← België

Cassatiebeschikking 13106 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 20/12/2018

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 20 december 2018 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.13.106 Rolnummer: A. 226709/XIV-37875 Zaak: Cassatiebeschikking 13106 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 20/12/2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-01-16 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-25 01:14 Fiche Beschikking nr 13.106 van 20 december 2018 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.106 van 20 december 2018 in de zaak A. 226.709/XIV-37.875 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bertrand Vrijens kantoor houdend 9000 Gent Kortrijksesteenweg 641 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, thans de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 16 november 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 210.988 van 16 oktober 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 23 november 2018 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Uit de gegevens van het rechtsplegingsdossier blijkt dat verzoeker in zijn verzoekschrift tot nietigverklaring voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet heeft aangevoerd dat zijn verhoor door de verwerende partij reeds dateert van 23 augustus 2017, noch dat hij van zijn vrijheid werd beroofd op 20 juni 2013 en zich nooit heeft onttrokken aan zijn straf, noch dat hem tijdens zijn verblijf in de gevangenis geen enkele XIV-37.875-1/4 tuchtmaatregel werd opgelegd. Hij vermag zich derhalve niet voor het eerst hierop te beroepen voor de Raad van State als administratieve cassatierechter. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen diende in het licht van de jurisdictionele motiveringsplicht niet in te gaan op deze voor hem niet opgeworpen argumentatie. De wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Alleszins voert verzoeker geen schending aan van de inhoud van die wet of beginselen. Verzoeker voert niet aan dat de artikelen 27 en 28 van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (hierna: richtlijn 2004/38) niet of niet correct zijn omgezet in het Belgische recht. Hij vermag dan ook niet rechtstreeks de schending van deze richtlijnbepalingen in te roepen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt in het bestreden arrest vast dat de aanvankelijk bestreden beslissing niet is beperkt tot de loutere verwijzing naar verzoekers veroordelingen. Daartoe verwijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen naar de duiding in die beslissing van verzoekers drie veroordelingen wegens inbreuken op de drugwetgeving en haalt hij aan dat in die beslissing wordt verwezen naar “de maatschappelijke impact van druggerelateerde feiten, naar “de verwoestende effecten van de met deze handel verbonden criminaliteit”, naar de bedreiging die wordt gevormd door de illegale en georganiseerde drughandel “voor de gezondheid, veiligheid en de levenskwaliteit voor de burgers van de Unie” en “voor de gemoedsrust en de fysieke veiligheid van de bevolking als geheel of een groot deel daarvan” en naar het feit dat verzoeker een belangrijke rol had in een criminele organisatie die zich bezighield met internationale drugstrafiek “waarbij de haven van Antwerpen wordt misbruikt om gigantische hoeveelheden verdovende middelen Europa binnen te smokkelen”. Daarom volgt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoeker niet “in zijn bewering dat verweerder niet naging of zijn gedragingen wel een fundamenteel belang voor de samenleving aantasten”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vervolgt dat de verwerende partij “verder het totale gebrek XIV-37.875-2/4 aan normbesef bij verzoeker en het feit dat verzoeker geen lering trekt uit eerdere veroordelingen en blijft recidiveren [heeft] benadrukt en hieruit [heeft] gededuceerd dat hij heden nog steeds een ernstig en werkelijk gevaar vormt voor de openbare orde”. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen blijkt “uit de [aanvankelijk] bestreden beslissing […] dat verweerder zich niet heeft beperkt tot het citeren van of verwijzen naar de door verzoeker opgelopen veroordelingen, doch dat hij het gedrag, het gebrek aan respect voor normen en waarden en de hardleersheid van verzoeker in rekening bracht”. Hij voegt daaraan toe dat “het gegeven dat de feiten waarvoor verzoeker op 27 maart 2015 werd veroordeeld plaatsvonden tussen 30 april 2012 en 2013 […] evenmin afbreuk [doen] aan de door verweerder gedane vaststellingen omtrent verzoekers gebrek aan normbesef en de weigering om te leren uit vroegere veroordelingen”. De Raad voor Vreemdelingenbetwisting heeft aldus wel degelijk onderzocht of de verwerende partij in de aanvankelijk bestreden beslissing rekening heeft gehouden met het actuele karakter van de bedreiging die verzoeker zou vormen voor de openbare orde. In de mate dat verzoeker wat het actuele karakter van de bedreiging voor de openbare orde een andere beoordeling van de motivering van de aanvankelijk bestreden beslissing voorstelt, dient te worden opgemerkt dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de zaak zelf te treden. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
  2. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat in punt 3.2.2.4 van het bestreden arrest uitgebreid in op verzoekers argumentatie betreffende zijn integratie in België, zijn leeftijd, zijn gezondheidssituatie, zijn gezinssituatie en zijn mogelijkheden bij een eventuele terugkeer naar Turkije. Ook de gezondheidstoestand van verzoekers echtgenote is in die toetsing betrokken. Waar verzoeker voorhoudt dat geenszins blijkt of de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voldoende rekening heeft gehouden met de voormelde elementen, mist zijn betoog kennelijk feitelijke grondslag. Zoals bij de behandeling van het eerste middel reeds is aangegeven, is de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd om dergelijke elementen zelf te beoordelen. Alvorens de aanvankelijk beslissing werd genomen, werd verzoeker gehoord door de verwerende partij. Verzoeker toont geen verplichting aan om ook zijn XIV-37.875-3/4 echtgenote en kinderen te horen alvorens een beslissing te nemen waarin de gezinssituatie van verzoeker aan bod komt. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
  3. Met de algemene stelling van het tegendeel toont verzoeker niet aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen artikel 8 van het EVRM heeft geschonden door te oordelen dat in de aanvankelijk bestreden beslissing voldoende rekening is gehouden met de vereisten van die verdragsbepaling wat zijn gezinsleven betreft. Het derde middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  4. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  5. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twintig december tweeduizend achttien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.875-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.13.106 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.