← België

Arrest 243350 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 08/01/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.350 Rolnummer: A. 219749/X-16684 Zaak: Arrest 243350 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 08/01/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-01-16 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-25 00:50 Fiche Arrest nr 243.350 van 8 januari 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 243.350 van 8 januari 2019 in de zaak A. 219.749/X-16.

  1. In zake :
  2. Marzenna KRZEMIEN
  3. Richard VAN SEVER
  4. Anne Thérèse DEWULF
  5. Luc VAN DEN BROECK
  6. Patricia VAN OVENACKER
  7. Angèle ROBBEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Ghysels, Stijn Verbeke en Jo Rams kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENTE WEZEMBEEK-OPPEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Swerts kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  8. Het beroep, ingesteld op 15 juli 2016, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 21 maart 2016 van de gemeenteraad van de gemeente Wezembeek-Oppem houdende de definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: gemeentelijk RUP) “Nieuw Administratief Centrum”. X-16.684-1/17 II. Verloop van de rechtspleging
  9. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 november
  10. Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Lies Vanquathem, die loco advocaten Jan Ghysels, Stijn Verbeke en Jo Rams verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Jan Van Eynde, die loco advocaat Tom Swerts verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  11. III. Feiten
  12. In de langs de Louis Marcelisstraat en de Europalaan te Wezembeek-Oppem gelegen dorpskern bevinden zich het uit het begin van de X-16.684-2/17 20ste eeuw daterend gemeentehuis en bijgebouwen van gemeentediensten, de gemeenteschool “De Letterbijter”, de gemeentelijke feestzaal en de bibliotheek van Wezembeek-Oppem, evenals woonpercelen. De verzoekende partijen wonen allen in de omgeving van deze dorpskern, die krachtens het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgesteld gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse gelegen is in woongebied.
  13. De verwerende partij wil in de meergenoemde dorpskern een volwaardig gemeenteplein met daar rond centrumfuncties creëren, zoals een nieuw administratief centrum voor de gemeentediensten en de gemeentelijke bibliotheek, en wil verder het ingesloten woongebied ter plaatse ontwikkelen. Daartoe neemt de verwerende partij het initiatief voor de opmaak van een gemeentelijk RUP “Nieuw Administratief Centrum”. Zij stelt daartoe een nota op waarin het milieueffect van dit voorgenomen RUP wordt beschreven en geëvalueerd (hierna: de screeningsnota).
  14. Op 4 mei 2015 wordt een plenaire vergadering gehouden omtrent een voorontwerp van gemeentelijk RUP “Nieuw Administratief Centrum”.
  15. Op basis van de screeningsnota en de uitgebrachte adviezen concludeert de dienst Milieueffectrapportage van de afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid van het Vlaamse Gewest (hierna: de dienst Mer) op 11 juni 2015 “dat het voorgenomen plan geen aanleiding geeft tot aanzienlijke negatieve milieugevolgen en dat de opmaak van een plan-MER niet nodig is”.
  16. Op 29 juni 2015 stelt de gemeenteraad van de verwerende partij het ontwerp van gemeentelijk RUP voorlopig vast.
  17. Tijdens het openbaar onderzoek, georganiseerd van 1 september 2015 tot 30 oktober 2015, wordt een advies uitgebracht door de deputatie van de provincieraad van de provincie Vlaams-Brabant en worden onder meer door de verzoekende partijen bezwaren ingediend. X-16.684-3/17
  18. Op 2 februari 2016 behandelt de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening (hierna: Gecoro) de bezwaren. 10.
  19. Op 21 maart 2016 stelt de gemeenteraad van de verwerende partij het gemeentelijk RUP “Nieuw Administratief Centrum” definitief vast (hierna: het bestreden gemeentelijk RUP), en keurt hij een bijhorend onteigeningsplan met tabel van de innames goed. 10.
  20. Het bestreden gemeentelijk RUP kleurt de zones A en B in als “zone voor wonen” (hierna: de artikel 2-zones) en de zones C en D als “zone voor gemeenschapsvoorzieningen/zone voor wonen” (hierna: de artikel 3-zones). Op het bij het bestreden gemeentelijk RUP horende grafisch plan is een “zone voor parkweg” ingetekend die aansluit op de bestaande straat “Maaldersgaarden” en dan onmiddellijk een bocht van 90° naar rechts maakt, zodat deze zone aan de buitenrand van de parkzone 4G ligt. Ook na de verlenging met de “zone voor parkweg” blijft de Maaldersgaarden doodlopend, met een mogelijke uitzondering voor het fiets- en voetgangersverkeer. 10.
  21. Het bestreden gemeentelijk RUP bevat volgend bestemmingsvoorschrift voor de artikel 3-zones (artikel 3.1): “De ‘zone voor gemeenschapsvoorzieningen/zone voor wonen’ is bestemd voor pleinen en bebouwing, constructies en voorzieningen voor gemeenschapsvoorzieningen en/of wonen met inbegrip van groene ruimtes, ontsluitingen, openbare wegenis en toegangen. In de deelzone C kunnen eventuele nevenbestemmingen zoals dienstverlening en handel voorkomen.” 10.
  22. Verder worden de Europalaan en een gedeelte van de Louis Marcelisstraat bestemd tot “openbare wegenis” met de overdruk “groene pleinruimte” (artikel 5.3), waarvoor volgend voorschrift geldt: “Aanvullend aan de hoofdbestemming wordt de groene pleinruimte [ingericht] als verkeersluwe ruimte. Deze gearceerde zone betreft een verkeersarm en multifunctioneel verblijfsgebied, met als voornaamste doelstelling het opwaarden van de publieke ruimte. Bij de inrichting van de X-16.684-4/17 zone voor groene pleinruimte moeten de nodige maatregelen worden genomen om het verkeer zodanig te geleiden dat de verblijfsruimte (gras- en groenruimtes, ontmoetingsruimtes, speelruimte, …) primeert boven de verkeersruimte.” 10.
  23. Ter verduidelijking volgt hierna een uittreksel uit het grafisch plan waarop benaderende aanduidingen zijn aangebracht.
  24. Op 27 juni 2016 trekt de gemeenteraad van de verwerende partij het in randnummer 10.1 genoemde onteigeningsplan met tabel van de innames in. X-16.684-5/17 IV. Onderzoek van de middelen A. Het eerste middel Uiteenzetting van het middel
  25. In het eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de materiëlemotiveringsverplichting en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Volgens de verzoekende partijen is de motivering van het bestreden besluit tegenstrijdig omdat daarin sprake is van de noodzaak tot onteigening van met name de doorsteek tussen de Louis Marcelisstraat en de Wijngaardlaan, terwijl op 27 juni 2016 het bij het bestreden gemeentelijk RUP horende onteigeningsplan ingetrokken werd. Ingevolge deze tegenstrijdige motivering bevat het bestreden besluit een niet realiseerbaar planinitiatief. De verzoekende partijen vervolgen dat er zonder onteigening, minstens planaanpassing, geen voldoende brede doorsteek kan worden gerealiseerd. Ook dergelijke planaanpassing is niet gebeurd. In antwoord op het bezwaar van de verzoekende partijen heeft de Gecoro nochtans erkend dat het grafisch plan aangepast moest worden, meer bepaald door ter hoogte van de doorsteek een “zone voor verkeerskundige maatregelen” te voorzien.
  26. In hun memorie van wederantwoord benadrukken de verzoekende partijen dat de verwerende partij bij het vaststellen van het bestreden gemeentelijk RUP is uitgegaan van de noodzaak tot hoogdringende onteigening voor de meergenoemde doorsteek. Beoordeling
  27. In het auditoraatsverslag wordt opgemerkt dat – anders dan in de memorie van wederantwoord wordt voorgehouden – uit de motieven van het X-16.684-6/17 bestreden besluit niet kan worden afgeleid dat de verwerende partij zou zijn uitgegaan van de noodzaak om bij hoogdringendheid te onteigenen. In hetzelfde auditoraatsverslag wordt vastgesteld dat het middel niet tot vernietiging kan leiden omdat het voorbijgaat aan, enerzijds, het feit dat er steeds een onteigeningsplan in een latere fase kan worden opgemaakt en, anderzijds, aan het feit dat er – zoals blijkt uit het vastgestelde grafische plan – gevolg is gegeven aan het voorstel van de Gecoro om ter hoogte van de geviseerde doorstreek een “zone voor verkeerskundige maatregelen” te voorzien.
  28. De Raad van State sluit zich uitdrukkelijk aan bij de in het vorig randnummer weergegeven beoordeling.
  29. Het eerste middel wordt verworpen. B. Het tweede middel Uiteenzetting van het middel 17.
  30. In het tweede middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 2.1.2, §§ 2, 3 en 6, 2.1.14, 2.2.13, § 2, en 2.2.14, § 5, VCRO, evenals van het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 17.
  31. De verzoekende partijen stellen vooreerst dat het bestreden gemeentelijk RUP geen rekening houdt met de bindende en richtinggevende bepalingen van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan (hierna: GRS). Uit artikel 3 van de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP blijkt immers dat het afbakenen van de centrumfuncties geen verplichting is, terwijl het GRS dergelijke verplichting bevat. De verzoekende partijen vervolgen dat de stedenbouwkundige voorschriften onvoldoende precies zijn en ingaan tegen de op het spel staande X-16.684-7/17 belangen en doelstellingen van het bestreden plan. Zij stellen dat zij op basis van de stedenbouwkundige voorschriften niet kunnen uitmaken of het afbakenen van de centrumfuncties, meer bepaald de bouw van een nieuw administratief centrum, effectief zal plaatsvinden, terwijl dit precies de voornaamste doelstelling van het bestreden gemeentelijk RUP is. Ten slotte wijzen de verzoekende partijen er op dat zij in hun tijdens het openbaar onderzoek ingediend bewaarschrift hebben aangeklaagd dat er een te groot aantal woongelegenheden toegelaten wordt en dat het onduidelijk is vanaf welk “nulpunt” de hoogte van de gebouwen gemeten moet worden. Als reactie is vervolgens het voorstel van de Gecoro om het maximaal aantal woongelegenheden in artikel 2-zones in te perken aangenomen. Ook heeft de Gecoro in antwoord op het bezwaarschrift van de verzoekende partijen gewezen op de in de stedenbouwkundige voorschriften opgelegde verplichting om voor de gebouwen in de deelzone 2B de hoogte van het maaiveld in de zone voor park als “nulpunt” te gebruiken. Deze reactie en dit antwoord zijn volgens de verzoekende partijen echter “slechts partieel” omdat ze geen betrekking hebben op de artikel 3-zones. In de laatstgenoemde zones is het aantal woongelegenheden niet ingeperkt. Bovendien is de verwijzing naar het maaiveld in de zone voor park onzorgvuldig omdat dit wordt gekenmerkt door een aanzienlijk hoogteverschil.
  32. In hun memorie van wederantwoord benadrukken de verzoekende partijen dat – zoals zij reeds in hun tijdens het openbaar onderzoek ingediend bewaarschrift hebben aangeklaagd – in de artikel 3-zones het aantal woningen onbeperkt is. Deze zones kunnen integraal voor de bestemming wonen worden aangewend. Het oprichten van een nieuw administratief centrum is slechts een optie. Verder specificeren de verzoekende partijen dat het maaiveld in de zone voor park “een hoogteverschil van ongeveer 2,5 meter (!) kent”. Wat betreft het voor de zone 2A geldende niveau van de Europalaan schrijven zij in hun memorie van wederantwoord dat het hoogteverschil “beperkter is doch [dat dit “nulpunt”] daarom niet minder onduidelijk [is]”. X-16.684-8/17
  33. In hun laatste memorie herhalen de verzoekende partijen dat het bestreden gemeentelijk RUP niet voorziet in “de verplichte afbakening van een gemeentelijk dienstencentrum/administratief centrum met het oog op de versterking van een gemeentelijk dienstencentrum”, omdat elk bebouwbaar bestemmingsgebied zonder meer met zuiver residentiële woonfuncties kan ingevuld worden, “zodat het bestaande administratief centrum in plaats van versterkt evengoed gesupprimeerd kan worden”. Beoordeling 20.
  34. De bindende bepaling 2.1.2 van het GRS van de gemeente Wezembeek-Oppem luidt: “ Doelstelling Maatregelen en acties afbakenen van de centrumfuncties A
  35. Strategische ruimte – administratief centrum ” 20.
  36. In de richtinggevende bepalingen van hetzelfde GRS wordt het volgende gesteld: “[…] Strategische ruimte – het administratief centrum Vanuit de bestaande ruimtelijke structuur kan het administratief centrum rond het gemeentehuis versterkt worden en dienst doen als gemeentelijk dienstencentrum. Binnen dezelfde site is het mogelijk om de gemeentelijke diensten uit te breiden. Gelijklopend kan het publiek domein rondom het administratief centrum gereorganiseerd worden. Dit publiek domein dient de omgeving en de vele functies maximaal op elkaar af te stemmen. […] Binnen dit publiek domein dient een volwaardige pleinfunctie [te] worden opgenomen. […] Het administratief centrum dat gevormd wordt door het gemeentehuis, de post, de gemeenteschool, de bibliotheek,… dient uit te groeien tot een centrale ontmoetingsplaats in de gemeente. […] De potentiële uitbreidingen en/of nieuwbouw aan het administratief centrum kunnen eventueel gecombineerd worden met een woonfunctie om een verwevenheid van functies na te streven.”
  37. De verzoekende partijen stellen ten onrechte (de verplichting tot) het “afbakenen” van een functie gelijk met (de verplichting tot) het bouwen X-16.684-9/17 van een gebouw dat voor die functie bestemd is. De in de bindende bepaling van het GRS gebruikte woorden “afbakenen van de centrumfuncties” moeten worden begrepen als het op een grafisch plan intekenen van zones waarin die functies thuishoren. Het is precies dat wat het bij het bestreden gemeentelijk RUP horende grafisch plan doet, meer bepaald door de intekening van de artikel 3-zones (randnr. 10.3) én van de overdruk “groene pleinruimte” (randnr. 10.4). Dat in de artikel 3-zones de centrumfuncties gecombineerd kunnen worden met wonen – zoals de richtinggevende bepalingen van het GRS uitdrukkelijk toelaten – leidt niet tot enige strijdigheid met dit GRS.
  38. Er blijkt geenszins enige tegenstrijdigheid tussen het bestreden gemeentelijk RUP en de voorgenomen doelstellingen ervan, te weten, enerzijds, de creatie van een gemeenteplein met daar rond centrumfuncties en, anderzijds, de ontwikkeling van een ingesloten woongebied (randnr. 4).
  39. Het essentiële kenmerk van ruimtelijke planning is haar toekomstgericht karakter. Onvermijdelijk bestaan er op het ogenblik van het uitvaardigen van planvoorschriften tal van onzekerheden over de vergunningsaanvragen die in de toekomst zullen worden ingediend. Wanneer een ruimtelijk uitvoeringsplan een zone bestemt voor een specifiek type van gebouw volgt er geen onwettigheid uit de omstandigheid dat er geen absolute zekerheid bestaat dat dit gebouw effectief zal worden opgericht.
  40. Er bestaat in hoofde van de overheid een plicht om de tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaarschriften op een ernstige wijze te behandelen, doch geen plicht tot het inwilligen ervan.
  41. De verwerende partij heeft getracht tegemoet te komen aan de vrees van de verzoekende partijen voor een te grote woningdichtheid door in de deelzone 2B het maximum aantal woongelegenheden met één derde te verminderen. Voor het overige heeft de Gecoro in antwoord op het bezwaarschrift van de verzoekende partijen de argumenten gebruikt dat X-16.684-10/17 woonverdichting in de kern gewenst is en dat niet zozeer het aantal woongelegenheden belangrijk is, daar het maximale gabarit en de inplanting van de gebouwen in de voorschriften gedetailleerd is vastgelegd. Het is mogelijk dat de laatstgenoemde argumenten de verzoekende partijen niet overtuigen, maar daaruit blijkt nog niet dat hun bezwaarschrift niet ernstig zou zijn behandeld.
  42. Verder wordt er in het middel aan voorbijgegaan dat de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP ook voor de artikel 3-zones een uitdrukkelijk “nulpunt” bepalen, meer bepaald “[het] dorpelpeil van het markant gebouw” voor de deelzone 3C en “het maaiveld in de zone voor park” voor de deelzone 3D. De verzoekende partijen kunnen er niet van overtuigen dat het onzorgvuldig of anderszins onwettig zou zijn om in stedenbouwkundige voorschriften als “nulpunt” het niveau van de voorliggende straat of het maaiveld van de voorliggende zone te gebruiken om reden van de omstandigheid dat er tussen het ene en het andere uiterste van deze straat of deze zone een hoogteverschil van (bijna) 2,5 meter zou zijn.
  43. Het tweede middel wordt verworpen. C. Het derde middel Uiteenzetting van het middel
  44. In het derde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 ‘betreffende het integraal waterbeleid’, alsook van de materiëlemotiveringsverplichting en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. X-16.684-11/17 De verzoekende partijen betogen dat in het bestreden besluit de waterhuishouding van het plangebied niet nauwkeurig en zorgvuldig werd onderzocht. De Gecoro heeft zich volgens de verzoekende partijen beperkt tot het eenvoudig ontkennen van hun bezwaren over de waterproblematiek.
  45. In hun memorie van wederantwoord benadrukken de verzoekende partijen dat hun op 7 juni 2016 gemaakte fotoreportage aantoont dat zich ter plaatse een algemeen wateroverlastprobleem voordoet. Beoordeling
  46. In het auditoraatsverslag wordt opgemerkt dat er reeds bij de plan-MER-screening (randnr. 6) een gedetailleerde watertoets is uitgevoerd en dat de aandachtspunten die daaruit voortkwamen geïmplementeerd zijn in artikel 1 van de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP. In hetzelfde auditoraatsverslag wordt vastgesteld dat het middel niet kan worden aangenomen omdat de verzoekende partijen zich beperken tot de algemene opwerpingen dat de waterproblematiek onzorgvuldig zou zijn onderzocht en zelfs ontkend zou zijn, zonder aan te geven op grond van welke concrete elementen de watertoets, die wel degelijk is uitgevoerd, in twijfel zou kunnen worden getrokken.
  47. De Raad van State sluit zich uitdrukkelijk aan bij de in het vorig randnummer weergegeven beoordeling.
  48. Het derde middel wordt verworpen. X-16.684-12/17 D. Het vierde middel Uiteenzetting van het middel 33.
  49. In het vierde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 1.1.4 en 2.2.14, § 5, VCRO en van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. 33.
  50. De verzoekende partijen stellen dat er geen afdoend antwoord is gegeven op de door hen tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaren met betrekking tot de onduidelijkheid over de mobiliteit in en rond het plangebied, meer bepaald over de toename van het aantal verkeersbewegingen. Er is ook geen duidelijkheid over de ontsluiting van de verschillende deelzones en de ligging van de inrit tot de beoogde ondergrondse parkings. Hun bezwaar omtrent de vertekende resultaten van de mobiliteitsstudie is niet weerlegd. 33.
  51. De verzoekende partijen vervolgen dat de mobiliteitsaspecten niet nauwkeurig werden onderzocht. Volgens de verzoekende partijen biedt het bestreden gemeentelijk RUP geen oplossing voor de ontsluiting van de deelzone 2B. Dat er ter zake geen enkele duidelijkheid bestaat blijkt volgens hen uit de volgende passage in het advies van de Gecoro: “De ontsluiting van de woonzone [2B] wordt voorzien door middel van de grafische aanduiding ‘zone voor parkweg’. Een ontsluitingsweg voor het autoverkeer tussen het park en de woningen is niet opportuun.” 34.
  52. In hun memorie van wederantwoord herhalen de verzoekende partijen dat zij in hun tijdens het openbaar onderzoek ingediend bezwaarschrift hebben opgemerkt dat er onveilige verkeersbewegingen zullen plaatsvinden “te midden” van de parkzone 4G. 34.
  53. Verder voegen de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord toe dat de mobiliteitsstudie geresulteerd heeft in “vertekende X-16.684-13/17 resultaten (want afgenomen op een tijdstip dat er wegeniswerken bezig waren aan één van de invalswegen van het plangebied)”.
  54. In hun laatste memorie stellen de verzoekende partijen dat nergens is verduidelijkt om hoeveel verkeersbewegingen in de parkzone 4G het zal gaan. Beoordeling
  55. In hun tijdens het openbaar onderzoek ingediend bezwaarschrift hebben de verzoekende partijen benadrukt dat het ontwerp van gemeentelijk RUP een sterke toename van de verkeersbewegingen zal genereren, vooral door de grote woningdichtheid in de deelzone 2B.
  56. Er wordt vooreerst verwezen naar hetgeen in randnummer 24 is gesteld.
  57. De verwerende partij heeft getracht tegemoet te komen aan de vrees van de verzoekende partijen voor een stijging van het aantal verkeersbewegingen ten gevolge van de te grote woningdichtheid, door in de deelzone 2B het maximum aantal woongelegenheden met één derde te verminderen.
  58. Zoals de Gecoro in antwoord op het bezwaarschrift van verzoeker heeft opgemerkt moet de ontsluiting voor autoverkeer voor de woongelegenheden in de deelzone 2B gebeuren via de “zone voor parkweg” die aansluit op de bestaande straat “Maaldersgaarden”. Daarnaast is het toegelaten de ondergrondse parking in deelzone 2B te ontsluiten langsheen de ondergrondse verdieping in deelzone 3C. Anders dan de verzoekende partijen menen kan uit de door hen aangehaalde passage van het advies van de Gecoro (randnr. 33.3) niet worden X-16.684-14/17 geconcludeerd dat er onduidelijkheid zou bestaan over de ontsluiting van de deelzone 2B. Het blijkt immers dat de plannende overheid er ondubbelzinnig voor heeft gekozen om geen verkeersbewegingen van gemotoriseerde voertuigen dwars door de parkzone 4G toe te laten en de ontsluiting van de deelzone 2B te laten gebeuren via de “zone voor parkweg” die gelegen is aan de buitenrand van die parkzone. Het is ten onrechte dat de verzoekende partijen er in hun memorie van wederantwoord en laatste memorie van uitgaan dat het bestreden gemeentelijk RUP verkeersbewegingen van gemotoriseerde voertuigen “te midden” van de parkzone 4G zou toelaten.
  59. Uit de gegevens van de zaak volgt dat de ondergrondse parking onder de deelzone 3C ontsloten zal worden langs de Louis Marcelisstraat. Uit het enkele gegeven dat de toegang van deze parking slechts indicatief is aangeduid op het grafische plan volgt – anders dan de verzoekende partijen blijkbaar aannemen – geen schending van de aangevoerde rechtsregels.
  60. De verzoekende partijen maken niet aannemelijk dat de uitgevoerde mobiliteitsstudie zou steunen op onjuiste feitelijke gegevens of niet in redelijkheid tot de – door de dienst Mer bijgetreden – conclusie kon komen dat er wat de verkeersproblematiek betreft geen significant negatief effect te verwachten valt, al was het maar omdat de Maaldersgaarden een doodlopende straat betreft zodat niet spontaan wordt ingezien waarom – zoals de verzoekende partijen blijkbaar aannemen – het bestemmingsverkeer in die straat substantieel zou veranderen door wegeniswerken aan “één van de invalswegen van het plangebied”.
  61. Dat de verwerende partij de behoefte aan een rustige woonomgeving van de bestaande bewoners heeft afgewogen ten opzichte van de doelstellingen van het bestreden gemeentelijk RUP wordt bevestigd in de volgende overweging van de toelichtingsnota: “via de Maaldersga[a]rde [worden] enkel en alleen de parkwoningen [in deelzone 2B] ontsloten. Hierdoor […] blijft het rustige woonkarakter van de Maaldersgaarde gewaarborgd.” X-16.684-15/17 Het blijkt niet dat de door de verwerende partij gedane afweging onzorgvuldig of anderszins onwettig zou zijn.
  62. De verzoekende partijen tonen niet aan dat er te weinig onderzoek zou zijn gedaan naar of onvoldoende rekening gehouden zou zijn met de mobiliteitsproblematiek, dat de voor die problematiek uitgewerkte oplossingen onduidelijk zouden zijn of dat de verwerende partij onvoldoende zou hebben laten begrijpen waarom hun bezwaarschrift slechts gedeeltelijk is ingewilligd.
  63. Het vierde middel wordt verworpen. V. Conclusie
  64. De verwerping van alle aangevoerde middelen brengt mee dat het beroep hoe dan ook in zijn geheel moet worden verworpen. BESLISSING
  65. De Raad van State verwerpt het beroep.
  66. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 1200 euro. X-16.684-16/17 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht januari 2019, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-16.684-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.350 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.