id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.353 Rolnummer: A. 226920/XII-8659 Zaak: Arrest 243353 - Overheidsopdrachten - 08/01/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-01-08 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-25 00:52 Fiche Arrest nr 243.353 van 8 januari 2019 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 243.353 van 8 januari 2019 in de zaak A. 226.920/XII-8659 In zake:
- de NV AANNEMINGSBEDRIJF AERTSSEN
- de NV GHENT DREDGING samen vormend een tijdelijk handelsvennootschap bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marco Schoups, Kris Lemmens en Jan De Leyn kantoor houdend te 2000 Antwerpen De Burburestraat 6-8/5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de NV van publiek recht de VLAAMSE WATERWEG bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Van Raemdonck en Johan Geerts kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 166 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de NV DEME ENVIRONMENTAL CONTRACTORS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Annelies Verlinden en Thomas Christiaens kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 106 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 11 december 2018, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van [de nv van publiek recht de Vlaamse Waterweg] van 23 november 2018 waarbij de overheidsopdracht voor werken met als voorwerp XII-8659-1/24 „Beneden-Durme te Waasmunster, Zele en Lokeren – onderhoudsbaggerwerken en renovatie van het GOG Potpolder IV‟ wordt gegund aan NV DEME Environmental Contractors [hierna: nv DEC] en niet aan THV Ghent Dredging – Aertssen.” II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Met een verzoekschrift van 19 december 2018 heeft de nv Deme Environmental Contractors gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 december 2018, om 10.00 uur. Kamervoorzitter Dierk Verbiest heeft verslag uitgebracht. Advocaten Kris Lemmens en Jan De Leyn, die verschijnen voor de verzoekende partijen, advocaat Johan Geerts, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaten Annelies Verlinden en Thomas Christiaens, die verschijnen voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht voor werken uit voor onderhoudsbaggerwerken en renovatie van het GOG (“gecontroleerd XII-8659-2/24 overstromingsgebied”) Potpolder IV - Beneden-Durme te Waasmunster, Zele en Lokeren. De verwerende partij kiest voor de openbare procedure als plaatsingsprocedure. De opdracht wordt bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen van 3 mei 2018 en in het Publicatieblad van de Europese Unie van 5 mei
- 3.
- Het toepasselijke bestek met nummer AZZ-18-0004 omschrijft het voorwerp van de opdracht samengevat als volgt: “Het voorwerp van de opdracht is het uitvoeren van onderhouds- baggerwerken op de Beneden-Durme tussen de brug van Waasmunster en de dam in Lokeren en de renovatie van het gecontroleerd overstromingsgebied Potpolder IV te Waasmunster, gebruik makend van onderhoudsbaggerspecie.” Wat de wijze betreft waarop de baggerwerken dienen te worden uitgevoerd, geven de technische bepalingen van het bestek de volgende toelichting: “Een deel van de onderhoudsbaggerspecie dient te worden gebruikt bij de dijkwerken voor de renovatie van Potpolder IV. De aannemer verbindt zich in zijn offerte tot een bepaald percentage hergebruik ten opzichte van het maximale volume dat kan hergebruikt worden. Tijdens de werken is het verdunnen van specie door het opmengen van verschillende concentraties aan specie niet toegestaan. De specie die niet voldoet aan NV-bouwstof dient gescheiden gebaggerd te worden van de specie die voldoet aan NV-bouwstof. De specie die niet voldoet aan NV-bouwstof moet hergebruikt worden bij de dijkwerken. Dit volume wordt geschat op 26.000 m3 gemeten in de rivier. Het overige deel van de onderhoudsbaggerspecie dient te worden afgevoerd naar de speciebergingslocatie Sterhoek te Kruibeke en Zwijndrecht.” Het bestek bepaalt drie gunningscriteria : - Criterium 1: het offertebedrag (50 punten); - Criterium 2: valorisatie van de baggerspecie (30 punten); XII-8659-3/24 - Criterium 3: de technische waarde van het aanbiedingsontwerp en de uitvoeringsmethode (20 punten). 3.
- De offertes worden geopend op 5 juli
- Er blijken vier offertes te zijn ingediend aan de volgende bedragen (btw niet inbegrepen): - THV Hye - De Roeck 22.000.955,97 euro; - THV Ghent Dredging - Aertssen (verzoekende partijen ) 16.844.226,56 euro; - NV DEME Environmental Contractors (hierna: nv DEC) (gekozen inschrijver ) 15.609.989,30 euro; - THV Envisan - Jan De Nul 10.785.522,42 euro. 3.4.
- Op 10 oktober 2018 beslist de verwerende partij om de opdracht te gunnen aan de nv DEC. 3.4.
- Tegen deze beslissing worden twee procedures in kort geding bij uiterst dringende noodzakelijkheid ingesteld: een door de THV Ghent Dredging - Aertssen (A. 226.620/XII-8641) en een door de THV Envisan - Jan De Nul (A. 226.621/XII-8642). 3.4.
- Op 23 november 2018 beslist de verwerende partij om de voormelde gunningsbeslissing in te trekken. 3.
- Met dezelfde beslissing van 23 november 2018 gunt zij, verwijzende naar het nieuwe gunningsverslag van 20 november 2018, dat tot deel van de beslissing wordt verklaard, de opdracht opnieuw aan de nv DEC, ditmaal voor een bedrag van 16.914.283,78 euro (btw niet inbegrepen). Dit is de thans bestreden beslissing. 3.
- Wat de regelmatigheid van de offertes betreft wordt in het nieuwe gunningsverslag van 20 november 2018 vastgesteld dat de offerte van de THV Envisan - Jan De Nul is aangetast door een substantiële onregelmatigheid omdat deze een inbreuk op het milieurecht bevat : er wordt voorzien in de verkoop van verontreinigde zoden als teelaarde. XII-8659-4/24 Wat de verbetering van de offertes betreft wordt vastgesteld dat in de offerte van de nv DEC een wijziging van vermoedelijke hoeveelheden wordt voorgesteld en doorgevoerd in de samenvattende opmeting wat het afvoeren betreft van baggerspecie naar de speciebergingslocatie Sterhoek. Voor drie daarop betrekking hebbende posten van de samenvattende opmeting (VWD2 16, 20 en 21) wordt door de inschrijver de vermoedelijke hoeveelheid gewijzigd van 117.504 ton naar 0 ton. Volgens de nv DEC dient er immers een andere volumebalans - namelijk met 30-40 % reductie aan water- , te worden gehanteerd dan deze vooropgesteld in het bestek – aldaar 10 % - , waardoor er geen bagger- specie dient te worden afgevoerd. Deze achterliggende redenering van de nv DEC wordt in het verslag aanvaard, maar wat de beoordeling van de prijzen van de offertes betreft wordt dan wel geen rekening houden met de voorgestelde verbeteringen, omdat het bestek een dergelijke aanpassing niet toestaat, een vereiste van artikel 79 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 „plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren‟ [hierna: koninklijk besluit plaatsing 2017]. Volgens het verslag betreft het hier een niet-substantiële onregelmatigheid zodat de offerte niet wordt geweerd en om de gelijkheid van de inschrijvers te vrijwaren, worden vervolgens de wel door de nv DEC opgegeven eenheidsprijzen voor de betrokken posten met de in het bestek bepaalde vermoedelijke hoeveelheden vermenigvuldigd en wordt dit prijsresultaat bij het totaalbedrag van de offerte gevoegd, dat aldus stijgt naar 16.914.283,78 euro, btw niet inbegrepen. Bij het prijsonderzoek stelt de verwerende partij vast dat de offerte van de THV Envisan - Jan De Nul is aangetast zowel door abnormaal lage eenheidsprijzen voor een reeks posten als door een abnormaal lage totaalprijs. De offerte van deze inschrijver wordt ook om deze redenen substantieel onregelmatig verklaard. Wat de nv DEC betreft wordt in het gunningsverslag opgemerkt dat ook deze offerte aan een prijsonderzoek werd onderworpen. Er worden geen abnormale totaalprijs of abnormale eenheidsprijzen vastgesteld. Vervolgens worden de drie overblijvende en regelmatig bevonden offertes aan de gunningscriteria getoetst. XII-8659-5/24 Deze toetsing leidt tot de volgende samenvattende tabel: “4.
- Conclusie van het onderzoek van de gunningscriteria De inschrijvers worden als volgt gerangschikt: Nr Inschrijver Prijs Valorisatie Technische Totaal Waarde Aanbiedingsontwerp 1.Deme Environmental Contractors 49,79 30,00 15 94,79 (nv DEC) 2.THV Ghent Dredging-Aertssen 50,00 30,00 13,50 93,50 3.THV Hye-De Roeck 38,28 30,00 14,00 82,28 ”. Ten slotte worden voor de nv DEC de uitsluitingsgronden en de selectie gecontroleerd en wordt er besloten dat deze inschrijver voldoet. Het besluit van het gunningsverslag is dan ook om de opdracht te gunnen aan de nv DEC voor een totaalbedrag van 16.914.283,78 euro, btw niet inbegrepen. 3.
- Met een aangetekend schrijven en een e-maibericht van 26 november 2018 geeft de verwerende partij kennis van de gunningsbeslissing van 23 november 2018 aan de verzoekende partijen. IV. Tussenkomst
- De nv DEC blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing en heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg moet haar verzoek tot tussenkomst worden ingewilligd. V. Ontvankelijkheid van de vordering 5.
- De verwerende partij en de tussenkomende partij betwisten de ontvankelijkheid van de vordering als dusdanig niet. XII-8659-6/24 5.
- De Raad van State merkt echter op dat uit de omschrijving van het voorwerp van de vordering lijkt te volgen dat de verzoekende partijen ook de impliciete weigering om de opdracht aan hen te gunnen bestrijden. Bij dit specifiek onderdeel van de vordering geven zij in het verzoekschrift evenwel geen nadere toelichting. Het komt echter toe aan een verzoekende partij die de toepassing vraagt van de bijzondere jurisprudentiële techniek van de schorsing van de tenuitvoerlegging van een impliciete weigeringsbeslissing, om aannemelijk te maken dat er bijzondere omstandigheden voorhanden zijn die het gebruik van die techniek verantwoorden. Gelet op deze vaststelling dient de vordering reeds op het eerste gezicht te worden verworpen als niet-ontvankelijk in zoverre haar voorwerp de betrokken impliciete weigeringsbeslissing is. VI. Vertrouwelijke stukken 6.
- De verzoekende partijen leggen hun eigen offerte neer als vertrouwelijk stuk. Daarnaast vragen zij in het verzoekschrift, meer in het bijzonder bij de adstructie van het derde middel, om eventuele door de verwerende partij als vertrouwelijk neergelegde stukken inzake het prijsonderzoek aan de hand van een reeks door hen voorgestelde vragen aan een onderzoek te onderwerpen. Voorts vragen zij in het algemeen om vertrouwelijke stukken inzake het prijsonderzoek niet als vertrouwelijk te behandelen en hun er inzage in te geven. De verwerende partij legt de offertes van de vier inschrijvers en diverse stukken betreffende het prijsonderzoek neer als vertrouwelijke stukken. De tussenkomende partij legt haar eigen offerte en een lijst met vragen over het bestek neer als vertrouwelijke stukken. XII-8659-7/24 6.
- Er moet worden opgemerkt dat het voormelde dubbel verzoek van de verzoekende partijen enkel dienstig zou kunnen zijn in verband met grieven die vermeende onwettigheden in het prijsonderzoek betreffen. De verzoekende partijen voeren evenwel een eerste middel aan, waarin zij in essentie doen gelden dat de offerte van de gekozen inschrijver ten onrechte werd geregulariseerd door de verwerende partij en als substantieel onregelmatig had moeten worden geweerd wegens een onrechtmatige wijziging van vermoedelijke hoeveelheden in de samenvattende opmeting bij het bestek. Dit is een kritiek op het onderzoek van de offertes in een fase die voorafgaat aan het prijsonderzoek. Het past aldus om eerst dat middel te onderzoeken, vooraleer nader in te gaan op de gevraagde opheffing van de vertrouwelijkheid. VII. Schorsingsvoorwaarden 7.
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. 7.
- Te dezen is evenwel ook de wet van 17 juni 2013 „betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies‟ van toepassing. Krachtens artikel 15, eerste lid, van die wet kan de uitvoering worden geschorst van de thans bestreden beslissing in aanwezigheid van een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid. XII-8659-8/24 Overeenkomstig artikel 15, tweede lid, echter wordt de vordering tot schorsing voor de Raad van State uitsluitend ingesteld volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Er dient te dezen dan ook enkel nog te worden onderzocht of minstens één ernstig middel wordt aangevoerd, dan wel een klaarblijkelijke onwettigheid aanwezig is, die de nietigverklaring van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden. VIII. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 8.
- De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in het eerste middel de schending aan van “artikel 83 Overheidsopdrachtenwet 17 juni 2016; artikel 81, § 1 Overheidsopdrachtenwet 17 juni 2016; artikel 34, § 2 KB Plaatsing 2017; artikel 76, § 1 KB Plaatsing 2017; artikel 79, § 2, 2° KB Plaatsing 2017, het beginsel van de gelijke behandeling van de inschrijvers, dat voortvloeit uit artikel 4 Overheidsopdrachtenwet 17 juni 2016 en artikel 10 en 11 van de Grondwet; de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het mededingingsbeginsel, het transparantiebeginsel en de materiële en formele motiveringsplicht; het beginsel patere legem quam ipse fecisti”. Zij vatten het middel zelf als volgt samen: “doordat NV De Vlaamse Waterweg de verbetering door NV DEC behandelt als een niet-substantiële onregelmatigheid, terwijl: - het gunningsverslag dd. 20 november 2018 erkent dat de verbetering niet toegelaten was; - de verbetering volgt uit een afwijking door NV DEC van een in de opdrachtdocumenten als substantieel aangemerkte besteksbepaling, nl. de aannames van in situ dichtheid en volumereductie die de opdracht- XII-8659-9/24 documenten oplegden ter vrijwaring van de gelijkheid van de inschrijvers; - het door NV DEC voorgestelde hergebruik van baggerspecie in het dijklichaam (164.996 m3) deels gebaseerd is op de afwijkende aannames van in situ dichtheid en volumereductie, waardoor de parameter (A), zijnde de teller van de beoordelingsformule voor het tweede gunningscriterium, niet meer vergelijkbaar is met de overige offertes aangezien die zijn uitgegaan van de aannames in de opdrachtdocumenten; - de impact van de verbetering op de prijs, een substantiële bepaling, maar liefst 1.304.294,48 EUR excl. BTW bedraagt. doordat NV De Vlaamse Waterweg een met een substantiële onregelmatigheid aangetaste en dus nietige offerte tracht te regulariseren. doordat NV De Vlaamse Waterweg ten onrechte art. 34 KB Plaatsing 2017 hanteert, terwijl dit artikel van toepassing is op rekenfouten en materiële vergissingen en de verbeteringen door NV DEC hieraan geenszins voldoen.” Ter terechtzitting en als repliek op de nota verwijzen de verzoekende partijen nog naar een in die nota geciteerde passus uit de gekozen offerte waarin wordt aangegeven dat “in het ultieme geval er zelfs mogelijks specietekort [is]”. Zij betogen daaromtrent dat de dijk alsdan met de uitgebaggerde volumes zelfs niet zou kunnen worden gebouwd wat meerwerken door grondaanvoer zou vereisen en een hogere prijs. 8.2.
- In haar nota benadrukt de verwerende partij in de eerste plaats dat de offerte van de gekozen inschrijver slechts met een niet-substantiële onregelmatigheid behept is. Zij wijst op de “ruime discretionaire beoordelings- bevoegdheid” waarover zij beschikt bij de betrokken beoordeling. De verwerende partij wijst erop dat de gekozen inschrijver berekende dat er géén baggerspecie moet worden afgevoerd. Vanuit deze conclusie heeft de inschrijver de vermoedelijke hoeveelheden (VH) voor de posten die betrekking hebben op de afvoer van overtollige baggerspecie naar „speciebergings- locatie Sterhoek‟ – namelijk de posten 16, 20 en 21 – “op nul gezet”. De nv DEC heeft wél een “normale” eenheidsprijs aangeboden voor deze posten - voor het geval deze toch zouden moeten worden uitgevoerd. Deze logica is volgens de verwerende partij volstrekt in overeenstemming met het bestek. Zij streeft immers naar een maximaal hergebruik, maar ging er in haar eigen voorzichtige analyses, met slechts 10% volumereductie, vanuit dat er desondanks toch overtollige XII-8659-10/24 baggerspecie zou moeten worden afgevoerd. Dat de gekozen inschrijver er dankzij grondig onderzoek in slaagt om afvoer te vermijden, beantwoordt dan ook perfect aan de doelstellingen van de aanbestedende overheid. De verzoekende partijen tonen niet aan waarom het de inschrijvers niet toegelaten zou zijn om de waarden die zijn vermeld in het bestek en het terechtwijzend bericht nummer 6 zelf te interpreteren in functie van de opmaak van het aanbiedingsontwerp en plan van aanpak, als zouden deze waarden substantiële technische eisen zijn, voorgeschreven op straffe van substantiële onregelmatigheid. De verwerende partij wijst uitvoerig op het technisch complexe karakter van de opdracht en het feit dat het aan de inschrijvers is om zelf het uitvoeringsontwerp te bepalen. De verwerende partij doet gelden dat de vermoedelijke hoeveelheid af te voeren baggerspecie geenszins vaststaat en dus sterk kan fluctueren nu deze berust op een theoretische inschatting. De zin van de geformuleerde theoretische aannames, waarden en hoeveelheden is dus om een „level playing field‟ te creëren zodat alle offertes op eenzelfde basis kunnen worden vergeleken. De verwerende partij erkent vervolgens dat, “niettegenstaande het voorgaande”, het niet is toegelaten om in de samenvattende opmeting verbeteringen aan te brengen in de vermoedelijke hoeveelheden. De verwerende partij heeft de verbetering van de gekozen inschrijver voor de posten 16, 20 en 21 dan ook niet aanvaard. Bijgevolg werd de offerte van de gekozen inschrijver beoordeeld met inbegrip van prijzen voor de posten 16, 20 en 21, waarvoor deze een normale eenheidsprijs heeft opgegeven. Door aldus te handelen wordt volgens de verwerende partij de gelijkheid van de inschrijvers gevrijwaard. De offertes worden immers beoordeeld op grond van dezelfde uitgangspunten, namelijk onder de veronderstelling dat er specie zal moeten worden afgevoerd zoals voorzien in de posten 16, 20 en
- Waar de verzoekende partijen argumenteren dat de door de gekozen inschrijver aangebrachte verbetering van de vermoedelijke hoeveelheden noodzakelijk had moeten leiden tot de substantiële onregelmatigheid van de offerte, motiveert het gunningsverslag omstandig waarom dat niet het geval is, aldus de verwerende partij. De verbetering aangebracht door de gekozen inschrij- ver in de samenvattende opmeting werd ongedaan gemaakt. Er blijkt uit de nor- maal bevonden eenheidsprijzen niet dat de gekozen inschrijver gespeculeerd heeft dat de hoeveelheid voor deze post noodzakelijk 0 zou zijn. Volgens de verwerende partij is de verbintenis van de gekozen inschrijver aldus zeker en vaststaand. XII-8659-11/24 De verwerende partij beklemtoont nog dat de verbetering in de samenvattende opmeting door de gekozen inschrijver een niet-substantiële onregelmatigheid is. Zij verwijst in dat verband naar het arrest van de Raad van State nr. 241.893 van 25 juni 2018 waarin de Raad volgens haar tot de conclusie kwam dat “opmerkingen” van een inschrijver betreffende de vermoedelijke hoeveelheden niet tot de substantiële onregelmatigheid van de offerte dienden te leiden. Voorts wijst de verwerende partij er nog op dat de regeling inzake het wijzigen van vermoedelijke hoeveelheden werd gewijzigd in het nieuwe overheidsopdrachtenrecht. Zulks is volgens haar een bijkomend argument om de vergissing van de gekozen inschrijver te kwalificeren als een niet-substantiële onregelmatigheid. Volgens de vroegere regeling was het toegestaan de vermoedelijke hoeveelheden te verbeteren, tenzij verboden in de opdracht- documenten. De nieuwe bepaling van artikel 79, §2, 2°, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 staat een dergelijke verbetering niet langer toe, tenzij de opdrachtdocumenten die mogelijkheid bieden. 8.2.
- De verwerende partij doet voorts gelden dat de wijziging die zijzelf doorvoerde van de samenvattende opmeting van de gekozen inschrijver in overeenstemming is met “de wet”. Wat de toepassing van artikel 34 van het koninklijk besluit plaatsing 2017 betreft wijst zij erop dat het op nul zetten van de vermoedelijke hoeveelheden immers mag worden verbeterd als materiële vergissing met toepassing van artikel 79, § 2, 2°, van het koninklijk besluit plaatsing
- Er bestaat volgens de verwerende partij geen twijfel over de intenties van de gekozen inschrijver, deze wenste enkel een opmerking te maken, weliswaar gestoeld op een vergissing, maar geen voorbehoud te formuleren. Voorts steunt de bestreden beslissing niet enkel op artikel 34 van het koninklijk besluit plaatsing 2017 maar ook op artikel 86 van datzelfde besluit. Hieruit volgt volgens de verwerende partij dat het de aanbesteder is om de opmerkingen van de gekozen inschrijver te beoordelen en bij afwijzing ervan, de samenvattende opmeting te verbeteren in de zin dat met de opmerkingen geen rekening wordt gehouden in de prijsbepaling. XII-8659-12/24 8.2.
- Ten slotte doet de verwerende partij nog gelden dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij het middel: “Tot slot dient te worden vastgesteld dat verzoekende partij zélf ook is afgeweken van een in het bestek bepaalde waarde, namelijk van het volume van 164.996 m3 maximaal toe te passen baggerspecie met de kwaliteit NV-bouwstof in het dijklichaam […]. Indien de waarden bepaald in het bestek zouden gelden als substantiële technische eisen, wat verzoekende partij lijkt te stellen, quod non, zou dus ook de offerte van verzoekende partij onregelmatig verklaard worden, zodat zij geen belang heeft bij deze argumentatie.” 8.3.
- De tussenkomende partij wijst in haar verzoekschrift erop dat haar offerte niet substantieel onregelmatig is. Zij betoogt dat in artikel 79 van het koninklijk besluit plaatsing 2017 voorzien is in de mogelijkheid om vermoe- delijke hoeveelheden te verbeteren; zij ziet niet in hoe het gebruik van die mogelijkheid tot een substantiële onregelmatigheid zou leiden. In de bestreden beslissing voert de verwerende partij het nazicht zoals bepaald in artikel 86 van het koninklijk besluit plaatsing
- Indien er al sprake zou zijn van een onregelmatigheid, dan is deze geenszins substantieel. Het voorstellen van een verbetering van vermoedelijke hoeveelheden in strijd met artikel 79, § 2, 2°, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 wordt in artikel 76 van datzelfde besluit niet vermeld als een onregelmatigheid die uit zichzelf substantieel is. Ook de tussenkomende partij verwijst naar het voornoemde arrest nr. 241.893 van 25 juni 2018 waarin volgens haar werd geoordeeld dat een voorstel tot verbetering van vermoedelijke hoeveelheden geen substantiële onregelmatigheid uitmaakt. Voorts blijkt niet dat het te dezen om een onregelmatigheid in haar offerte gaat die de vergelijking met de andere offertes onmogelijk maakt. Dat er een weerslag is op de prijzen is volgens de tussenkomende partij inherent aan het wijzigen van vermoedelijke hoeveelheden zoals toegelaten door artikel 79 van het koninklijk besluit plaatsing
- Volgens de tussenkomende partij maakt haar offerte, anders dan de verzoekende partijen beweren, geen inbreuk op de essentiële vereisten van het XII-8659-13/24 bestek. De in het bestek vermelde aannames inzake dichtheid in situ en volumereductie zijn geen dergelijke eisen maar loutere voorwaarden die de inschrijvers dienden aan te nemen als kader waarbinnen in het licht van het tweede gunningscriterium een voorstel diende te worden geformuleerd. Er werd van de inschrijvers een eigen onderzoek verwacht. Voorts heeft de tussenkomende partij naar eigen zeggen deze aannames niet miskend in haar offerte. De wijziging van de vermoedelijke hoeveelheden is enkel relevant voor het eerste gunningscriterium, het offertebedrag, maar niet voor het tweede gunningscriterium, de valorisatie van de baggerspecie. De tussenkomende partij wijst erop dat er geen twijfel bestaat over de aangeboden prijzen en het vaststaand karakter ervan. Zij heeft immers bij de betrokken posten steeds een eenheidsprijs vermeld. De kritiek als zou er twijfel bestaan over de gehoudenheid van de tussenkomende partij om zo nodig het afvoeren van baggerspecie naar de Sterhoek uit te voeren aan de aangeboden eenheidsprijzen kan dan ook niet worden bijgevallen. 8.3.
- De tussenkomende partij werpt voorts dezelfde exceptie van gebrek aan belang bij het middel op als de verwerende partij die inhoudt dat indien de argumentatie van de verzoekende partijen wordt gevolgd, ook hun offerte substantieel onregelmatig zou zijn. Voorts hebben de verzoekende partijen geen belang bij de kritiek in zoverre die de toepassing door de verwerende partij betreft van artikel 34 van het koninklijk besluit plaatsing
- De tussenkomende partij doet hier gelden dat de verbetering van een aanpassing in de vermoedelijke hoeveelheden dient te gebeuren op grond van artikel 86 van hetzelfde besluit. De verwerende partij heeft deze bepaling toegepast. De verwijzing naar artikel 34 in het gunningsverslag is overbodig. 8.3.
- Daarnaast wijst de tussenkomende partij erop dat zij in de bij haar offerte gevoegde nota niet enkel artikel 79, § 2, 2º, (inzake verbetering van vermoedelijke hoeveelheden) van het meer vermelde besluit heeft ingeroepen maar ook artikel 79, § 2, 3º, ( inzake leemten) als grondslag voor de verbetering. Die laatste bepaling vereist niet dat verbeteringen moeten worden toegelaten in het bestek. XII-8659-14/24 Beoordeling 9.
- Overeenkomstig artikel 83 van de wet van 17 juni 2016 „inzake overheidsopdrachten‟ onderzoekt de aanbestedende overheid de regelmatigheid van de offertes. Artikel 79 van het koninklijk besluit plaatsing 2017 luidt: “§
- Indien bij de opdrachtdocumenten een samenvattende opmeting of inventaris is gevoegd, vult de inschrijver deze in en maakt hij de nodige berekeningen. §
- De inschrijver voert, rekening houdende met de opdrachtdocumenten, zijn beroepskennis of persoonlijke vaststellingen, verbeteringen door voor : 1° de fouten die hij ontdekt in de forfaitaire hoeveelheden; 2° de fouten die hij ontdekt in de vermoedelijke hoeveelheden waarvoor de opdrachtdocumenten een dergelijke verbetering toelaten en op voorwaarde dat de voorgestelde verbetering minstens tien percent in meer of in min van de hoeveelheid van de post in kwestie bedraagt; 3° de leemten in de samenvattende opmeting of inventaris. Hij voegt bij zijn offerte een nota ter verantwoording van deze verbeteringen.” Overeenkomstig dit artikel 79, § 2, eerste lid, 2º, mogen de inschrijvers – anders dan in de vroegere regeling - de in de samenvattende opmeting vermelde vermoedelijke hoeveelheden dus enkel wijzigen in zoverre de opdrachtdocumenten dat toestaan. Indien de opdrachtdocumenten het wijzigen van vermoedelijke hoeveelheden niet uitdrukkelijk toestaan, is zulks dus verboden. Te dezen staat het bestek de inschrijvers niet toe om vermoedelijke hoeveelheden te wijzigen. Dat wordt ook uitdrukkelijk erkend door de verwerende partij. De bij het bestek gevoegde samenvattende opmeting vermeldt bij de drie posten VWD2 16, 20 en 21, die alle betrekking hebben op het afvoeren van baggerspecie naar de speciebergingslocatie Sterhoek, een vermoedelijke hoeveelheid van 117.504 ton. XII-8659-15/24 In de offerte van de gekozen inschrijver zijn de vermoedelijke hoeveelheden van de drie voornoemde posten, in weerwil van de geldende regelgeving, toch verbeterd, namelijk naar een vermoedelijke hoeveelheid van nul. Deze inschrijver heeft bij zijn offerte een “rechtvaardigende nota in de zin van artikel 79, § 2, van het koninklijk besluit plaatsing 18 april 2017” gevoegd, waarin hij zijn redenen uiteenzet om de vermoedelijke hoeveelheden te verbeteren. Hij vermeldt daarin ook dat, ingevolge de door hem aangebrachte wijziging van de vermoedelijke hoeveelheden van de voornoemde posten, de kosten voor het betrokken werk wat die posten betreft door hem werden “geforfaitiseerd”. Er wordt ook vermeld: “Bovendien zijn de VH-posten 16, 20 en 21 te beschouwen als „communicerende vaten‟ met de FH-post 19 van VWG 2 en de FH-posten 6 en 7 van VWG 3, waarvoor wij op basis van het eigen aanbiedingsontwerp en plan van aanpak de volumes moeten inschatten en forfaitiseren. Door deze FH-posten te creëren, worden de posten 16, 20 en 21 overbodig.” Er moet nu reeds worden opgemerkt dat het te dezen aldus niet louter gaat om het rechtzetten van een fout in een enkele vermoedelijke hoeveelheid, maar wel degelijk om het aanpassen van de samenvattende opmeting overheen diverse posten, met zowel vermoedelijke als forfaitaire hoeveelheden, in het licht van de door de gekozen inschrijver voorgestelde uitvoeringswijze van de opdracht. In het gunningsverslag wordt de betrokken verbetering van de vermoedelijke hoeveelheden van de drie voornoemde posten, doorgevoerd door de gekozen inschrijver in zijn offerte, niet aanvaard omdat een dergelijke verbetering niet is toegestaan in de opdrachtdocumenten en dus verboden met toepassing van artikel 79 van het meer vermelde besluit. De verwerende partij beschouwt die verbetering echter als een niet-substantiële onregelmatigheid en maakt de wijzigingen aangebracht door de gekozen inschrijver ongedaan door de wél door de gekozen inschrijver opgegeven eenheidsprijs voor de drie posten te vermenigvuldigen met de initieel in de samenvattende opmeting vermelde vermoedelijke hoeveelheid. Aldus wordt de offerte geregulariseerd . XII-8659-16/24 9.
- In de eerste plaats dient er te worden opgemerkt dat niet blijkt op welke rechtsgrond de verwerende partij de offerte van de gekozen inschrijver vermocht te regulariseren. 9.2.
- In het gunningsverslag verwijst de verwerende partij naar artikel 34 van het koninklijk besluit plaatsing
- Dit luidt : “§
- De aanbestedende overheid verbetert de offertes in functie van de door haar of een inschrijver vastgestelde rekenfouten en zuiver materiële fouten in de opdrachtdocumenten. §
- De aanbestedende overheid verbetert de rekenfouten en zuiver materiële fouten in de offertes, zonder aansprakelijk te zijn voor de niet ontdekte fouten. […]”. Het artikel verleent de aanbestedende overheid dus de mogelijkheid om rekenfouten en zuiver materiële fouten in de offertes te verbeteren. Een rekenfout is niet meer dan een fout die gemaakt is bij het rekenen. Met het begrip “materiële fout” is een verschrijving of vergissing bedoeld, begaan bij de materiële verrichtingen die gepaard gaan met het opstellen van een offerte zoals uitschrijven, invullen en overbrengen van cijfergegevens. Te dezen lijkt er echter geen sprake van een rekenfout of een zuiver materiële fout. Het wijzigen van de vermoedelijke hoeveelheden lijkt immers een welbewuste keuze van de gekozen inschrijver te zijn geweest in het kader van de door hem gekozen uitvoeringswijze van de opdracht en gesteund op een eigen technische en economische logica. Anders dan de verwerende partij lijkt te doen gelden in de nota kan prima facie niet worden aanvaard dat een materiële fout in de zin van artikel 34 van het meer vermelde besluit betrekking zou kunnen hebben op de concrete toepassing van bepalingen van het overheidsopdrachtenrecht als dusdanig bij het opstellen van de offerte. Deze interpretatie lijkt het kader van de in het artikel bedoelde materiële fout te buiten te gaan. XII-8659-17/24 Aldus dient te worden vastgesteld dat de verwerende partij zich in de bestreden beslissing prima facie ten onrechte beroept op artikel 34 van het koninklijk besluit plaatsing
- 9.2.
- In de nota, maar niet in de bestreden beslissing, verwijst de verwerende partij in tweede orde naar artikel 86 van het koninklijk besluit plaatsing 2017 als rechtsgrond voor het regulariseren van de offerte van de gekozen inschrijver. Ook de tussenkomende partij verwijst naar die bepaling. Artikel 86, § 1, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 luidt: “§
- Wanneer een inschrijver, overeenkomstig de artikelen 34 en 79, § 2, de hoeveelheid van één of meer posten van de samenvattende opmeting of inventaris heeft verbeterd, ziet de aanbestedende overheid die wijzigingen na, verbetert ze zo nodig volgens eigen berekeningen en wijzigt desgevallend de opmetingen of inventarissen gevoegd bij de offertes. Voor de inschrijver die een vermindering heeft voorgesteld met toepassing van artikel 79, § 2, 2°, wordt de totale prijs die overeenstemt met de aldus verminderde hoeveelheid een forfaitaire prijs, op voorwaarde en in de mate dat de aanbestedende overheid deze verbetering aanvaardt. Wanneer de aanbestedende overheid de wijzigingen van een post met vermoedelijke hoeveelheden niet door eigen berekeningen kan nazien, brengt zij de voorgestelde verhoging of verlaging van de hoeveelheid terug tot de oorspronkelijke hoeveelheid van de opmeting of inventaris.” Anders dan de verwerende en ook de tussenkomende partij hier doen gelden lijkt het echter niet dat de bestreden beslissing steun heeft gezocht in die bepaling om de betrokken offerte te regulariseren. Er blijkt aldus niet dat de verwerende partij deze bepaling op dit punt heeft willen toepassen bij het nemen van de bestreden beslissing. Deze vaststelling lijkt op het eerste gezicht te kunnen volstaan om de verwijzing naar dat artikel te verwerpen als niet dienstig. 9.2.
- Er dient te worden besloten, minstens in de huidige stand van het geding, dat aldus niet blijkt op welke rechtsgrond de verwerende partij de offerte van de gekozen inschrijver vermocht te regulariseren. Het wijzigen door de verwerende partij van de offerte van de gekozen inschrijver lijkt dan ook als onrechtmatig te moeten worden aangemerkt. XII-8659-18/24
- De bestreden beslissing aanvaardt het niet-substantiële karakter van de onregelmatigheid van de offerte van de gekozen inschrijver en motiveert zulks op diverse gronden. Deze dienen om de hierna volgende redenen te worden verworpen. 10.
- In de eerste plaats wordt in de bestreden beslissing vastgesteld dat er te dezen geen onregelmatigheid voorhanden was die in artikel 76, §1, vierde lid, 1°- 3°, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 als substantieel wordt aangemerkt. Dat artikel 76, § 1, luidt: “§
- De aanbestedende overheid gaat na of de offertes regelmatig zijn. De offerte kan substantieel of niet substantieel onregelmatig zijn. Een offerte is substantieel onregelmatig wanneer ze van aard is de inschrijver een discriminerend voordeel te bieden, tot concurrentievervalsing te leiden, de beoordeling van de offerte van de inschrijver of de vergelijking ervan met de andere offertes te verhinderen, of de verbintenis van de inschrijver om de opdracht onder de gestelde voorwaarden uit te voeren onbestaande, onvolledig of onzeker te maken. De volgende onregelmatigheden worden met name als substantieel beschouwd : 1° de niet-naleving van het milieu-, sociaal of arbeidsrecht, voor zover deze niet-naleving strafrechtelijk gesanctioneerd wordt; 2° de niet-naleving van de vereisten bedoeld in de artikelen 38, 42, 43, § 1, 44, 48, § 2, eerste lid, 54, § 2, 55, 83 en 92 van dit besluit en in artikel 14 van de wet, voor zover zij verplichtingen bevatten ten aanzien van de inschrijvers; 3° de niet-naleving van de minimale eisen en de vereisten die als substantieel worden aangemerkt in de opdrachtdocumenten.” De opsomming van substantiële onregelmatigheden in dit artikel is echter niet limitatief – getuige daarvan het woord “met name” dat de opsomming inleidt - en dient als exemplatief te worden beschouwd. In dat licht is het niet van doorslaggevend belang dat artikel 79 inzake het verbeteren van vermoedelijke hoeveelheden niet wordt vermeld in de opsomming van artikel 76, § 1, vierde lid, 2º. Het is evenmin decisief dat het bestek het verbod op het wijzigen van vermoedelijke hoeveelheden niet uitdrukkelijk als substantieel heeft aangemerkt. XII-8659-19/24 Dat het om een complexe opdracht gaat waarvoor de inschrijvers zelf studiewerk dienen te verrichten en dat de uitgangspunten achter het wijzigen van de samenvattende opmeting overtuigend zouden zijn, zoals de verwerende partij meermaals benadrukt in het gunningsverslag en in de nota, kan op zich geen afbreuk doen aan het principieel niet-toegelaten zijn van het wijzigen van vermoedelijke hoeveelheden in de samenvattende opmeting. 10.
- Anders dan de verwerende partij doet gelden in het gunnings- verslag lijkt de onregelmatigheid in de offerte van de gekozen inschrijver reeds op het eerste gezicht wel degelijk de beoordeling van de offerte van deze inschrijver of de correcte vergelijking ervan met de andere offertes te kunnen verhinderen. Het lijkt dat te dezen, na de wijziging ervan door de verwerende partij, deze een offerte in vergelijking heeft gesteld die niet degene is die de gekozen inschrijver heeft ingediend. In elk geval, zo lijkt het, mocht een offerte die was ingediend met gewijzigde vermoedelijke hoeveelheden en tevens wijzigingen aan andere posten niet te mogen worden vergeleken met offertes van andere inschrijvers die de samenvattende opmeting wél ongewijzigd hebben gelaten en correct hebben ingevuld. Dat de gekozen inschrijver voor de betrokken posten een “normale eenheidsprijs” zou hebben opgegeven voor de drie betrokken posten, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat hij de vermoedelijke hoeveelheden niet mocht wijzigen en door dat toch te doen een onregelmatige offerte heeft ingediend. Daarnaast kan op dit punt zelfs ten overvloede worden opgemerkt dat een eenheidsprijs die wordt opgegeven aan een vermoedelijke hoeveelheid van nul ton, niet zomaar door eenvoudige vermenigvuldiging mag worden geëxtrapoleerd naar een vermoedelijke hoeveelheid van 117.504 ton. Dergelijke handelwijze lijkt op het eerste gezicht niet onproblematisch naar de geboden eenheidsprijzen toe. Dit geldt a fortiori wanneer, zoals te dezen, uit de offerte blijkt dat de betrokken inschrijver de werken heeft “geforfaitiseerd” door andere posten te wijzigen. XII-8659-20/24 10.
- Voorts wordt in het gunningsverslag gesteld dat de vastgestelde onregelmatigheid en de verbetering ervan niet van een dergelijke aard zijn dat ze de verbintenis van de gekozen inschrijver om de opdracht onder de gestelde voorwaarden uit te voeren onbestaande, onvolledig of onzeker maken. Ook die stelling dient lijkt niet te mogen worden aanvaard. De gekozen inschrijver heeft zich door het indienen van zijn offerte immers enkel verbonden om de opdracht uit te voeren aan de hand van de door hem ten onrechte gewijzigde samenvattende opmeting. De opdracht werd hem echter gegund op grond van een door de aanbestedende overheid – op onrecht- matige wijze - geregulariseerde samenvattende opmeting. Aldus dient te worden vastgesteld dat, reeds prima facie, de inschrijver zich in elk geval niet lijkt te hebben verbonden tot het uitvoeren van de opdracht onder de in de bij het bestek gestelde voorwaarden vervat in de bij het bestek gevoegde samenvattende opmeting. 10.
- In de nota en het verzoekschrift tot tussenkomst wordt verwezen naar het arrest van de Raad van State nr. 241.893 van 25 juni
- Die verwijzing doet geen afbreuk aan het voorgaande en leidt niet tot een ander besluit. In de zaak die aan de grondslag lag van dat arrest had de betrokken inschrijver immers de vermoedelijke hoeveelheden in de samenvattende opmeting zelf ongewijzigd gelaten en het verbod op het wijzigen daarvan als dusdanig niet overtreden. Wel had hij bij zijn offerte een nota gevoegd met een opmerking inzake de vermoedelijke hoeveelheden. De Raad van State kwam tot het oordeel dat het bijvoegen van een dergelijke nota -zonder de samenvattende opmeting te wijzigen- een niet-substantiële onregelmatigheid uitmaakte en niet inhield dat twee offertes waren ingediend. Te dezen werd evenwel, zoals reeds hoger opgemerkt, de samenvattende opmeting wel degelijk gewijzigd. Dit is een situatie die fundamenteel verschilt van degene die aan de orde komt in het voornoemde arrest. In de nota wordt nog opgemerkt dat het nieuwe overheidsopdrachtenrecht op het punt van het toegelaten zijn van het wijzigen van vermoedelijke hoeveelheden verschilt van het overheidsopdrachtenrecht onder de gelding van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 „plaatsing overheidsopdrachten klassieke sectoren‟. Dit is dan volgens de verwerende partij een bijkomend XII-8659-21/24 argument om niet tot een substantiële onregelmatigheid te beslissen. Die stelling wordt niet aanvaard. De verwerende partij geeft geen redenen aan op grond waarvan te dezen de betrokken rechtsdwaling ertoe zou moeten leiden om geldende rechtsnormen buiten werking te laten. 10.
- Er moet nog worden opgemerkt dat de stelling in de nota dat de gekozen inschrijver enkel een “opmerking” wenste te maken “weliswaar gestoeld op een vergissing” en geen voorbehoud wou formuleren, reeds op het eerste gezicht lijkt in te druisen tegen de werkelijkheid. Indien de gekozen inschrijver louter een niet-bindende opmerking wenste te maken, zou hij immers, zo lijkt het, de samenvattende opmeting niet hebben gewijzigd. 10.
- Er moet ten slotte nog worden vermeld dat de opmerking van de tussenkomende partij, dat haar verbeteringen in de vermoedelijke hoeveelheden niet enkel berusten op artikel 79, § 2, eerste lid, 2º, (vermoedelijke hoeveelheden) maar ook op artikel 79, § 2, eerste lid, 3º, (leemten) van het koninklijk besluit plaatsing 2017, niet pertinent is. De verbeteringen aan de vermoedelijke hoeveelheden lijken immers niet op te kunnen berusten op een leemte in de samenvattende opmeting. Een leemte is immers het ontbreken van een post voor een bepaalde prestatie die is uit te voeren, met andere woorden een leemte is een gemis. Te dezen was er daarentegen wel degelijk een post opgenomen in de samenvattende opmeting voor de betrokken werken, zodat bij het verbeteren van de vermoedelijke hoeveelheden in de samenvattende opmeting er enkel sprake kan zijn van een toepassing van artikel 79, § 2, eerste lid, 2º, van het koninklijk besluit plaatsing
- Overigens wordt in het gunningsverslag vermeld : “ De aanbestedende overheid ging tevens na of er sprake is van leemtes in de zin van artikel 86, § 2, KB Plaatsing. Er werden geen leemtes vastgesteld.” Het lijkt dan ook dat de verwerende partij te dezen in het gunningsverslag tot de substantiële onregelmatigheid van de offerte van de gekozen inschrijver had moeten besluiten. Deze inschrijver heeft immers vermeende fouten in de vermoedelijke hoeveelheden verbeterd zonder dat de opdrachtdocumenten dat toestonden en hij heeft dus in elk geval gehandeld met schending van het meer vermelde artikel 79, § 2, 2°. Door de offerte niet te weren XII-8659-22/24 lijkt de verwerende partij te hebben gehandeld met schending van de in het middel ingeroepen rechtsnormen, minstens zonder rechtsgrond. 11.
- Het eerste middel dient in de besproken mate ernstig te worden bevonden. 11.
- De exceptie inzake het belang bij het middel die de verwerende partij en de tussenkomende partij opwerpen,en waarbij zij de verzoekende partijen aanwrijven dat zij zelf zijn afgeweken van het bestek, dient te worden verworpen. Het blijkt immers niet dat deze vermeende onregelmatigheid door de verwerende partij is vastgesteld laat staan ingeroepen om de betrokken offerte te weren. Ten overvloede lijkt het ook niet dat de verzoekende partijen dezelfde onrecht- matigheid hebben begaan als de gekozen inschrijver bij het opstellen van hun offerte en eveneens vermoedelijke hoeveelheden in de samenvattende opmeting wederrechtelijk hebben gewijzigd.
- Het lijkt niet dat de andere twee middelen die de verzoekende partijen aanvoeren in het verzoekschrift tot een verdergaande schorsing van de uitvoering van de bestreden gunningsbeslissing zouden kunnen leiden. Het tweede middel betreft de beoordeling van de offertes aan de hand van het tweede gunningscriterium, het derde middel betreft gebreken in het prijsonderzoek. Er werd hiervoor reeds vastgesteld dat de offerte van de gekozen inschrijver had moeten worden geweerd in een eerdere fase van de gunningsprocedure. Deze middelen dienen dan ook in de huidige stand van het geding niet te worden onderzocht.
- Aldus is er evenmin grond om in de huidige stand van de zaak in te gaan op de door de verzoekende partijen geformuleerde verzoeken inzake het heffen van de vertrouwelijkheid of het onderzoeken van de vertrouwelijke stukken aan de hand van de door hen voorgestelde vragenlijst. IX. Besluit
- Het eerste middel is in de aangegeven mate ernstig bevonden. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dient dan ook te XII-8659-23/24 worden ingewilligd. Het is passend, gelet op de hierna ingewilligde vordering tot schorsing en het daaropvolgende nog noodzakelijke procedureverloop, de kosten, de gevorderde rechtsplegingsvergoedingen inbegrepen, in beraad te houden. BESLISSING
- Het verzoek van de nv Deme Environmental Contractors tot tussenkomst wordt ingewilligd.
- De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de nv van publiek recht de Vlaamse Waterweg van 23 november 2018 waarbij de overheidsopdracht voor werken met als voorwerp “Beneden-Durme te Waasmunster, Zele en Lokeren – onderhoudsbaggerwerken en renovatie van het GOG Potpolder IV” (bestek AZZ-18-0004) wordt gegund aan de nv DEME Environmental Contractors, voor een bedrag van 16.914.283.78 euro, btw niet inbegrepen.
- De Raad van State verwerpt de vordering voor het overige. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 8 januari 2019, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-8659-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.353 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.943 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.