id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.352 Rolnummer: A. 226921/XII-8658 Zaak: Arrest 243352 - Overheidsopdrachten - 08/01/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-01-08 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-26 20:16 Fiche Arrest nr 243.352 van 8 januari 2019 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 243.352 van 8 januari 2019 in de zaak A. 226.921/XII-8658 In zake:
(921), het hergebruik buiten de kadastrale werkzone niet mogelijk zou zijn. […] Terwijl, eerste onderdeel, het regelmatigheidsonderzoek in de zin van art. 76 §1, 3° K.B. Plaatsing samen gelezen met het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur verhindert dat de aanbestedende dienst aan de hand van een onzorgvuldige feitenvinding en een foutieve beoordeling van de eigen gegevens betreffende de bodemkwaliteit zoals gevoegd bij het bestek, tot de schending besluit van het milieurecht, i.c. de grondverzetsregeling.‖ ―Doordat, tweede onderdeel, de bestreden beslissing de offerte van verzoekende partij weert als onregelmatig op grond van een prijsonderzoek waarbij zij gebruik maakt van inlichtingen die niet afkomstig zijn van de inschrijver, en die hem niet zijn voorgelegd om hem de kans te geven hierop adequaat en met kennis van zaken te reageren, en waarbij de inschrijver niet werd herbevraagd indien door hem gehanteerde onderzoekresultaten aan verdere nieuwe bedenkingen worden onderworpen; […] Terwijl, tweede onderdeel, art. 36 §2 K.B. Plaatsing 2017 op zichzelf genomen en richtlijn conform geïnterpreteerd in het geval van een prijsonderzoek naar eenheidsprijzen of totaalprijzen de inschrijver zo nodig XII-8658-10/18 opnieuw ondervraagt, en bij de beoordeling van de prijsverantwoording slechts rekening kan houden met inlichtingen die niet afkomstig zijn van de inschrijver voor zover ze hem worden voorgelegd teneinde hem de kans te geven hierop te reageren binnen een daadwerkelijk tegensprekelijke dialoog. Terwijl, tweede onderdeel, de toepassing van de materiële motiveringsplicht vereist dat de motieven die worden gehanteerd steunen op een zorgvuldige feitenvinding en voldoende draagkrachtig zijn opdat zij in redelijkheid de besluitvorming voor het blijvend abnormaal bevinden van de totaalprijs kunnen ondersteunen‖. ―Doordat, derde onderdeel, het regelmatigheidsonderzoek is gebeurd met een onderscheiden gestrengheid tussen de inschrijvers, gezien
- i)voor de ene inschrijver (i.c. THV Envisan - Jan De Nul) het schijnbaar abnormaal karakter van diverse prijsposten naar voor wordt geschoven, terwijl deze prijselementen voor de andere inschrijver (i.c. DEC) konden worden gesublimeerd naar aanleiding van een nazicht van hoeveelheden als relatieve onregelmatigheid;
- ii)de premissen van een eigen vooronderzoek voor de ene inschrijver (i.c. DEC) worden aanvaard zonder de volledige uitgangspunten van deze studie na te gaan, daar waar de voorstudie van de andere inschrijver (i.c. THV Envisan - Jan De Nul) onvoldoende wordt geacht zolang alle premissen van deze studie niet kunnen worden geverifieerd.‖ ―Terwijl, derde onderdeel, het gelijkheidsbeginsel vereist dat het nazicht van de eenheidsprijzen niet gebeurt met een onderscheiden mate van gestrengheid.‖ ―Zodat, de bestreden beslissing die vaststelt dat naar aanleiding van de beoordeling van één offerte de uitgangspunten inzake de dichtheid en het droge stofgehalte van de te baggeren specie in afwijking van de aannames van het bestek dienen te worden bijgesteld, in weerwil van de vaststelling dat net deze uitgangspunten de vergelijkbaarheid der offertes dienden te waarborgen krachtens het bestek, zonder daarbij rekening te houden met de potentiële impact van deze wijziging op de inhoud van de andere offertes in functie van de bestektekst, de in het middel aangehaalde beginselen en bepalingen schendt.‖ Beoordeling 9.1. Artikel 76, § 1, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 luidt : ―Art. 76. § 1. De aanbestedende overheid gaat na of de offertes regelmatig zijn. De offerte kan substantieel of niet substantieel onregelmatig zijn. Een offerte is substantieel onregelmatig wanneer ze van aard is de inschrijver een discriminerend voordeel te bieden, tot concurrentievervalsing XII-8658-11/18 te leiden, de beoordeling van de offerte van de inschrijver of de vergelijking ervan met de andere offertes te verhinderen, of de verbintenis van de inschrijver om de opdracht onder de gestelde voorwaarden uit te voeren onbestaande, onvolledig of onzeker te maken. De volgende onregelmatigheden worden met name als substantieel beschouwd : 1° de niet-naleving van het milieu-, sociaal of arbeidsrecht, voor zover deze niet-naleving strafrechtelijk gesanctioneerd wordt; 2° de niet-naleving van de vereisten bedoeld in de artikelen 38, 42, 43, § 1, 44, 48, § 2, eerste lid, 54, § 2, 55, 83 en 92 van dit besluit en in artikel 14 van de wet, voor zover zij verplichtingen bevatten ten aanzien van de inschrijvers; 3° de niet-naleving van de minimale eisen en de vereisten die als substantieel worden aangemerkt in de opdrachtdocumenten.‖ Overeenkomstig artikel 76, § 3, van ditzelfde besluit verklaart de aanbestedende overheid een substantieel onregelmatige offerte steeds nietig. Zij beschikt daarbij over geen enkele beoordelingsruimte. 9.2. In het gunningsverslag wordt de offerte van de verzoekende partijen geweerd als substantieel onregelmatig wegens een inbreuk op het milieurecht op grond van de volgende motieven: ―Naar aanleiding van de vraag tot prijsverantwoording aan inschrijver Envisan-Jan De Nul met betrekking tot VWD 3 - post 2, heeft de aanbestedende overheid de volgende substantiële onregelmatigheid vastgesteld. Overeenkomstig Voorwaardelijke Gedeelte 3, Hoofdstuk 4 Voorbereidende werken en grondwerken, § 2.1.2.1.A ‗Afgraven van zoden‘, is de grondverzetregeling van toepassing op het hergebruik van de zoden. Deze bepaling is gebaseerd op informatie van de erkende bodembeheerorganisatie Grondbank en is consulteerbaar via haar website. Uit de prijsverantwoording van THV Envisan-Jan De Nul blijkt dat deze inschrijver rekent op de valorisatie van de zoden door verkoop als teelaarde. In de eerste prijsverantwoording (dd 20 juli 2018) stelt de THV dat de zoden worden afgegraven, getransporteerd over de weg en afgezet op het grondverwerkingscentrum in Hulsdonk voor valorisatie en verkoop als teelaarde. De eenheidsprijs is gebaseerd op de inzet van een landmeter voor topografische opmetingen, een rupsbulldozer voor het afgraven van de zoden, een graafkraan voor het laden op een vrachtwagen en een opligger voor transport naar Hulsdonk. De THV rekent dus een minprijs van 4,35 €/m3 ingevolge de valorisatie en verkoop als teelaarde. Naar aanleiding van de herbevraging verduidelijkt de THV in de aanvullende prijsverantwoording (dd 20 september 2018) dat de zoden na XII-8658-12/18 afgraving, tussentijds gestockeerd worden op de werf waarbij het afbraakproces van organisch materiaal op gang zal komen, na afvoer naar het grondverwerkingscentrum wordt het materiaal in gecontroleerde omstandigheden gestockeerd en met een omzetmachine verplaatst zodat het afbraakproces versneld verloopt. De verwerkingskost bedraagt 1 €/m3, het eindproduct wordt verkocht aan 5,35 €/m3. De resultaten van het milieuhygiënisch onderzoek dat werd uitgevoerd in opdracht van de aanbestedende overheid werden bij het bestek gevoegd en wijzen uit dat de toplaag een milieuhygiënische code 921 heeft ten gevolge van verontreiniging met zware metalen (arseen, cadmium, chroom III, lood, zink), minerale olie, benzo(a)pyreen en PCB‘s. De code bepaalt onder welke voorwaarden de grond mag worden toegepast overeenkomstig het Vlaams reglement inzake Bodemsanering en Bodembescherming (Vlarebo). De verkoop als teelaarde valt onder het gebruik van bodem buiten de kadastrale werkzone (i.e. de werfzone), wat uitdrukkelijk is uitgesloten: het cijfer 9 betekent dat gebruik als bodem buiten de kadastrale werkzone niet mogelijk is. De voorgestelde bewerking, met name stockeren en omzetten in gecontroleerde omstandigheden, is gericht op het afbreken van het organisch materiaal maar laat niet toe om de aanwezige verontreiniging onder de norm voor vrij hergebruik te brengen. De offerte van de THV Envisan-Jan De Nul bevat aldus een inbreuk tegen het milieurecht. Overeenkomstig artikel 7 van de Wet inzake Overheidsopdrachten van 17 juni 2016 is de ondernemer ertoe gehouden alle toepasselijke verplichtingen onder meer op het gebied van milieurecht na te leven wat in casu niet het geval is. Conform artikel 76 §1, 1° KB Plaatsing dient de niet naleving van het milieurecht, voor zover de niet naleving strafrechtelijk gesanctioneerd wordt, als een substantiële onregelmatigheid te worden beschouwd. Overtredingen op het bodemdecreet (en de uitvoeringsbesluiten) worden strafrechtelijk gesanctioneerd cfr. Artikel 16.1.1 en 16.6.1 DABM. Bovendien is de voorgestelde verwerkingswijze alleszins een inbreuk op een minimale eis van het bestek (76 §1, 3° KB Plaatsing). De offerte van de THV Envisan-Jan De Nul is aldus behept met een substantiële onregelmatigheid.‖ 9.3. Op het eerste gezicht lijkt de in het gunningsverslag vastgestelde inbreuk op het milieurecht in de offerte van de verzoekende partijen op zich genomen reeds te volstaan om het substantieel onregelmatig verklaren van hun offerte te dragen, gelet op het hiervoor aangehaalde artikel 76, § 1, vierde lid, 1º. 9.4. De verzoekende partijen betwisten deze vaststelling evenwel in het verzoekschrift met de volgende argumentatie: XII-8658-13/18 ―Er wordt plots een motief inzake onregelmatigheid gehanteerd onder verwijzing naar de grondverzetsregeling, terwijl de herbevraging binnen de prijsverantwoording betrekking had op de minprijs en de mogelijkheid tot vermarkting van de zoden. De externe elementen die aan het advies van ATO worden ontleend, werden niet aan tegenspraak onderworpen. Verzoekende partij kan de graszoden oogsten met een beperkte diepgang, zodat de milieuhygienische code van de grondverzetsregeling wel degelijk het gebruik buiten de kadastrale werkzone toelaat. Deze vraag werd haar echter nooit voorgelegd, zodat andermaal van de inschrijver wordt verwacht dat deze op grond van de vermoede wil van de aanbestedende overheid anticipeert. Dit creëert een onmogelijke bewijslast en een mogelijkheid tot willekeur in hoofde van de aanbestedende dienst. De feitenvinding is in die zin kennelijk onzorgvuldig en in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur. Het besluit uit de monstername in het uitgevoerde milieuhygiënisch onderzoek (MHO) — bijlage bij het bestek - doet uitspraak over een toplaag van 0,5 m dik met code 921 terwijl het bestek oplegt dat deze laag in twee aparte uitvoeringsgangen dient afgegraven te worden: 1) afgraven van zoden : dikte van maximaal 15 cm 2) afgraving volgens 4-2.1.2.: dikte variërend tussen 20 cm en 35cm afhankelijk van locatie nadat zoden zijn afgegraven Vermits het besluit in het MHO geen rekening houdt met bovenstaande opdeling, heeft THV JDN- ENV de analyseresultaten uit het MHO bijgevoegd bij het bestek bestudeerd. De THV kan hieruit besluiten dat de zoden (dikte 15
- cm)milieuhygiënische codes hebben die wel degelijk gebruik buiten de kadastrale werkzone toelaten zonder noodzaak tot verminderen van de aanwezige verontreiniging. Het gaat hier meer bepaald over de codes 211 (vrij hergebruik) en 310, 311, 411, 421, 511, 521 (hergebruik mogelijk, zij het mits studie ontvangend terrein) (zie stuk 12). De THV JDN-ENV heeft niets anders gedaan dan de beschikbare besteksdata bestudeerd en geanalyseerd en op basis van deze studie/analyse tot besluit gekomen dat de uitvoeringsmethode conform is met de opgelegde eisen in het bestek (zoden worden eigendom aannemer en dienen afgevoerd te worden buiten de werfzone; de grondverzetsregeling is van toepassing op hergebruik van zoden).‖ 9.5. De argumenten van de verzoekende partijen kunnen op het eerste gezicht niet worden bijvallen. In de eerste plaats steunt dit betoog op de veronderstelling dat het onregelmatig verklaren van een offerte in het kader van de gunning van een overheidsopdracht aan tegenspraak zou zijn onderworpen. Prima facie faalt deze premisse. Het blijkt immers niet dat de regelgever te dezen in een verplichte vorm van tegenspraak tussen aanbestedende overheid en inschrijver hebben voorzien. XII-8658-14/18 Integendeel lijkt het te dezen van toepassing zijnde artikel 76, § 3, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 de aanbestedende overheid die een substantiële onregelmatigheid heeft vastgesteld te binden en eist deze bepaling dat een substantieel onregelmatige offerte steeds nietig wordt verklaard door de aanbestedende overheid. Voorts kan er worden opgemerkt dat een beslissing om een offerte substantieel onregelmatig te verklaren geen maatregel lijkt die, zoals de hoorplicht veronderstelt, het ontnemen van een eerder verleend voordeel inhoudt of een sanctie ten aanzien van het gedrag van de inschrijver uitmaakt. Een beslissing tot het onregelmatig verklaren van een offerte voldoet met andere woorden op het eerste gezicht niet aan de toepassingsvoorwaarden van de hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur. Aldus blijkt niet dat een aanbestedende overheid die in het kader van het prijsonderzoek vaststelt dat een offerte behept is met een substantiële onregelmatigheid in de uitvoeringswijze, ertoe gehouden zou zijn om die vaststelling eerst aan de inschrijver voor te leggen alvorens te beslissen over de regelmatigheid. Dat in het prijsonderzoek is voorzien in de mogelijkheid tot herbevraging van de inschrijver, leidt niet tot een ander besluit. Uit de loutere mogelijkheid die artikel 36, § 2, laatste lid, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 biedt, kan een inschrijver immers geen rechten putten ten aanzien van de aanbestedende overheid. Overigens lijkt de aanbestedende overheid te dezen toch duidelijk te hebben gealludeerd op mogelijke problemen met de uitvoeringswijze die bestaat in het doorverkopen van verontreinigde zoden als teelaarde zonder er nadere bewerkingen op uit te voeren. De verzoekende partijen hebben echter die bemerking blijkbaar over het hoofd gezien en louter bevestigd dat de gronden enkel aan een eenvoudig organisch afbraakproces worden onderworpen. Een dergelijk procedé lijkt op het eerste gezicht inderdaad niet nuttig om verontreiniging met zware metalen (arseen, cadmium, chroom III, lood, zink), minerale olie, benzo(a)pyreen en PCB‘s te verhelpen. Het lijkt niet dat de aanbestedende overheid de verzoekende partijen daarbij opzettelijk heeft misleid. Dat de betrokken zoden ernstig verontreinigd zijn blijkt immers ondubbelzinnig uit XII-8658-15/18 het bij het bestek gevoegd milieuhygiënisch onderzoek, dat de inschrijvers mogen worden geacht te hebben gelezen en te respecteren bij het opmaken van hun offerte. 9.6. Thans, in de procedure voor de Raad van State, doen de verzoekende partijen gelden dat de betrokken zoden een andere milieucode zouden moeten krijgen en wel zouden mogen worden afgevoerd en hergebruikt. Dit betoog kan niet worden aanvaard. De verwerende partij lijkt in dit verband immers terecht op te merken dat de stukken waarop de verzoekende partijen hun argumentatie steunen post factum, na het indienen van de offerte en zelfs na het nemen van de gunningsbeslissing werden opgesteld, en blijkbaar pas in de aanloop naar het indienen van het verzoekschrift bij de Raad van State werden geformaliseerd en dus niet bij de offerte werden gevoegd. Aldus lijkt het niet dat de verzoekende partijen de aanbestedende overheid ten gepaste tijde hebben geïnformeerd over het volgens hen niet verontreinigd zijn van de af te graven zoden. Er dient in dit verband te worden opgemerkt dat, indien een inschrijver van mening is dat het milieuhygiënisch bodemonderzoek zoals dat deel uitmaakt van de opdrachtdocumenten gebrekkig is, dit een dermate belangrijk element lijkt dat er van hem mag worden verwacht dat hij dit voor het indienen van zijn offerte aan de aanbestedende overheid meldt. Artikel 81 van het koninklijk besluit plaatsing 2017 lijkt dat ook van hem te vereisen. Het blijkt niet dat de verzoekende partijen dat te dezen hebben gedaan. Minstens lijkt van een dergelijke inschrijver te mogen worden verwacht dat hij een verduidelijkende nota bij zijn offerte voegt over zijn veronderstellingen inzake het niet verontreinigd zijn van de betrokken zoden in afwijking van de opdrachtdocumenten. Een inschrijver die daarentegen zonder meer een uitvoeringswijze voorstelt die afwijkt van de milieuhygiënische vereisten die voortvloeien uit de opdrachtdocumenten, lijkt zich niet te mogen beklagen over het substantieel onregelmatig verklaren van zijn offerte op deze grondslag. 9.7. De verzoekende partijen maken aldus niet aannemelijk -minstens niet met de in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid XII-8658-16/18 vereiste mate van ernst- dat hun offerte ten onrechte substantieel onregelmatig werd verklaard omwille van een inbreuk op het milieurecht. Het eerste middelonderdeel dient dan ook te worden verworpen als niet ernstig. Deze vaststelling leidt er meteen toe dat er in de huidige stand van het geding geen grond is om in te gaan op het tweede en derde middelonderdeel, nu deze grieven, zelfs indien ernstig, enkel betrekking hebben op de abnormale prijzen in de offerte van de verzoekende partijen en de voornoemde substantiële onregelmatigheid inzake milieuvereisten overeind laten. Het middel is bijgevolg niet ernstig. VII. Besluit Er werd vastgesteld dat de beide middelen niet ernstig zijn. Bijgevolg dient de vordering te worden verworpen. BESLISSING 1. Het verzoek van de nv Deme Environmental Contractors tot tussenkomst wordt ingewilligd. 2. De Raad van State verwerpt de vordering. 4. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 400 euro en een bijdrage van 40 euro, elk voor de helft, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op een rolrecht van 150 euro. XII-8658-17/18 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 8 januari 2019, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-8658-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.352 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.413 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div