id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.328 Rolnummer: A. 227028/XIV-37906 Zaak: Arrest 243328 - Architecten - 03/01/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-01-04 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-25 00:29 Fiche Arrest nr 243.328 van 3 januari 2019 Beroepen - Architecten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 243.328 van 3 januari 2019 in de zaak A. 227.028/XIV-37.906 In zake:
- Jos LEYSSENS
- Philip ADAM woonplaats kiezend te 1750 Lennik Brusselsestraat 28 tegen: de NATIONALE RAAD VAN DE ORDE VAN ARCHITECTEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marc Schoofs kantoor houdend te 1800 Vilvoorde Stationlei 68 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De verzoekers dienen met een enig verzoekschrift op 21 december 2018 een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging in van “de beslissing genomen door de Provinciale Raad van de Orde van Architecten van de provincie Vlaams-Brabant en Brussel-Hoofdstad van 29 november 2018 waarbij een nieuwe installatievergadering wordt gehouden van de Raad, zonder dat voorafgaandelijk de Nationale Raad in kennis wordt gesteld van de inhoud van het Arrest van de Raad van State van 14 november 2018, zonder dat het Arrest wordt geagendeerd op de Provinciale Raad van Vlaams-Brabant en Brussel-Hoofdstad, en waarbij er geen redelijke termijn werd in acht genomen voor de samenroeping van de leden van de Provinciale Raad van VIaams-Brabant en Brussel-Hoofdstad, en waarbij de installatievergadering niet wordt samengeroepen door de uittredend voorzitter, en waarbij bovendien geen effectief lid maar een plaatsvervanger wordt XIV-37.906-1/7 gekozen tot plaatsvervangend Nationaal Afgevaardigde”. II. Verloop van de rechtspleging
- De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 januari 2019, om 11.30 uur. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. De verzoekers, die aanwezig zijn in persoon en advocaat Valerie De Schepper, die loco advocaat Marc Schoofs verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 26 oktober 2017 worden binnen de Orde van Architecten verkiezingen gehouden, onder meer om de samenstelling van de provinciale raad van de Orde van Architecten van de provincie Vlaams-Brabant en Brussel-Hoofdstad (hierna: de provinciale raad) gedeeltelijk te vernieuwen. Hierbij wordt onder meer eerste verzoeker verkozen als effectief lid van de provinciale raad. 3.
- Op 27 november 2017 vindt de installatievergadering plaats van de nieuw verkozen leden van de provinciale raad. XIV-37.906-2/7 Met ’s Raads arrest nr. 242.934 van 14 november 2018 wordt “de beslissing van de provinciale raad […] van 27 november 2017 waarbij wordt beslist dat de heer Marc Hendrickx zijn mandaat als effectief lid van de provinciale raad […], mandaat waarvoor de heer Marc Hendrickx verkozen is, niet kan uitoefenen”, vernietigd. 3.
- Op 29 november 2018 vindt een nieuwe installatievergadering van de provinciale raad plaats. Dit is de thans bestreden beslissing. IV. De schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
- De verzoekers beroepen zich op de spoedeisendheid omdat de bestreden beslissing volgens hen als gevolg heeft “dat de functies die bij de installatievergadering werden verkozen niet correct werden verkozen en er mits [een] correct georganiseerde installatievergadering mogelijk andere leden voor bepaalde functies zouden verkozen geweest zijn”, zeker voor de functie van plaatsvervangend nationaal afgevaardigde. De verzoekers wijzen op de verstrekkende gevolgen voor alle raadsbeslissingen, tuchtbeslissingen en zelfs beslissingen van de Nationale Raad (met een eventuele verkeerde samenstelling), die desgevallend achteraf kunnen worden beschouwd als ongeldig tot stand XIV-37.906-3/7 gekomen, waardoor de getroffenen belangrijke schadeclaims zouden kunnen stellen tegen de Orde van Architecten. Dit zou zeer nadelig zijn voor de reputatie van de zetelende mandatarissen van de Orde van Architecten, en aldus ook voor de persoonlijke carrière van de beide verzoekers. De hele werking en alle beslissingen van de provinciale raad en van de Nationale Raad van de Orde van Architecten worden mogelijkerwijze op de helling geplaatst. De verzoekers vervolgen dat er manifest een dringende noodzaak bestaat om deze incorrecte toestand ongedaan te maken, vermits het belang van de architecten (die voor hun beroepsuitoefening vallen onder de bevoegdheid van de Orde van Architecten) en bijgevolg ook het belang van de verzoekers zelf, evenals het openbaar belang (consumentenbelang dat te maken heeft met de uitoefening van het beroep door architecten) kunnen afhangen van de goede en correcte werking van de Orde van Architecten. De rechtszekerheid voor de architecten in het algemeen en dus zeker ook voor beide verzoekers en tevens voor de consumenten moet zo spoedig mogelijk worden hersteld. Beoordeling
- De toepassing van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid brengt een ernstige verstoring teweeg in het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en brengt de uitoefening van het recht van de verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang. Daarom moet de aanwending van die procedure zeer uitzonderlijk blijven. De toepassing ervan kan alleen worden aanvaard indien de schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone schorsingsprocedure te laat zal komen. Dit impliceert dat de verzoekende partij met de vereiste spoed en diligentie moet optreden. Diligent optreden is vervat in de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid. XIV-37.906-4/7
- Een verzoekende partij - die haar belangen door de tenuitvoer- legging van de bestreden beslissing immers dermate nadelig aangetast weet dat zij de afwikkeling van de procedure ten gronde en zelfs de gewone schorsing niet kan afwachten - dient al het nodige te doen om de schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State. Weliswaar is de diligentie waarmee een verzoekende partij tegen een haar grievende rechtshandeling opkomt met een vordering tot schorsing of een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, niet noodzakelijk af te lezen uit het tijdsverloop tussen de kennisname van de bestreden handeling en het instellen van die vordering. De regelgeving laat immers toe dat de schorsing “op elk moment” wordt gevorderd (artikel 17, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State) en de situatie is denkbaar dat een zaak door gewijzigde omstandigheden pas dringend wordt - of zelfs uiterst dringend - nadat reeds eerder een annulatieberoep aanhangig werd gemaakt. Het is dus vanaf het ogenblik waarop de uiterst dringende noodzakelijkheid ontstaat, dat een verzoekende partij met passende voortvarendheid moet optreden. Dit ogenblik moet niet - maar kan nog wel - samenvallen met het ogenblik dat zij kennis krijgt van de bestreden rechtshandeling. Het valt aan een verzoekende partij toe om op heldere en overtuigende wijze de (nieuwe of veranderde) feiten en omstandigheden, die tot gevolg hebben dat de zaak niet (langer) verenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing, uiteen te zetten, ze aannemelijk te maken en ze in de tijd te situeren. Dit laatste is van belang omdat dan de tussenkomst van die gewijzigde feiten en omstandigheden het uitgangspunt vormt om de diligentie van de verzoekende partij te beoordelen.
- In casu hebben de verzoekers, zoals zij in het inleidend verzoekschrift bevestigen, kennis gekregen van de bestreden beslissing met een e-mail van 29 november 2018 en hebben zij de huidige vordering op 21 december 2018 ingesteld. Volgens hen is de dringende noodzaak “manifest” doch zij geven XIV-37.906-5/7 in het verzoekschrift geen enkele verantwoording voor dit tijdsverloop. Evenmin geven de verzoekers aan - en zij maken dus ook niet aannemelijk - dat de uiterst dringende noodzakelijkheid pas later na de kennisgeving van de bestreden beslissing is ontstaan en dat zij vanaf dat ogenblik wel voortvarend hebben gehandeld.
- Bovendien beperken de verzoekers zich tot algemene beschouwingen maar zij maken niet aannemelijk dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing dermate nadelige gevolgen voor hen zou hebben dat zij het verloop van een gewone vordering tot schorsing of van het annulatieberoep niet zouden kunnen afwachten. Zo valt niet in te zien dat de persoonlijke reputatie of carrière van de verzoekers zou worden aangetast indien de provinciale raad of de Nationale Raad van de Orde van Architecten een beslissing zou nemen die omwille van een onwettige samenstelling zou worden aangevochten. Het blijkt alleszins niet dat de voorgehouden persoonlijke schade van de verzoekers van die aard is dat de duur van een annulatieprocedure niet zou kunnen worden afgewacht of dat een vernietigingsarrest het voorgehouden (in essentie morele) nadeel niet zou kunnen herstellen. De schade die de Nationale Orde van Architecten of de consumenten in het algemeen zouden kunnen lijden vormt geen schade waarop de verzoekers zich persoonlijk kunnen beroepen, nog daargelaten het vooralsnog hypothetische karakter ervan.
- De uiterst dringende noodzakelijkheid is derhalve niet aangetoond. XIV-37.906-6/7 VI. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie januari tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.906-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.328 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.931 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.