← België

Arrest 243359 - Varia (justitie) - 09/01/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.359 Rolnummer: A. 226262/XIV-37823 Zaak: Arrest 243359 - Varia (justitie) - 09/01/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-01-15 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-25 01:04 Fiche Arrest nr 243.359 van 9 januari 2019 Justitie - Varia (justitie) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 243.359 van 9 januari 2019 in de zaak A. 226.262/XIV-37.823 In zake: Tim STEEGEN wonend te 2580 Putte Lierbaan 147 bus 02/02 alwaar woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 10 september 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gemachtigde van de minister van Justitie van 20 juli 2018 inzake verzoekers beroep tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Antwerpen van 1 augustus
  2. Ook vraagt hij om tenminste zijn sportschutterslicentie terug toe te wijzen. II. Verloop van de rechtspleging
  3. Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 november
  4. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. XIV-37.823-1/6 Verzoeker, die verschijnt in persoon, en attaché Brecht Vandenberghe, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. Op 20 juli 2018 verwerpt de gemachtigde van de minister van Justitie verzoekers beroep tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Antwerpen van 1 augustus 2017 houdende de weigering van nieuwe aanvragen tot het verkrijgen van vergunningen tot het voorhanden hebben van drie vuurwapens. Deze beslissing steunt op de volgende motivering: “Aangezien u het voorwerp heeft uitgemaakt van één van de beslissingen bedoeld in artikel 5, § 4, 1°, 1°/1 en 4° van de wapenwet, meer bepaald het voorwerp te hebben uitgemaakt van een beslissing die een behandeling in een ziekenhuis beveelt zoals bedoeld in de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke, kan worden besloten dat u niet heeft voldaan aan de voorwaarde zoals voorzien in artikel 11, § 3, 3°, van de wapenwet. De door u ingediende aanvragen zijn bijgevolg onontvankelijk.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van het beroep - Ambtshalve exceptie inzake het belang Standpunt van het auditoraat en van verzoeker
  7. Het auditoraat komt bij zijn onderzoek van de bestreden beslissing ambtshalve tot de bevinding dat de verwerende partij niet anders kan XIV-37.823-2/6 dan de aanvragen van verzoeker te weigeren. De minister van Justitie dient zich te schikken naar de Wapenwet die te dezen in artikel 5, § 4 ervan bepaalt dat de vergunningsaanvraag van iemand die ooit gedwongen werd opgenomen, moet worden verworpen. Verzoeker van zijn kant stelt in het verzoekschrift vast dat een collocatie ervoor zorgt dat men hem het recht op wapenbezit ontneemt. Hij betreurt dat ten zeerste, daar zijn verleden hem blijft achtervolgen en hij hierdoor geen tweede kans krijgt. Omdat uit de stukken blijkt dat hij van iedereen enkel positieve evaluaties krijgt voor zijn werk en hij zijn leven sedert geruime tijd helemaal op de rails heeft, meent hij dat hij een tweede kans verdient. Ter terechtzitting wijst verzoeker op die positieve evaluaties die hij ondersteunt met stukken en benadrukt hij dat hij thans is genezen en dat zulks is bevestigd door een arts. Beoordeling
  8. Luidens artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan een annulatieberoep zoals bedoeld in artikel 14, § 1, van deze wetten, voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang. De vereiste van het rechtens vereiste belang houdt onder meer in dat een eventueel tussen te komen nietigverklaring van de bestreden rechts- handeling, aan verzoeker een direct en persoonlijk voordeel moet verschaffen, hoe miniem ook. Het staat aan de Raad van State te oordelen of een verzoeker die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij zijn beroep. De Raad van State dient er evenwel over te waken dat de belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, punt B.4.3). XIV-37.823-3/6
  9. Niet wordt betwist dat de bestreden beslissing betrekking heeft op vergunningsplichtige vuurwapens bedoeld in artikel 11, § 1, eerste lid van de Wapenwet. Luidens artikel 11, § 1, eerste lid, eerste zin, van de Wapenwet is het particulieren verboden een vergunningsplichtig vuurwapen of de daarbij horende munitie voorhanden te hebben zonder een voorafgaande vergunning. Op grond van artikel 11, § 3, van de Wapenwet wordt de vergunning voor een vergunningsplichtig vuurwapen of de daarbij horende munitie slechts verleend aan personen die voldoen aan onder meer de voorwaarde niet het voorwerp te zijn geweest van één van de beslissingen bedoeld in artikel 5, § 4, 1°, 1°/1 en 4° van de Wapenwet. Artikel 5, § 4 waarnaar artikel 11, § 3, verwijst, bepaalt van welke personen de aanvragen voor de erkenning als wapenhandelaar of tussenpersoon niet-ontvankelijk zijn. Onder 1° van die bepaling worden onder meer vermeld de personen “die het voorwerp hebben uitgemaakt van een beslissing die een behandeling in een ziekenhuis beveelt, zoals bedoeld in de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke.” Op grond van de gezamenlijke lezing van de voornoemde artikelen 11, § 3, en 5, § 4, 1°, van de Wapenwet, wordt aldus een vergunning tot het voorhanden hebben van vuurwapens geweigerd aan personen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een beslissing die een behandeling in een ziekenhuis beveelt, zoals bedoeld in de wet van 26 juni 1990 ‘betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke’ (hierna: de wet van 26 juni 1990). De gouverneur, en de minister van Justitie of zijn gemachtigde in graad van administratief beroep, beschikken in deze niet over enige discretionaire bevoegdheid.
  10. Niet wordt betwist dat verzoeker in het verleden het voorwerp heeft uitgemaakt van een beslissing die een behandeling in een ziekenhuis beveelt, zoals bedoeld in de wet van 26 juni
  11. De Raad van State stelt bijgevolg vast dat verzoeker zowel op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing als bij de sluiting van het XIV-37.823-4/6 debat, niet voldeed aan een in artikel 11, § 3, eerste lid, 3° van de Wapenwet bepaalde voorwaarde tot het verkrijgen van een vergunning voor het voorhanden hebben van een wapen. Op grond van wat voorafgaat, kunnen aan verzoeker derhalve geen vergunningen worden toegekend voor het voorhanden hebben van vergunningsplichtige vuurwapens en munitie in de zin van artikel 11 van de Wapenwet. Hieruit volgt dat bij een gebeurlijke vernietiging door de Raad van State van de thans bestreden weigeringsbeslissing, de verwerende partij om dezelfde reden de voorliggende aanvraag opnieuw zal moeten weigeren. De omstandigheden tot slot dat verzoeker in de feiten is genezen, alsook dat hij doet blijken van verschillende positieve evaluaties voor zijn werk, laten in rechte niet toe voorbij te gaan aan de voormelde wettelijke voorwaarde, zijnde niet het voorwerp te hebben uitgemaakt van een beslissing die een behandeling in een ziekenhuis beveelt. Een vernietiging van de bestreden beslissing brengt verzoeker derhalve geen voordeel bij. Hieruit volgt dat verzoeker geen belang heeft bij het beroep tot nietigverklaring.
  12. Het beroep is niet-ontvankelijk. V. Verzoek tot het verlenen van een sportschutterslicentie - Bevoegdheid van de Raad van State
  13. Verzoeker vraagt in het verzoekschrift om hem tenminste zijn sportschutterslicentie terug toe te wijzen zodat hij zijn sport terug kan beoefenen en zijn vaardigheden kan onderhouden.
  14. De Raad van State is als annulatierechter niet bevoegd om een vergunning of, te dezen, een licentie, te verlenen. Op het verzoek mag derhalve niet worden ingegaan. XIV-37.823-5/6
  15. Het beroep is derhalve in die mate niet-ontvankelijk. VI. Conclusie
  16. Het beroep tot nietigverklaring is niet-ontvankelijk. Het auditoraat heeft terecht gemeend dat de zaak met korte debatten een oplossing kan krijgen. BESLISSING
  17. De Raad van State verwerpt het beroep.
  18. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigver- klaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen januari tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.823-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.359 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.