het afhaalpunt doch er niet werd afgehaald en dat de brief vervolgens werd teruggestuurd naar de afzender waar hij op 31 juli 2018 werd afgegeven. Verzoeker beroept zich op overmacht doch houdt in essentie slechts voor dat zijn raadsman “totaal onwetend is of er al dan niet een aangetekend schrijven werd aangeboden”, dat zijn raadsman “er geen enkel belang bij [heeft] om aangetekende zendingen niet te gaan afhalen” en dat hij “overweegt klacht in te dienen bij de post”. Met de verwijzing naar deze of gene mogelijkheid toont verzoeker echter geen onwettigheid aan van de met het bestreden arrest gemaakte toepassing van artikel 39/59, § 2, van de vreemdelingenwet. Verzoeker maakt dan ook geen schending van het recht op tegenspraak aannemelijk.
  3. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. XIV-37.860-2/3 BESLUIT:
  4. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  5. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op dertien december tweeduizend achttien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.860-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.13.095 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.