← België

Cassatiebeschikking 13105 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 20/12/2018

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 20 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.13.105 Rolnummer: A. 226702/XIV-37872 Zaak: Cassatiebeschikking 13105 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 20/12/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-01-18 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-25 01:13 Fiche Beschikking nr 13.105 van 20 december 2018 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.105 van 20 december 2018 in de zaak A. 226.702/XIV-37.872 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Davy Van Der Beken kantoor houdend te 1701 Dilbeek Snikbergstraat 140A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 16 november 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 211.079 van 17 oktober 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 23 november 2018 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Eerste middel
  2. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde XIV-37.872-1/5 verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen.
  3. Wat de situatie van de Hazari in Afghanistan betreft, heeft verzoeker voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geciteerd uit de UNHCR Eligibility Guidelines for Assesing the international protection needs of asylum-seekers from Afghanistan (hierna: de Guidelines) van 30 augustus
  4. Verzoeker leidde daaruit af als Hazara een risicoprofiel in Afghanistan te hebben. In antwoord hierop wordt in het bestreden arrest overwogen dat, om tot de erkenning als vluchteling te leiden, “het ontzeggen van rechten en de discriminatie van die aard [moeten] zijn dat zij aanleiding geven tot een toestand die gelijkgeschakeld kan worden met een vrees in vluchtelingenrechtelijke zin” en dat zulks inhoudt “dat de gevreesde problemen dermate systematisch en ingrijpend zijn dat fundamentele mensenrechten worden aangetast waardoor het leven in het land van herkomst ondraaglijk wordt”. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “blijkt [dit] evenwel niet uit de informatie beschikbaar in het administratief dossier, noch uit het verzoekschrift” en hij benadrukt “te dezen dat verzoeker noch tijdens zijn persoonlijk onderhoud, noch in onderhavig verzoekschrift afdoende concrete aanwijzingen naar voor bracht waaruit kan blijken dat hij als Hazara een bijzonder risico zou lopen in geval van terugkeer naar Afghanistan”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vervolgt dat “de loutere verwijzing naar een algemeen rapport en het poneren van een vrees voor vervolging, dan wel een onmenselijke of vernederende behandeling […] immers geenszins [kunnen] volstaan om aan te tonen dat ook verzoeker bij terugkeer naar Afghanistan aan een dergelijke behandeling zal worden onderworpen” en hij besluit dat “verzoeker niet aan[toont] dat hij persoonlijke problemen kent omwille van zijn Hazara geloofsovertuiging”. Uit deze motivering blijkt duidelijk dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kennis heeft genomen van het algemene rapport waarop verzoeker zich steunt, doch dit niet voldoende acht vermits verzoeker op geen enkel ogenblik concrete aanwijzingen heeft gegeven waaruit kan blijken dat hij persoonlijke problemen XIV-37.872-2/5 heeft gekend omwille van zijn Hazara-geloofsovertuiging of dat hijzelf als Hazara een bijzonder risico zou lopen bij een terugkeer naar Afghanistan. Daarmee is, wat verzoekers verwijzing naar de situatie voor Hazari in Afghanistan en in het bijzonder naar een citaat dienaangaande uit de Guidelines betreft, voldaan aan de vereisten van de jurisdictionele motiveringsplicht.
  5. Volgens verzoeker is de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest niet ingegaan op de door hem aangebrachte elementen “waarom hij niet kan terugkeren naar Kabul en waarom zijn leven daar in gevaar is”. Verzoeker heeft voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met verwijzing naar de hoger genoemde Guidelines laten gelden dat Kabul geen pertinent en redelijk vestigingsalternatief kan vormen. In het bestreden arrest wordt eerst “vastgesteld dat de [aanvankelijk] bestreden beslissing op geen enkel ogenblik gerefereerd heeft aan een intern vestigingsalternatief in Kabul” en vervolgens dat, “zo de bewijslast bij een intern vestigingsalternatief inderdaad bij de beslissende overheid berust dit in de eerste plaats veronderstelt dat de verzoekende partij aan haar plicht tot medewerking overeenkomstig het bepaalde in artikel 48/6, § 1, van de vreemdelingenwet heeft voldaan”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt dat “zoals hoger reeds uitvoerig werd vastgesteld […] verzoeker zijn herkomst uit het dorp Gharo Shakh, in het Pul-e-Khumi-district, in de provincie Baghlan in Afghanistan niet aannemelijk [heeft] gemaakt waardoor hij zelf een onderzoek naar een intern vestigingsalternatief onmogelijk heeft gemaakt”, op grond waarvan wordt besloten dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat hij bij een terugkeer naar het land van herkomst een reëel risico op ernstige schade zou lopen. Met die overwegingen antwoordt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk op verzoekers argumentatie dat Kabul geen pertinent en redelijk vestigingsalternatief kan vormen. Nu er geen sprake is van Kabul als intern vestigingsalternatief, kan verzoeker zich niet dienstig beroepen op stukken betreffende de toestand in Kabul zoals internetartikelen van Radio Free Europe/Radio Liberty van 20 september 2018, van de Washington Post van 12 november 2018, van NBC-news en van de Frase website CNDA, temeer daar deze artikelen niet aan de Raad voor XIV-37.872-3/5 Vreemdelingenbetwistingen werden voorgelegd. Hoe dan ook gaat verzoeker voorbij aan de vaststelling dat hij door zijn ongeloofwaardig bevonden verklaringen betreffende de plaats waarvan hij afkomstig zou zijn, zelf een verder onderzoek naar een intern vestigingsalternatief onmogelijk heeft gemaakt en geen reëel risico op ernstige schade aannemelijk maakt.
  6. In de mate dat verzoeker een eigen beoordeling van de toestand in Aghanistan voorstelt, ook wat de Hazari betreft, dient te worden opgemerkt dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de zaak zelf te treden.
  7. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Wat het tweede middel betreft
  8. De aanvrager van de subsidiaire beschermingsstatus kan, met name wat betreft de vraag of hij bij een terugkeer naar het land van herkomst een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4 van de vreemdelingenwet zou lopen, niet volstaan met een verwijzing naar de algemene toestand in het land van herkomst. Hij moet enig verband met zijn persoon aannemelijk maken, ook al is daartoe geen bewijs van een individuele bedreiging vereist. Verzoeker heeft door het afleggen van ongeloofwaardige verklaringen, in het bijzonder betreffende de plaats in Afghanistan vanwaar hij afkomstig zou zijn, zelf het bewijs van dergelijk verband met zijn persoon onmogelijk gemaakt. In het bestreden arrest kon aldus op wettige wijze op grond van de ongeloofwaardigheid van de verklaringen van verzoeker tot het niet-toekennen van de subsidiaire beschermingsstatus worden besloten. In de mate dat verzoeker in de uiteenzetting van het middel ook artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950, aanhaalt, dient te worden opgemerkt dat het bestreden arrest geen verwijderingsmaatregel inhoudt.
  9. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. XIV-37.872-4/5 BESLUIT:
  10. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  11. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twintig december tweeduizend achttien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.872-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.13.105 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.