← België

Arrest 243358 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 08/01/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.358 Rolnummer: A. 227064/X-17405 Zaak: Arrest 243358 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 08/01/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-01-08 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-25 00:56 Fiche Arrest nr 243.358 van 8 januari 2019 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 243.358 van 8 januari 2019 in de zaak A. 227.064/X-17.

  1. In zake : Guido VRIJENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Cies Gysen en Wouter Rubens kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENTE RIEMST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rob Valkeneers kantoor houdend te 3600 Genk Europalaan 50 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : Claudia SWENNEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Chris Schijns en Steven Menten kantoor houdend te 3600 Genk Grotestraat 122 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  2. De vordering, ingesteld op 26 december 2018, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de gemeenteraad van de gemeente Riemst van 10 december 2018 waarbij (onder meer) de gemeenteraadsbeslissing van 14 mei 2018 houdende “oproepingsbeslissing – algemeen directeur” wordt ingetrokken. X-17.405-1/16 Tevens wordt, ondergeschikt, gevraagd aan de gemeente een voorlopige maatregel op te leggen die “voorkomt dat de gemeenteraad beslist tot vacantverklaring van het ambt van algemeen directeur met een invulling ervan via een open aanwervings- en/of bevorderingsprocedure, alvorens [de] Raad ten gronde uitspraak heeft gedaan over de aanstelling van [G. Vrijens] als algemeen directeur van rechtswege van de gemeente en het OCMW van Riemst”. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Met een verzoekschrift van 2 januari 2019 heeft Claudia Swennen gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 januari 2019, om 10 uur. Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Wouter Rubens, die verschijnt voor verzoeker, advocaat Rob Valkeneers, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Chris Schijns, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. X-17.405-2/16 III. Juridisch kader en feiten
  5. Gelet op artikel 162, § 1, eerste lid, van het decreet van 22 december 2017 „over het lokaal bestuur‟ (hierna: het decreet lokaal bestuur) – bepaling die op 1 januari 2019 in werking is getreden – is er in elke gemeente een algemeen directeur die ten dienste staat van zowel de gemeente als het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW) dat de gemeente bedient. In de overgangsbepaling van artikel 583, § 1, die in werking is getreden op 25 februari 2018, wordt voorgeschreven: “Als de titularis van het ambt van gemeentesecretaris en de titularis van het ambt van secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient verschillende personen zijn, of als maar een van beide ambten ingevuld is, kan de gemeenteraad de titularissen of, in voorkomend geval, de titularis, oproepen om zich binnen dertig dagen kandidaat te stellen voor het ambt van algemeen directeur. Na het verstrijken van de termijn stelt het college van burgemeester en schepenen vast wie zich tijdig en ontvankelijk kandidaat heeft gesteld. Als maar een van de personen, vermeld in het eerste lid, zich tijdig kandidaat heeft gesteld, wordt die persoon bij het verstrijken van de termijn om zich kandidaat te stellen, met behoud van zijn dienstverband, van rechtswege aangesteld als algemeen directeur bij de gemeente. Als twee van de personen, vermeld in het eerste lid, zich tijdig kandidaat stellen, stelt de gemeenteraad uiterlijk op 1 augustus 2018 op basis van een systematische vergelijking van de titels en verdiensten een van hen met behoud van zijn dienstverband aan als algemeen directeur. Als geen van de personen, vermeld in het eerste lid, zich tijdig kandidaat stelt of als de gemeenteraad geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid vermeld in het eerste lid, vult de gemeenteraad het ambt in door aanwerving of bevordering. De gemeenteraad stelt de voorwaarden vast voor het ambt van algemeen directeur en stelt daarvoor de selectieprocedure vast. De algemeen directeur wordt gekozen in functie van de functiebeschrijving met functieprofiel en competentievereisten en van de toetsing aan de voorwaarden.” 4.
  6. Op 14 mei 2018 besluit de gemeenteraad van de gemeente Riemst met een “oproepingsbeslissing – algemeen directeur” om “de zittende secretarissen van de gemeente en het OCMW overeenkomstig artikel 583, § 1 DLB [decreet lokaal bestuur] op te roepen om zich kandidaat te stellen binnen een termijn van dertig dagen na oproeping voor het ambt van algemeen X-17.405-3/16 directeur”. Aan het college van burgemeester en schepenen wordt opdracht gegeven om de betrokken functiehouders schriftelijk uit te nodigen. Tevens beslist de gemeenteraad onder andere de functiebeschrijving goed te keuren en in een wervingsreserve te voorzien. 4.
  7. Door het college van burgemeester en schepenen worden verzoeker en C. Swennen uitgenodigd om zich kandidaat te stellen. Verzoeker is sinds 1998 als gemeentesecretaris in dienst van de verwerende partij. C. Swennen is op 30 januari 2018 door de raad van maatschappelijk welzijn “statutair aangesteld als secretaris met een proeftijd van twaalf maanden”. Zij legde op 27 maart 2018 de eed af en volgt vanaf 1 april 2018 OCMW-secretaris J. G. op, die met ingang van die datum op pensioen wordt gesteld. Beiden stellen zich kandidaat. De twee kandidaatstellingen worden ontvankelijk bevonden. 4.
  8. Na proeven en een vergelijking van titels en verdiensten, besluit de gemeenteraad op 9 juli 2018 om C. Swennen met ingang van 1 augustus 2018 aan te stellen als algemeen directeur van de gemeente en het OCMW. 4.
  9. Op 10 september 2018 beslist de gemeenteraad verzoeker met ingang van 1 augustus 2018 aan te stellen als adjunct-algemeendirecteur. Hij stelt tegen die beslissing bij de Raad van State het beroep gekend onder nr. A. 226.653/X-17.370 in. 4.
  10. Met een besluit van 12 oktober 2018 schorst de gouverneur van de provincie Limburg, op klacht van verzoeker, het gemeenteraadsbesluit van 9 juli 2018 tot aanstelling van algemeen directeur in zijn uitvoering. Geoordeeld wordt “dat het besluit van de gemeenteraad van Riemst d.d. 9 juli 2018 houdende de aanstelling van mevrouw Claudia Swennen als algemeen directeur met ingang van 1 augustus 2018 voortvloeit uit een voorbereidend besluit van de gemeenteraad van Riemst d.d. 14 mei 201[8] op basis waarvan onterecht een oproeping tot kandidaatstelling werd verstuurd d.d. 17 mei 2018 naar mevrouw X-17.405-4/16 Claudia Swennen”. “Aangezien”, immers, “mevrouw Swennen op 25 februari 2018 [datum van de inwerkingtreding van artikel 583 van het decreet lokaal bestuur] geen titularis was van het ambt van secretaris van het OCMW van Riemst, en de gemeenteraad besloten had om de zittende secretarissen van de gemeente en het OCMW van Riemst overeenkomstig artikel 583, § 1 DLB op te roepen om zich kandidaat te stellen voor het ambt van algemeen directeur, kon men mevrouw Swennen niet oproepen om zich kandidaat te stellen”. 4.
  11. Onder verwijzing naar de motivering in het schorsingsbesluit van de provinciegouverneur trekt de gemeenteraad op 10 december 2018 zijn voormelde besluiten van 9 juli 2018 (artikel 1), 14 mei 2018 (artikel 2) en 10 september 2018 (artikel 3) in. De in artikel 2 bedoelde intrekking maakt de thans bestreden beslissing uit. IV. Tussenkomst
  12. C. Swennen vraagt op goede grond in het debat te mogen tussenkomen. Haar belangen zijn bij de zaak betrokken. V. Ontvankelijkheid van de vordering tot schorsing Exceptie
  13. Volgens de verwerende partij heeft verzoeker geen belang bij de vordering: - Indien de gemeente zou hebben gekozen voor een handhaving in plaats van voor een intrekking, zou de tussenkomende partij zijn aangebleven als algemeen directeur. - De gemeente heeft “precies uitvoering gegeven aan het schorsingsbesluit van de provinciegouverneur”; niet alleen het geschorste besluit moest worden ingetrokken, maar ook “de voorbereidende onregelmatige besluiten die daarmee samenhingen”. X-17.405-5/16 - Verzoeker is thans waarnemend algemeen directeur en heeft “minstens nog steeds de mogelijkheid om desgevallend mee te dingen in een open procedure naar de functie van algemeen directeur”.
  14. Ook de tussenkomende partij meent dat verzoeker zonder belang is. Immers zou bij niet-intrekking de tussenkomende partij algemeen directeur zijn gebleven. Voorts meent zij dat de bestreden beslissing “alle opties open[houdt] omtrent de aanstelling van het ambt van algemeen directeur, met inbegrip van de eventuele van rechtswege aanstelling van de verzoekende partij als algemeen directeur”. Beoordeling
  15. De voorliggende vordering tot schorsing is niet tegen de intrekkingsbeslissing van de gemeenteraad van 10 december 2018 in haar geheel gericht, maar alleen tegen het afsplitsbare artikel 2 ervan, waarin meer bepaald wordt besloten de gemeenteraadsbeslissing van 14 mei 2018 in te trekken.
  16. In die beslissing van 14 mei 2018 besluit de gemeenteraad om voor de invulling van het ambt van algemeen directeur in eerste instantie alleen de zittende functiehouders in aanmerking te nemen. Verzoeker is er één van. Hij heeft er belang bij om die regeling behouden te zien. De omstandigheid dat hij in de toekomst nog altijd kan meedingen, in een open procedure, naar het ambt van algemeen directeur of dat beweerdelijk zelfs zijn aanstelling van rechtswege nog een mogelijkheid blijft, verandert dat niet.
  17. Het argument, ten slotte, dat de gemeente niets meer deed dan waartoe de gouverneur verplichtte, betreft niet de ontvankelijkheid van de vordering, maar de grond ervan.
  18. De excepties van gebrek aan belang worden verworpen. X-17.405-6/16 VI. Gegrondheid van de vordering tot schorsing A. Schorsingsvoorwaarden
  19. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. B. Voorwaarde van een ernstig middel Standpunt van de partijen
  20. Verzoeker leidt een tweede middel af “uit een manifeste schending van de materiële motiveringsplicht, zoals verankerd in art. 3 Wet Formele Motivering Bestuurshandelingen, évenals het zorgvuldigheids-, het redelijkheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur”. Toegelicht wordt dat bij de gemeenteraadsbeslissing van 14 mei 2018 werd besloten om de betrekking van algemeen directeur bij voorrang in te vullen via interne oproeping van de zittende secretarissen op basis van een weloverwogen en specifieke motivering en dat het thans bestreden besluit die gemeenteraadsbeslissing intrekt op grond van een motivering die “zowel foutief als kennelijk onvoldoende-/niet afdoende kwalificeert in het licht van de materiële motiveringsplicht en dit (o.a.) gelet de uiterst zwaarwichtige gevolgen die verwerende partij met deze beslissing in het leven roept”: - de verwijzing naar de theorie van de complexe administratieve rechtshandeling is niet correct; deze theorie kan niet zodanig worden aangewend dat de intrekking X-17.405-7/16 van een onwettige eindbeslissing zich uitstrekt tot een regelmatige voorbereidende beslissing of voorbeslissing; - de overweging dat er geen plicht bestaat om in de gegeven omstandigheden tot de ambtshalve aanstelling van verzoeker als algemeen directeur over te gaan, staat haaks op artikel 583, § 1, van het decreet lokaal bestuur; verzoeker is, gelet op de regelmatige gemeenteraadsbeslissing om de zittende secretarissen bij voorrang op te roepen voor de invulling van de betrekking van algemeen directeur, van rechtswege algemeen directeur vanaf 17 juni 2018; - in geen enkele overweging van de intrekkingsbeslissing wordt aangegeven waarom de motieven die eerder, in de gemeenteraadszitting van 14 mei 2018, noopten tot de besloten oproeping bij voorrang van de zittende secretarissen, thans niet langer aan de orde zouden zijn; - de schorsingsbeslissing van de toezichthouder is integraal gesteund op de onregelmatige oproeping van de tussenkomende partij; dit motief kan niet de wettigheid van de gemeenteraadsbeslissing van 14 mei 2018 aantasten aangezien hierin louter werd besloten tot de interne oproeping van de zittende secretarissen.
  21. In haar nota wijst de verwerende partij erop dat de voorbereidende beslissingen zijn ingetrokken met een verwijzing naar de beslissing van de toezichthoudende overheid die “uitdrukkelijk stelde dat ook de geviseerde voorbereidende beslissing behept was met een onregelmatigheid”. Verzoeker heeft in zijn klacht zelf kritiek geuit op dit voorbereidend besluit. Verzoeker laat volgens de verwerende partij ten onrechte uitschijnen dat het voorbereidend besluit regelmatig zou zijn: dat gaat in tegen het uitdrukkelijke oordeel van de provinciegouverneur; het gaat kennelijk niet op dat met de zittende secretarissen in de beslissing van 14 mei 2018 hijzelf en J. G., de voorganger van de tussenkomende partij, bedoeld zouden zijn.
  22. Van haar kant betoogt de tussenkomende partij dat er geen twijfel over kan bestaan dat zij sinds 30 januari 2018 titularis was van het ambt van secretaris van het OCMW. Haar aanstelling als algemeen directeur is volgens haar dan ook volkomen wettig zodat ze “nooit mocht geschorst worden, laat staan ingetrokken”. X-17.405-8/16 Beoordeling
  23. De verwerende partij heeft er op 14 mei 2018 uitdrukkelijk voor gekozen “om het ambt van algemeen directeur in te vullen via de oproeping van de huidige titularissen”. Zij motiveerde dat hierdoor zij een zo vlot en transparant mogelijke invulling wou, dat de huidige secretarissen het best geplaatst zijn voor die invulling en dat het zaak was de continuïteit en kwaliteit van de openbare dienstverlening op het hoogste ambtelijke niveau te garanderen. Met verzoeker wordt vastgesteld dat de bestreden intrekkingsbeslissing in niets daarop terugkomt.
  24. Wat dan wel de bestreden intrekking moet verantwoorden, is de motivering van de provinciegouverneur in zijn besluit van 12 oktober 2018 tot schorsing van de gemeenteraadsbeslissing van 9 juli 2018 tot aanstelling van de tussenkomende partij tot algemeen directeur. Met dit schorsingsbesluit geeft de provinciegouverneur gevolg aan verzoekers klacht tegen die aanstelling van de tussenkomende partij omdat zij bij gebrek aan een eedaflegging als OCMW-secretaris vóór 25 februari 2018 niet mocht zijn opgeroepen tot kandidaatstelling voor het ambt van algemeen directeur. Daarbij gaf verzoeker “volledigheidshalve” mee dat hij de toelaatbaarheid van haar oproeping tot kandidaatstelling “wel degelijk (nog) kan betwisten ingevolge het leerstuk van de complexe administratieve rechtshandeling”.
  25. In zijn besluit oordeelt de provinciegouverneur dat de tussenkomende partij niet overeenkomstig artikel 583, § 1, van het decreet lokaal bestuur mocht zijn opgeroepen om zich kandidaat te stellen voor het ambt van algemeen directeur. Ofschoon, volgens de gouverneur, de toezichtstermijn met betrekking tot dit oproepingsbesluit verstreken is, belet dit hem niet vast te stellen X-17.405-9/16 dat de rechtmatigheid van de uiteindelijke benoeming aangetast is: “Een benoemingsprocedure is een complexe administratieve rechtshandeling, hetgeen met zich meebrengt dat de rechtmatigheid van de eindbeslissing, de benoeming, aangetast wordt door de onrechtmatigheid van een voorbereidende beslissing of handeling”. In die omstandigheden kan, luidens het schorsingsbesluit van de gouverneur, “besloten worden dat het besluit van de gemeenteraad van Riemst d.d. 9 juli 2018 houdende de aanstelling van mevrouw Claudia Swennen als algemeen directeur met ingang van 1 augustus 2018 voortvloeit uit een voorbereidend besluit van de gemeenteraad van Riemst d.d. 14 mei 201[8] op basis waarvan onterecht een oproeping tot kandidaatstelling werd verstuurd d.d. 17 mei 2018 naar mevrouw Claudia Swennen”.
  26. Zoals het besluit van de gouverneur zich op het eerste gezicht laat begrijpen, is de aanstelling van de tussenkomende partij als algemeen directeur in haar uitvoering geschorst geworden, niet omdat het de gemeenteraad verboden was om op 14 mei 2018 te kiezen voor de toepassing van artikel 583, § 1, van het decreet lokaal bestuur en namelijk om het ambt van algemeen directeur in eerste instantie in te vullen via de oproeping van de titularissen van het ambt van gemeentesecretaris en van secretaris van het OCMW, en ook niet omdat verzoeker met toepassing van de gemeenteraadsbeslissing van 14 mei 2018 is opgeroepen om zich voor het ambt van algemeen directeur kandidaat te stellen. Reden voor de schorsing was alleen dat de tussenkomende partij op de datum van inwerkingtreding van voormeld artikel 583 – op 25 februari 2018 – geen titularis was van het ambt van secretaris van het openbaar OCMW, zodat zij onterecht door het college van burgemeester en schepenen werd opgeroepen om zich voor het ambt van algemeen directeur kandidaat te stellen en niet regelmatig voor het ambt in aanmerking kon worden genomen. Die oproeping van de tussenkomende partij gebeurde niet in de gemeenteraadsbeslissing van 14 mei
  27. Daarin is alleen, in abstracto, sprake van “de huidige secretarissen” of “de zittende functiehouders” of “de huidige X-17.405-10/16 titularissen” of “de zittende secretarissen”. De oproeping was integendeel het werk van het college van burgemeester en schepenen. Diens foutieve uitvoering vermag op zich niet de wettigheid van de gemeenteraadsbeslissing zelf te compromitteren.
  28. Uit het voorgaande volgt dat de enkele verwijzing naar de motivering van de provinciegouverneur op het eerste gezicht niet kan verantwoorden dat de verwerende partij dan maar tot de intrekking overgaat van (tevens) het gemeenteraadsbesluit van 14 mei 2018 om, ter wille van de continuïteit, de zittende secretarissen overeenkomstig artikel 583, § 1, van het decreet lokaal bestuur op te roepen zich kandidaat te stellen voor het ambt van algemeen directeur.
  29. Overigens blijkt ook de tussenkomende partij, getuige haar “[w]eerlegging” van het middel, van mening dat de motivering in de gemeenteraadsbeslissing van 10 december 2018, bestaande in een verwijzing naar de verantwoording in het besluit van de provinciegouverneur, niet deugt – zij het om een andere reden dan verzoeker aanvoert.
  30. Het middel is in de besproken mate ernstig. C. Voorwaarde van een uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunt van de partijen
  31. Verzoeker betoogt onder meer dat er een “reële kans”, zo al niet “vaststaande zekerheid”, bestaat dat de verwerende partij op korte termijn zal overgaan tot vacantverklaring van de betrekking van algemeen directeur van de gemeente en tot invulling ervan via een open aanwervings- of bevorderingsprocedure. Hij zegt zeer ernstige vermoedens te hebben dat de zitting waarop de gemeenteraad zich zal buigen over de wijze waarop de betrekking van algemeen directeur zal worden ingevuld, zal plaatsvinden kort na de installatievergadering in januari
  32. Die beslissingen en de openverklaring X-17.405-11/16 berokkenen verzoeker een morele schandvlek en imagoschade die onherroepelijk dreigen te worden indien hij wacht op een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of in een beroep tot nietigverklaring. Hij heeft zich gedurende zeer veel jaren ten volle ingezet voor de verwerende partij en zijn functie van gemeentesecretaris steeds naar behoren uitgeoefend; hij heeft een vlekkeloze loopbaan achter de rug. Hij kan de openverklaring van de betrekking van algemeen directeur dan ook niet anders ervaren dan als “een openbare blaam van onbekwaamheid en dit inzonderheid in relatie met het huidige gemeente- en OCMW-personeel”. Een onmiddellijke beoordeling door de Raad van State is nodig om de schade in hoofde van verzoeker te kunnen voorkomen.
  33. De verwerende partij werpt in de eerste plaats tegen dat verzoeker niet van de vereiste diligentie heeft doen blijken door de vordering pas op 28 december 2018 te hebben ingesteld, terwijl hij al op 11 december 2018 van de intrekkingsbeslissing op de hoogte was en er zelfs reeds sinds eind november 2018 van wist dat ze in aantocht was. De verwerende partij doet voorts gelden dat het verkeerd is dat de gemeenteraad al op 3 januari 2019 zou kunnen beslissen tot het vacant verklaren van de betrekking van algemeen directeur en het voeren van een open aanwervings- of selectieprocedure: “dit zou pas ten vroegste op de vergadering van 11/2/2019 […] kunnen gebeuren, maar de dagorde van de gemeenteraad in februari zal pas worden bepaald in de zitting van het college van burgemeester en schepenen op 30/01/2019”. Een “desgevallend te voeren open procedure”, waaraan verzoeker eventueel onder alle voorbehoud kan aan deelnemen, “geeft de kans aan alle gekwalificeerde belanghebbenden om deel te nemen aan een nieuwe, dit maal rechtmatige, procedure tot invulling van de functie van algemeen directeur”. Tevens impliceert, volgens de verwerende partij, het feit dat de gemeente ervoor zou opteren om de functie via een open procedure in te vullen, geen enkele blaam in hoofde van verzoeker. Het gaat niet op om in dit verband te X-17.405-12/16 verwijzen naar de rechtspraak van de Raad van State over de morele schandvlek of imagoschade in het ontslagcontentieux.
  34. Ook de tussenkomende partij is van oordeel dat verzoeker niet diligent heeft gehandeld door de vordering pas te hebben ingesteld “na verloop van 18 kalenderdagen na het nemen van de bestreden beslissing en bijna een maand na het voornemen om de bestreden beslissing te nemen”. Tevens meent zij dat het voornemen om de betrekking van algemeen directeur kortelings in te vullen via een open aanwervings- of bevorderingsprocedure niet wordt aangetoond. Beoordeling
  35. De gemeenteraad nam de bestreden beslissing op 10 december
  36. Verzoeker heeft er ‟s anderendaags feitelijk kennis van genomen. De voorliggende vordering is de vijftiende dag nadien, op 26 december 2018, ingesteld. Die handelwijze spreekt de aangevoerde hoogdringendheid niet tegen. Dat de in aanmerking te nemen termijn al vanaf eind november 2018, dit is tien dagen vooraleer de aangevochten beslissing werd genomen, zou zijn beginnen lopen (op het moment van de goedkeuring of bekendmaking van de agenda van de gemeenteraadszitting van 10 december 2018), is onzin.
  37. Nadat de gemeenteraad op 14 mei 2018 besloot om ten behoeve van “de continuïteit en kwaliteit van de openbare dienstverlening op het hoogste ambtelijke niveau”, voor de benoeming van een algemeen directeur een beroep te doen op de zittende secretarissen en nadat uit het besluit van de gouverneur van 12 oktober 2018 bleek dat de andere kandidaat dan verzoeker niet in aanmerking komt, trekt de gemeenteraad met de bestreden beslissing zijn besluit om een beroep te doen op de zittende secretarissen in op grond van wat vooralsnog als een drogreden moet worden beschouwd. X-17.405-13/16 De hieruit blijkende depreciatie en afwijzing van verzoeker, die al twintig jaar en – naar niet betwist wordt – vlekkeloos als gemeentesecretaris van de verwerende partij fungeert, wordt geacht hem een dusdanig zware morele opdoffer te geven dat een uiterst dringende noodzakelijkheid, die zich niet laat verenigen met een behandeling van de zaak in een beroep tot nietigverklaring noch zelfs maar in een gewone vordering tot schorsing, aannemelijk is.
  38. Daar komt bij dat zo weliswaar de tussenkomende partij blijkbaar gelooft dat het na de bestreden beslissing nog alle kanten uit kan gaan – “met inbegrip van de eventuele van rechtswege aanstelling van de verzoekende partij als algemeen directeur” – de gemeente zelf ogenschijnlijk niet die mening is toegedaan: zij lijkt in wezen nog alleen rekening te houden met een invulling van het ambt van algemeen directeur door aanwerving of bevordering. Wel zouden volgens de verwerende partij verdere stappen ter zake niet meer in januari 2019 te verwachten zijn, maar “ten vroegste” – en, gelet op artikel 585, § 1, van het decreet lokaal bestuur, op het eerste gezicht ook “ten laatste” – op 11 februari
  39. In zoverre de verwerende partij daarmee wil suggereren dat ook een schorsing volgens de gewone schorsingsprocedure tijdig het door verzoeker nagestreefde soelaas kon hebben geboden, vergist zij zich.
  40. De tweede en laatste voorwaarde voor een schorsing is eveneens vervuld. D. Conclusie
  41. Aangezien de voorwaarden voor de schorsing van de bestreden intrekking vervuld zijn, is er geen reden tot een uitspraak over de voorlopige maatregel die alleen in subsidiaire orde is gevorderd. X-17.405-14/16
  42. In het licht van de antecedenten, volgt uit de in het dictum uit te spreken schorsing dat verzoeker ten minste voorlopig moet worden beschouwd als “van rechtswege aangesteld als algemeen directeur bij de gemeente” overeenkomstig artikel 583, § 1, tweede lid, van het decreet lokaal bestuur. Althans in de huidige stand van de procedure komt immers verzoeker voor de enige persoon te zijn, bedoeld in het eerste lid van artikel 583, § 1, van het decreet lokaal bestuur, van wie het college van burgemeester en schepenen – op 28 juni 2018 – terecht heeft vastgesteld dat hij zich bij het verstrijken van de termijn daartoe, tijdig en ontvankelijk kandidaat heeft gesteld voor het ambt van algemeen directeur. BESLISSING
  43. De Raad van State laat Claudia Swennen toe in de procedure tussen te komen.
  44. De Raad van State beveelt de schorsing van het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Riemst van 10 december 2018 tot intrekking – in haar artikel 2 – van de gemeenteraadsbeslissing van 14 mei 2018 houdende “oproepingsbeslissing – algemeen directeur”, waarin onder meer besloten werd om de zittende secretarissen van de gemeente en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn op te roepen om zich kandidaat te stellen voor het ambt van algemeen directeur. X-17.405-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht januari 2019, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-17.405-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.358 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.968 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.