id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.364 Rolnummer: A. 220532/VII-39818 Zaak: Arrest 243364 - Natuurbehoud - Vergunningen - 10/01/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-01-18 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-25 01:16 Fiche Arrest nr 243.364 van 10 januari 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 243.364 van 10 januari 2019 in de zaak A. 220.532/VII-39.
- In zake : de VZW VOGELBESCHERMING VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Matthias Strubbe en tevens door advocaat Peter De Smedt kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 Oostende Archimedesstraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de VZW HUBERTUS VERENIGING VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thierry Walbrecht kantoor houdend te 2000 Antwerpen Frankrijklei 115 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 20 oktober 2016, strekt tot de nietigverklaring van “het besluit van de Vlaamse regering van 17 juni 2016 tot wijziging van diverse bepalingen van het Soortenbesluit van 15 mei 2009”. VII-39.818-1/25 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 28 november
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 oktober
- Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter De Smedt, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Clive Rommelaere, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Thierry Walbrecht, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- VII-39.818-2/25 III. Feiten 3.
- Artikel 8 van het besluit van de Vlaamse regering van 15 mei 2009 met betrekking tot soortenbescherming en soortenbeheer (hierna: Soortenbesluit) luidt als volgt: “Een overzicht en synthese van de op grond van dit hoofdstuk verkregen informatie wordt, als onderdeel van het natuurrapport, zoals vermeld in hoofdstuk III, afdeling 2 van het decreet, elke twee jaar openbaar gemaakt. Deze informatie wordt op permanente wijze consulteerbaar gehouden voor het publiek. Op basis van de op grond van dit hoofdstuk verkregen informatie, en rekening houdend met de verplichtingen die voortvloeien uit de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn, het verdrag van Bern of andere voor de soortenbescherming relevante internationale verdragen betreffende het natuurbehoud, met inbegrip van Europese richtlijnen, voert het agentschap ten minste elke vijf jaar een evaluatie uit van de lijsten, opgenomen in bijlage 1 bij dit besluit of van de categorisering van de soorten die er in is opgenomen, en van bijlage 3 bij dit besluit. De eerste van deze evaluaties wordt doorgevoerd binnen het jaar na vaststelling van dit besluit. De termijn van vijf jaar is een termijn van orde. Die evaluaties worden bezorgd aan de minister, die op basis daarvan voorstellen van aanpassing van voormelde bijlagen voordraagt”. 3.
- De Vlaamse regering keurt op 22 april 2016 een ontwerpbesluit tot wijziging van diverse bepalingen van dit Soortenbesluit principieel goed. 3.
- Op 26 mei 2016 brengt de afdeling wetgeving van de Raad van State advies uit. 3.
- De Vlaamse regering keurt het wijzigingsbesluit van het Soortenbesluit definitief goed op 17 juni
- Dit is het bestreden besluit. 3.
- Het bestreden besluit wijzigt naast de bijlagen 1 en 3 ook de andere bijlagen en diverse artikelen van het Soortenbesluit en voegt ook een VII-39.818-3/25 bijlage en een hoofdstuk toe, gericht op de integratie van de Europese Verordening inzake “Invasieve Uitheemse Exoten” in het Soortenbesluit. Het is in werking getreden op 2 september
- Het bestreden besluit kadert binnen de in artikel 8 van het Soortenbesluit opgenomen verplichting om tweejaarlijks bepaalde informatie als onderdeel van een natuurrapport openbaar te maken en de verplichting voor het Agentschap voor Natuur en Bos (hierna: ANB) om ten minste elke vijf jaar evaluaties uit te voeren van bepaalde lijsten van vogels en van de categorisering van de soorten opgenomen in bijlage 3 van het Soortenbesluit, en om die informatie aan de minister te bezorgen. De bijlage 3 van het Soortenbesluit, zoals vervangen door het bestreden besluit, luidt als volgt: “Bijlage
- - Afwijkingen van de verbodsbepalingen vermeld in artikel 10, 12 of 16 3.
- Bestrijdbare soorten en voorwaarden De volgende soorten zijn bestrijdbaar volgens de vermelde redenen en in de vermelde periode: 1° om belangrijke schade aan professioneel geteelde gewassen te voorkomen kan de bestrijding van zwarte kraai (Corvus corone corone), ekster (Pica pica) en kauw (Corvus monedula) gedurende het hele jaar worden uitgeoefend. De bestrijding van overzomerende brandganzen (Branta leucopsis) kan worden uitgeoefend in de periode van 1 mei tot en met 30 september; 2° om belangrijke schade aan professionele fruitteelt te voorkomen, kan de bestrijding van spreeuw (Sturnus vulgaris) worden uitgeoefend in de periode van 15 mei tot en met 31 augustus en van gaai (Garrulus glandarius) in de periode van 1 juli tot en met 31 oktober; 3° om de wilde fauna en flora te beschermen, of de natuurlijke habitats in stand te houden, kan bestrijding van zwarte kraai (Corvus corone corone) en ekster (Pica pica) gedurende het hele jaar worden uitgeoefend. De bestrijding van overzomerende brandganzen (Branta leucopsis) kan worden uitgeoefend in de periode van 1 mei tot en met 30 september. De bestrijding van brandgans, spreeuw en gaai, vermeld in het eerste lid, kan alleen worden uitgeoefend binnen een perimeter van 150 meter rondom het perceel waarvoor de bestrijding wordt gemeld. Onder professioneel geteelde gewassen vermeld in het eerste lid wordt verstaan gewassen op percelen die geregistreerd zijn op basis van het decreet van 22 december 2006 houdende een gemeenschappelijke identificatie van VII-39.818-4/25 landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid. De bestrijding als vermeld in deze bijlage kan alleen worden uitgevoerd op voorwaarde dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat. De voorwaarde dat er geen andere bevredigende oplossing mag bestaan, wordt beoordeeld aan de hand van de vraag of alle maatregelen zijn genomen die redelijkerwijs mogen worden verwacht om de belangen, vermeld in punt 1°, 2° en 3°, te vrijwaren. De minister kan een code van goede praktijk vaststellen waarin maatregelen zijn opgenomen die redelijkerwijs te verwachten zijn, als maatregelen die niet redelijkerwijs te verwachten zijn. De bestrijdingsactiviteiten die op grond van deze bijlage uitgevoerd worden, zijn alleen toegestaan ten aanzien van de volgroeide individuen van deze soorten, behalve voor de bestrijding van brandgans via de afvangst met inloopkooien. 3.
- De uitvoering van de bestrijding in de tijd Het gebruik van vuurwapens en munitie is enkel tussen de officiële zonsopgang en de officiële zonsondergang toegestaan. Het schieten met vuurwapens in nesten is verboden. 3.
- Middelen waarmee de bestrijding kan worden uitgevoerd De bestrijdingsactiviteiten die op grond van deze bijlage uitgevoerd worden, kunnen alleen worden uitgevoerd met de volgende middelen: 1° de vuurwapens en de munitie vermeld in artikel 9 en 10 van het Jachtvoorwaardenbesluit van 25 april 2014; 2° roofvogels die in bezit worden gehouden conform de bepalingen van het besluit; 3° trechtervallen: vallen waarvan de wanden bestaan uit draden waartussen een cirkel kan worden getrokken met een straal van minimaal 2 cm; 4° Larsen-kooien: kleine, gemakkelijk verplaatsbare kooien die bestaan uit twee of meer compartimenten, met een of meer neervallende kleppen, waarbij geen andere dieren gevangen kunnen worden na het neervallen van de klep; 5° inloopkooien: alleen te gebruiken voor brandganzen; 6° akoestische hulpmiddelen, voor zover ze gericht zijn op de soort die wordt bestreden; 7° dode lokdieren van dezelfde soort als waarvoor bestrijding gemeld is; 8° kunstmatige lokdieren. Trechtervallen en Larsen-kooien, vermeld in het eerste lid, 3° en 4°, mogen alleen vangklaar worden opgesteld in de periode 16 februari tot en met 15 oktober. Voor de bestrijding van spreeuw is alleen het gebruik van de middelen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, toegestaan. Voor de bestrijding van brandgans is alleen het gebruik van het middel, vermeld in het eerste lid, 5°, toegestaan. Het gebruik van vuurwapens, vermeld in het eerste lid, 1°, is alleen toegestaan voor personen die in het bezit zijn van een geldig jachtverlof overeenkomstig de Vlaamse jachtregelgeving. Voor de in het eerste lid, 2°, 3° en 4°, vermelde vallen en kooien gelden de volgend gebruiksvoorwaarden: 1° de vallen of kooien bevatten geen vlees of slachtafval als lokaas; VII-39.818-5/25 2° voor elke trechterval en elke Larsen-kooi die gemeld wordt conform de procedure in deel 3.5, mag de aanmelder maximaal twee levende lokdieren in zijn bezit hebben, gebruiken en vervoeren van de soort die hij volgens de melding beoogt te bestrijden. De levende lokdieren hoeven niet te voldoen aan de bepalingen van artikel 41, § 1, van dit besluit. De lokdieren moeten voedsel, water en beschutting ter beschikking hebben; 3° de vallen en kooien worden dagelijks gecontroleerd en alle andere gevangen dieren dan de soorten waarvoor het gebruik van vallen is toegestaan, worden dadelijk ter plekke in vrijheid gesteld; 4° de vallen en kooien worden geïdentificeerd met een weersbestendig plaatje waarop de naam van de te bestrijden soort, het telefoonnummer van het agentschap alsook, in voorkomend geval, het jachtverlofnummer van de plaatser van de val leesbaar vermeld staan. Daarnaast wordt ook de volgende tekst op het plaatje vermeld: ‘Deze val is geplaatst conform de uitvoeringsmodaliteiten van het Soortenbesluit van 15 mei 2009, bijlage 3’; 3.
- Personen die de bestrijding kunnen uitvoeren De bestrijding mag worden uitgevoerd door de eigenaar, de huurder, de exploitant, de grondgebruiker of grondgebruikers of de bijzondere veldwachter van het terrein waar de bestrijding plaatsvindt. De bestrijding mag tevens worden uitgevoerd door een derde op voorwaarde van een schriftelijke toestemming van de eigenaar, de verhuurder of de exploitant of grondgebruiker of grondgebruikers. Een organisator of uitvoerder van bestrijding besteedt bij de uitoefening van de bestrijding bijzondere aandacht aan de veiligheid van de activiteit en aan de verenigbaarheid ervan met activiteiten van andere gebruikers van het buitengebied. 3.
- Aanvraagprocedure De bestrijding wordt bij het agentschap gemeld met een papieren of elektronisch meldingsformulier waarvan het model wordt opgesteld door het agentschap en ter beschikking wordt gesteld op de website www.natuurenbos.be van het agentschap. Het meldingsformulier wordt naar het agentschap gestuurd op een van de volgende wijzen: 1° met een aangetekende brief; 2° met een e-mail; 3° via elektronische indiening. Het agentschap gaat na of de voorwaarden vervuld zijn om tot bestrijding over te gaan. De melding moet voldoen aan de volgende voorwaarden: 1° uit de melding blijkt duidelijk dat is voldaan aan de voorwaarden van deze bijlage, vooral wat betreft het zonder bevredigend resultaat toegepast hebben van andere mogelijke oplossingen en wat betreft de voorgenomen bestrijdingsmiddelen en -wijzen; 2° als de melder niet de eigenaar of de grondgebruiker of één van de grondgebruikers is van het terrein waar hij wil bestrijden, bevestigt de melder dat hij in het bezit is van een schriftelijke toestemming van de eigenaar; 3° de bestrijding neemt op zijn vroegst een aanvang 24 uur na de melding; VII-39.818-6/25 4° de duur van de gemelde bestrijding loopt maximaal tot het einde van het kalenderjaar waarop de melding betrekking heeft; 5° bij de melding is een kaart gevoegd waarop de locatie waar de bestrijding zal plaatsvinden, precies wordt weergegeven. De kaart heeft een schaal van 1:10.000 of 1:25.
- Een kaart dient niet toegevoegd te worden wanneer de bestrijding plaatsvindt op een jachtterrein zoals gedefinieerd in artikel 1 van het Jachtadministratiebesluit van 25 april
- In dat geval worden in de melding de nummers van de betrokken jachtterreinen uit het goedgekeurde jachtplan opgenomen en in voorkomend geval, het aantal gebruikte vallen of kooien. De bestrijding vindt plaats op locaties of in gebieden die voor de ambtenaren, bevoegd met het toezicht op dit besluit, betreedbaar zijn zonder dat er een toestemming tot huiszoeking of huiszoekingsbevel nodig is; 6° de melding bevat een omschrijving van het type schade als vermeld in onderdeel 3.1, alsook de vermoedelijke omvang van de schade die de melder wil voorkomen of beperken, of de natuurwaarden en ecologische processen die hij beoogt te vrijwaren; 7° de melding bevat desgevallend het aantal trechtervallen, Larsen-kooien of inloopkooien dat men voor de bestrijding zal inzetten; 8° voor onafhankelijke jachtrechthouders en erkende wildbeheereenheden kan de melding gedaan worden via het faunabeheerplan. 3.
- Mogelijkheid tot beperken of verbieden Het agentschap is gemachtigd toezicht uit te oefenen op de aangemelde bestrijding. Het agentschap kan met een gemotiveerde beslissing op elk moment de bestrijding beperken of verbieden. 3.
- Rapportage na bestrijding Uiterlijk voor 1 april van elk jaar wordt aan het agentschap gerapporteerd over de dieren die in het afgelopen kalenderjaar op grond van de bepalingen van deze bijlage zijn gedood. Die rapportage heeft betrekking op de aantallen van de dieren die gedood zijn. De rapportering wordt gedaan met een papieren of elektronisch rapporteringsformulier waarvan het model wordt opgesteld door het agentschap en ter beschikking wordt gesteld op de website www.natuurenbos.be van het agentschap. Het rapporteringsformulier wordt naar het agentschap gestuurd op een van de volgende wijzen: 1° met een aangetekende brief; 2° met een e-mail; 3° via elektronische indiening. Voor onafhankelijke jachtrechthouders en erkende wildbeheereenheden kan gerapporteerd worden via het wildrapport. 3.
- Link met aspecten van dierenwelzijn en de verwerking van kadavers De dieren die het voorwerp zijn van bestrijding worden op een diervriendelijke manier gedood. Gedode specimens die niet voor consumptie worden genuttigd, dienen op een milieuhygiënisch verantwoorde manier te worden verwerkt. 3.
- Vervoer van specimens die het onderwerp zijn geweest van bestrijding VII-39.818-7/25 In afwijking van artikel 12 is het toegestaan om specimens van de soorten in kwestie te vervoeren in de periode waarin de bestrijding is toegestaan tot en met de tiende dag volgend op het aflopen van de bestrijdingsperiode, als het gaat om specimens die het voorwerp zijn geweest van bestrijding in overeenstemming met deze bijlage. Het is verboden de specimens die het voorwerp zijn geweest van bestrijding te kopen of te verkopen. 3.
- Verzekering voor burgerlijke aansprakelijkheid De personen die in het kader van deze bijlage overgaan tot bestrijding met vuurwapens, moeten een verzekering voor burgerlijke aansprakelijkheid hebben afgesloten. De waarborg van die verzekering moet ten minste de bedragen dekken die vermeld zijn in artikel 19 van het Jachtadministratiebesluit van 25 april 2014”. 3.
- Met deze nieuwe bijlage worden de structuur en opbouw van de vorige bijlage gewijzigd met het oog op - naar wordt beweerd - de leesbaarheid, en wordt de mogelijkheid tot bestrijding in het kader van de veiligheid van het luchtverkeer geschrapt. Daarnaast worden voornamelijk wijzigingen aangebracht aan de afwijkingsgronden, de voor de bestrijding te gebruiken middelen en methoden, wordt de overzomerende brandgans toegevoegd als bestrijdbare soort, wordt de procedure voorafgaand aan een bestrijdingsactie gewijzigd, en wordt ook een expliciete koppeling gemaakt met een code van goede praktijk, inzake het nemen van preventieve maatregelen om schade te voorkomen. Het Verslag aan de Vlaamse regering licht dit als volgt toe: “Met dit artikel wordt voorzien in het vervangen van bijlage 3 van het Soortenbesluit. Bijlage 3 bevat handelingen die afwijken van de verbodsbepalingen van artikel 10, van het vervoersverbod van artikel 12 of van de verboden middelen, installaties en methoden vermeld in artikel 16 van het Soortenbesluit. Bijlage 3 regelt de afwijking op de verbodsbepalingen ten aanzien van een beperkt aantal beschermde soorten, namelijk spreeuw, zwarte kraai, kauw, ekster, Vlaamse gaai en (de ‘zomerpopulatie’ van) brandgans. De in bijlage 3 toegelaten handelingen kunnen na eenvoudige melding aan het ANB uitgevoerd worden, weliswaar ten allen tijde met een mogelijkheid tot het beperken of het verbieden door het ANB, ook als de bestrijding al is ingezet 24 uur na de melding. De soorten opgenomen in bijlage 3 zijn in de eerste plaats algemene soorten, die doorgaans in grote aantallen en over heel Vlaanderen verspreid voorkomen, en in de tweede plaats een soort (brandgans), waarvan in het Vlaamse Gewest een zomerpopulatie voorkomt die wordt geacht grotendeels te bestaan uit specimens die afstammen van uit gevangenschap ontsnapte dieren. Deze soorten gedragen zich als cultuurvolgers, wat impliceert VII-39.818-8/25 dat zij uitstekende levenscondities vinden in het door mensen gevormde en beheerde landschap. Tegelijk gaat het om soorten die op omvangrijke schaal een specifieke negatieve impact kunnen hebben, zodanig dat bestrijding ervan nodig kan zijn in het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid, in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer, ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren, of ter bescherming van de wilde fauna. Het uitvoeren van bestrijdingsmaatregelen ten aanzien van de populaties van deze soorten mag, gelet op hun omvangrijke populaties, worden geacht geen negatief effect te zullen hebben op die populaties. Omwille van de regelmaat waarmee deze soorten voor bepaalde hindere of schade zorgen en om derhalve te vermijden dat telkens een specifieke afwijking op basis van artikel 19 en volgende van het Soortenbesluit zou moeten worden aangevraagd bij het ANB om te kunnen optreden, wordt door middel van deze bijlage 3 een algemene, generieke afwijkingsmogelijkheid voorzien. Aan bijlage 3 worden drie types wijzigingen aangebracht: 1) in de eerste plaats wordt de leesbaarheid van de huidige bijlage 3 vergroot. Dat is de reden waarom de volledige bijlage wordt vervangen, in plaats van de wijzigingen door te voeren via gerichte aanpassing aan de oorspronkelijke tekst. Met name wordt voorzien in een duidelijker indeling van de bijlage, met weergave van duidelijke subtitels. In haar oorspronkelijke vorm was het moeilijk om de bijlage te doorgronden en naar specifieke onderdelen van de bijlage te verwijzen; 2) tevens is gezorgd voor meer transparantie, met het oog op het vermijden van discussies over te toepassing; dat impliceert met name waar mogelijk en relevant een afstemming op de jachtwetgeving, vanuit de invalshoek dat bestrijding op basis van bijlage 3 veelal wordt uitgevoerd door jagers; 3) ten slotte zijn een aantal bepalingen van de bijlage ook inhoudelijk bijgesteld”. 3.
- Het Soortenbesluit vindt onder meer rechtsgrond in de artikelen 7, 51 en 56 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna: natuurbehouddecreet). Artikel 7, eerste lid, van het natuurbehouddecreet bepaalt: “Het onder artikel 6 bedoelde beleid is gericht op het nemen van alle maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van internationale overeenkomsten of verdragen betreffende het natuurbehoud of van akten betreffende het natuurbehoud, met inbegrip van Europese richtlijnen, vastgesteld op grond van internationale verdragen”. VII-39.818-9/25 Artikel 51, § 1, van het natuurbehouddecreet bepaalt onder meer: “§
- De Vlaamse regering neemt, na advies van de MiNa-Raad, alle maatregelen die ze nuttig acht: 1° inzake de instandhouding van populaties van soorten of ondersoorten van organismen vermeld in de bijlagen III en IV van dit decreet en van hun habitats; 2° om populaties van de overige soorten of ondersoorten van organismen in stand te houden, te herstellen of te ontwikkelen”. Artikel 56, § 1, van het natuurbehouddecreet bepaalt: “§
- De Vlaamse regering of haar gemachtigde kan afwijken van de verbodsbepalingen van dit decreet of zijn uitvoeringsbepalingen: 1° ten behoeve van het wetenschappelijk onderzoek verricht door wetenschappelijke instellingen en universiteiten; 2° ten behoeve van het natuurbeheer, de natuureducatie in het belang van de bescherming van de natuur en van de instandhouding van de habitats; 3° ten behoeve van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 4° ter voorkoming van belangrijke schade aan cultuurgewassen, vee en huisdieren, bossen en visserij; 5° ten behoeve van het onderwijs en de repopulatie. Wanneer wordt afgeweken van een bepaling voortvloeiend uit een internationaal verdrag, overeenkomst of akte, bedoeld in artikel 7, moet bovendien voldaan worden aan de door dat verdrag, die overeenkomst of akte opgelegde voorwaarden. [...] Onverminderd de bepalingen van het tweede, derde en vierde lid, mogen de afwijkingen bedoeld in het eerste lid uitsluitend worden toegestaan wanneer er geen bevredigende alternatieven bestaan en voorzover zij soorten van bijlage III van dit decreet betreffen, zij geen afbreuk doen aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Het Agentschap voor Natuur en Bos meldt deze afwijking en de motivering ervan aan de Europese Commissie. [...] De Vlaamse regering kan de nadere voorwaarden en procedure voor de toepassing van deze afwijkingsmogelijkheden bepalen”. Artikel 1.2.1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: milieubeleidsdecreet) luidt als volgt: VII-39.818-10/25 “§
- Ten behoeve van de huidige en toekomstige generaties heeft het milieubeleid tot doel: 1° het beheer van het milieu door de duurzame aanwending van de grondstoffen en de natuur; 2° de bescherming; tegen verontreiniging en onttrekking, van mens en milieu, en in het bijzonder van de ecosystemen die van belang zijn voor de werking van de biosfeer en die betrekking hebben op de voedselvoorziening, de gezondheid en de andere aspecten van het menselijk leven; 3° het natuurbehoud en de bevordering van de biologische en landschappelijke diversiteit, met name door de instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke habitats, ecosystemen en landschappen met ecologische waarde en het behoud van de wilde soorten, in het bijzonder van die welke bedreigd, kwetsbaar, zeldzaam of endemisch zijn. §
- Op basis van een afweging van de verschillende maatschappelijke activiteiten streeft het milieubeleid naar een hoog beschermingsniveau. Het berust onder meer op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, het standstill-beginsel en het beginsel dat de vervuiler betaalt. §
- De in § 1 en § 2 bepaalde doelstellingen en beginselen moeten in het bepalen en uitvoeren van het beleid van het Vlaamse Gewest op andere gebieden worden geïntegreerd. Bij de uitvoering van het beleid wordt rekening gehouden met de sociaal-economische aspecten, de internationale dimensie en de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens”. Artikel 19 van het Soortenbesluit, zoals gewijzigd bij het bestreden besluit, luidt als volgt: “Het agentschap kan, op basis van een aanvraag, specifieke handelingen toestaan die afwijken van de verbodsbepalingen, vermeld in onderafdeling 1 tot en met 5, onder de voorwaarden, vermeld in deze onderafdeling. Bovendien kunnen handelingen die afwijken van de in artikel 10 geformuleerde verbodsbepalingen betreffende doding of vangst van beschermde soorten, het vervoersverbod, vermeld in artikel 12, of de verbodsbepalingen betreffende middelen, installaties en methoden voor het doden of vangen van dieren, vermeld in artikel 16, uitgevoerd worden op basis van een melding, indien deze handelingen specimens betreffen van soorten vermeld in bijlage 3, onder de daar vermelde voorwaarden”. 3.
- De artikelen 8, 9 en 13 van richtlijn 2009/147/EG van 30 november 2009 van het Europees Parlement en de Raad inzake het behoud van de vogelstand (hierna: Vogelrichtlijn) luiden als volgt: VII-39.818-11/25 “Artikel 8 Wat de jacht op en de vangst of het doden van vogels in het kader van deze richtlijn betreft, verbieden de Lid-Staten het gebruik van alle middelen, installaties of methoden voor het massale of niet-selectieve vangen of doden van vogels of waardoor een soort plaatselijk kan verdwijnen, en in het bijzonder het gebruik van de in bijlage IV, sub a), genoemde middelen. [...] Artikel 9
- De Lid-Staten mogen, indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat, om onderstaande redenen afwijken van de artikelen 5, 6, 7 en 8: a ) - in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid, - in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer, - ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren, - ter bescherming van flora en fauna; b )voor doeleinden in verband met onderzoek en onderwijs, het uitzetten en herinvoeren van soorten en voor de met deze doeleinden samenhangende teelt; c ) ten einde het vangen, het houden of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.
- In de afwijkende bepalingen moet worden vermeld: - voor welke soorten mag worden afgeweken, - welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan, - onder welke voorwaarden met betrekking tot het risico en onder welke omstandigheden van tijd en van plaats deze afwijkende maatregelen mogen worden genomen, - welke autoriteit bevoegd is te verklaren dat aan die voorwaarden is voldaan, en te beslissen welke middelen, installaties of methoden mogen worden aangewend, binnen welke grenzen en door welke personen, - welke controles zullen worden uitgevoerd.
- De Lid-Staten zenden de Commissie jaarlijks een verslag toe over de toepassing van dit artikel.
- In het licht van de inlichtingen waarover zij beschikt en met name van die welke haar krachtens lid 3 worden verstrekt, ziet de Commissie er voortdurend op toe dat de gevolgen van deze afwijkende maatregelen niet onverenigbaar zijn met deze richtlijn. Zij neemt in dat verband de nodige initiatieven. Artikel 13 De toepassing van de krachtens deze richtlijn getroffen maatregelen mag niet leiden tot verslechtering van de huidige situatie met betrekking tot de instandhouding van alle in artikel 1 bedoelde vogelsoorten”. VII-39.818-12/25 IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de verwerende partij
- De verwerende partij betwist het belang van de verzoekende partij om het bestreden besluit volledig te laten vernietigen. Het beroep zou er vooral op gericht zijn om delen van de bijlage 3 van het Soortenbesluit te doen vernietigen. Bovendien zou de verzoekende partij vooral kritiek uiten op bepalingen die enkel meer leesbaar zijn gemaakt en niet inhoudelijk zijn gewijzigd, en de “algemene systeemkritiek” van de verzoekende partij zou derhalve niet tegen het bestreden besluit gericht zijn. Ook zou de verzoekende partij haar belang niet afdoende concretiseren. Beoordeling
- Het argument dat in geval van vernietiging de vervangen bijlage 3 herleeft, die ook al in een generieke afwijkingsregeling voorzag en waarvan de inhoud voor de verzoekende partij niet minder griefhoudend is dan de vervangende bijlage 3, vermag de verzoekende partij haar belang bij het beroep niet te ontnemen. Als de bestreden handeling een reglementair karakter vertoont, zoals te dezen het geval is, dan is het vanuit het oogpunt van het belang bij het bestrijden ervan voldoende dat een eventuele vernietiging het uitzicht zou bieden op een nieuwe en gunstigere regeling. Een vernietiging opent voor de verzoekende partij de kans op een volgens haar ecologisch meer verantwoorde en meer billijke regeling in overeenstemming met de Vogelrichtlijn. Het bestreden besluit is geen louter bevestigende handeling. De bestrijding van de brandgans, de uitbreiding van de bestrijdingsmiddelen en de versoepeling van de procedurele voorschriften vormen mede het voorwerp van kritiek van de verzoekende partij. VII-39.818-13/25 Een reglementair besluit is voorts in beginsel één en ondeelbaar. De omstandigheid dat het bestreden besluit ook bepalingen bevat die de verzoekende partij niet grieven, leidt niet tot de niet-ontvankelijkheid van het beroep op zich. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van de middelen Standpunten van de partijen Eerste middel
- De verzoekende partij roept in een eerste middel de schending in van de artikelen 7, eerste lid, en 56, eerste, tweede en vijfde lid, van het natuurbehouddecreet, artikel 9, eerste en tweede lid, van de Vogelrichtlijn, evenals het rechtszekerheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zij voert aan dat het bestreden besluit de aanvraagprocedure voor het bekomen van een afwijking van de verbodsbepalingen vermeld in de artikelen 10, 12 en 16 van het Soortenbesluit “administratief vereenvoudigt”, zodat er thans enkel nog maar een melding moet worden ingediend bij het ANB, het schriftelijk akkoord van de eigenaar niet langer bij de melding moet worden gevoegd, “Wild Beheer Eenheden” en onafhankelijke jachtrechthouders een bestrijdingsmelding kunnen opnemen in een faunabeheerplan, de mogelijkheid tot het verbieden van de bestrijding wordt beperkt tot het ANB, en ook de rapportage administratief wordt vereenvoudigd. Voorts wijst zij erop dat de afwijkingsprocedure uit bijlage 3 van het Soortenbesluit uitgaat van een stilzwijgende goedkeuring van het ANB, dat die bijlage slechts bepaalt dat het ANB bij het verbieden of beperken van de VII-39.818-14/25 bestrijding een gemotiveerde beslissing dient te nemen en, in de andere gevallen, de meldingsplichtige binnen de 24 uur tot bestrijding kan overgaan. Nochtans, zo voert de verzoekende partij in het eerste onderdeel van het middel aan, bepaalt artikel 7, eerste lid, van het natuurbehouddecreet dat het natuurbeleid is gericht op het nemen van alle maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van onder meer de Europese richtlijnen inzake natuurbehoud, waaronder de Vogelrichtlijn, en voorziet artikel 56 van dat decreet erin dat de Vlaamse regering kan afwijken van de verbodsbepalingen van dit decreet ten behoeve van onder meer de bescherming van de natuur en de instandhouding van de habitats en ter voorkoming van belangrijke schade aan onder andere cultuurgewassen. Deze afwijkingen mogen volgens de verzoekende partij uitsluitend worden toegestaan wanneer er geen bevredigende alternatieven bestaan. Voor afwijkingen van een bepaling voortvloeiend uit de Vogelrichtlijn moet ook worden voldaan aan de door die richtlijn opgelegde voorwaarden. De verzoekende partij argumenteert eveneens dat artikel 9, eerste lid, van de Vogelrichtlijn volgens het Hof van Justitie een uitzonderingsregeling betreft, die strikt moet worden uitgelegd, en volgens dewelke de autoriteit bij elke afwijking die zij bepaalt moet bewijzen dat er aan de gestelde voorwaarden is voldaan, zodat de lidstaten moeten waarborgen dat elke ingreep die de beschermde soorten raakt slechts wordt toegestaan op basis van besluiten die steunen op een nauwkeurige en treffende motivering die verwijst naar de in artikel 9, eerste en tweede lid, van de Vogelrichtlijn opgesomde redenen, voorwaarden en vereisten. De in de bestreden beslissing opgenomen meldingsprocedure zou evenwel uitgaan van “de omgekeerde situatie”, vermits enkel de beslissing van het ANB die de bestrijding beperkt of verbiedt gemotiveerd dient te worden en er in het andere geval wordt uitgegaan van een stilzwijgende goedkeuring. Hierdoor zou de aanvrager 24 uur na de melding kunnen overgaan tot bestrijding. VII-39.818-15/25 Artikel 9, eerste lid, van de Vogelrichtlijn vereist volgens de verzoekende partij in de eerste plaats dat de afwijkingen moeten worden beperkt tot de gevallen waarin er geen andere bevredigende oplossing bestaat, terwijl te dezen, overeenkomstig de meldingsprocedure waarin bijlage 3 van het Soortenbesluit voorziet, deze beoordeling wordt overgelaten aan de meldingsplichtige, en het bestreden besluit die bijlage verder vereenvoudigt. De verzoekende partij argumenteert ten slotte dat uit de nota van de Vlaamse regering bij het bestreden besluit niet blijkt of de Vlaamse overheid of de landbouwonderzoekscentra in verband met het voorafgaand onderzoek over actueel cijfermateriaal beschikken en evenmin of de beschermde soorten die voorkomen op bijlage 3 effectief belangrijke schade veroorzaken aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren.
- De tussenkomende partij werpt op dat de verzoekende partij om verschillende redenen geen belang heeft bij het middel. In de eerste plaats omdat in de bestrijding van kraaiachtigen reeds werd voorzien in bijlage 3 van het Soortenbesluit zoals van kracht tot 2 september 2016 en thans zelfs wordt verstrengd. Voorts zou de verzoekende partij zelf aangeven dat de bescherming van de vogelstand niet in het gedrang wordt gebracht. Met betrekking tot de grief over de zogenaamde “stilzwijgende goedkeuring” van het ANB argumenteert de tussenkomende partij dat daarbij wordt uitgegaan van een generieke maatregel, die wel degelijk wordt gemotiveerd en aan voorwaarden verbonden, zoals de koppeling van de voorwaarde dat eerst wordt nagegaan of er geen andere bevredigende oplossing bestaat aan de code van goede praktijk ter preventie van schade door soorten. Voor die code van goede praktijk verwijst de tussenkomende partij onder meer naar het ministerieel besluit van 12 mei 2014 tot vaststelling van een code van goede praktijk ter uitvoering van artikel 11 van het VII-39.818-16/25 Soortenschadebesluit van 3 juli 2009 en ter uitvoering van artikel 28 en 41 van het Jachtvoorwaardenbesluit van 25 april
- De preventieve maatregelen die in het besluit worden opgenomen zijn volgens de tussenkomende partij, zoals uit de aanhef van het voormelde ministerieel besluit van 12 mei 2014 zou blijken, het resultaat van een consensus die bereikt is tussen verschillende betrokken instanties en belangengroepen, zoals de verzoekende partij, en hieruit leidt de tussenkomende partij een gebrek aan belang af. Tot slot betreft het middel volgens de tussenkomende partij niet zozeer de wettigheid van het bestreden besluit, als wel de uitvoering/handhaving ervan en raken de aangebrachte wijzigingen (schriftelijk akkoord van de eigenaar, melding in een faunabeheersplan, geen melding meer bij de burgemeester en de vereenvoudiging van de rapportage) de beschermde soorten niet.
- De verwerende partij werpt in de eerste plaats op dat het eerste middel zou zijn gericht tegen delen van de bijlage 3 die het bestreden besluit niet inhoudelijk heeft gewijzigd maar enkel geherstructureerd en waarvoor destijds een volledige wetenschappelijke onderbouwing werd gegeven. Het middel zou derhalve onontvankelijk zijn “bij gebreke aan voorwerp, minstens [...] wegens laattijdigheid gezien men nu pas de meldingsprocedure reeds voorzien in de bijlage 3 (versie B.S., 1 september 2009) viseert”. Wat betreft de gegrondheid van het eerste middelonderdeel antwoordt de verwerende partij dat de verzoekende partij zich niet dienstig kan beroepen op het arrest C-60/05 van het Hof van Justitie van 8 juni 2006 omdat het verband houdt met een andere door artikel 9 van de Vogelrichtlijn voorziene afwijkingsregeling. Zij benadrukt dat de voorwaarden van artikel 9 van de Vogelrichtlijn wel degelijk zijn nageleefd. De verzoekende partij verliest volgens haar uit het oog dat geen sprake is van een stilzwijgende goedkeuringsbeslissing en dat het ANB de bestrijding kan weigeren. De verzoekende partij gaat er ook aan VII-39.818-17/25 voorbij dat pas tot bestrijding kan worden overgegaan indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat, hetgeen wordt gekoppeld aan een code goede praktijk ter preventie van schade door soorten, vastgesteld via het ministerieel besluit van 12 mei
- Een volledige wetenschappelijke onderbouwing voor het openstellen van de bestrijdingheidsmogelijkheid voor de zwarte kraai, de ekster, de kauw, de gaai en de spreeuw werd gegeven bij het initieel tot stand komen van het Soortenbesluit en houdt stand, aldus de verwerende partij.
- In de memorie van wederantwoord repliceert de verzoekende partij met betrekking tot het eerste onderdeel dat de stelling van de verwerende partij als zou de verwijzing naar het arrest C-60/05 van het Hof van Justitie niet dienstig zijn, niet kan worden gevolgd aangezien de voorwaarden op grond waarvan men gebruik kan maken van de uitzonderingsbepaling van artikel 9 van de Vogelrichtlijn van toepassing zijn op de drie door artikel 9 onderscheiden situaties. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt volgens haar dat de drie voorwaarden om af te wijken van de beperkingen en verboden uit de artikelen 5, 6, 7 en 8 van de Vogelrichtlijn een uitzonderingsregeling vormen die strikt moet worden uitgelegd, waarbij de autoriteit die het besluit neemt voor elke afwijking moet bewijzen dat aan de gestelde voorwaarden is voldaan, en de lidstaten moeten waarborgen dat elke ingreep die de beschermde soorten raakt, slechts wordt toegestaan op basis van besluiten die steunen op een nauwkeurige en treffende motivering, die bovendien verwijst naar de in artikel 9, eerste en tweede lid, van de Vogelrichtlijn opgesomde redenen, voorwaarden en vereisten. Aangaande de stilzwijgende goedkeuringsprocedure stelt de verzoekende partij dat er geen “beslissing” wordt genomen door het ANB waarbij de afwijking uitdrukkelijk wordt toegestaan en getoetst aan de voorwaarden van artikel 9 van de Vogelrichtlijn, maar dat wordt uitgegaan van een omgekeerd systeem. De stelling van de tussenkomende partij dat de kritiek van de verzoekende partij geen betrekking zou hebben op de wettigheid van het bestreden VII-39.818-18/25 besluit, maar een zaak van handhaving zou betreffen, kan volgens de verzoekende partij niet overtuigen. Bovendien zou het systeem een effectieve handhaving onmogelijk maken. De stelling van de verwerende partij dat de wetenschappelijke onderbouwing is gebeurd bij de totstandkoming van het Soortenbesluit in 2009 is volgens de verzoekende partij niet dienstig, aangezien het bestreden besluit kadert binnen artikel 8 van het Soortenbesluit, dat bepaalt dat het aan de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw toekomt om op basis van de evaluaties van het ANB, een wijziging van het Soortenbesluit voor te stellen. Indien bij een wijziging van het Soortenbesluit wordt geopteerd om bepaalde soorten te bestrijden, moet dat volgens haar afdoende worden gemotiveerd. Het verweer gaat volgens de verzoekende partij voorbij aan het voortschrijdend wetenschappelijk inzicht met betrekking tot bepaalde soorten.
- In haar laatste memorie voegt de verzoekende partij toe dat de termijn van 24 uur waarover het ANB beschikt om de melding te ontvangen, te registreren en te onderzoeken en gebeurlijk te weigeren allerminst realistisch is en een permanentie zou vereisen die er niet is, en minstens ongeloofwaardig en bijzonder rechtsonzeker is. Het louter toelaten of niet onmogelijk maken van een controle door het ANB volstaat volgens haar allerminst in het licht van de op de verwerende partij rustende zorgvuldigheidsverplichting. Die verplichting vereist volgens de verzoekende partij dat de verwerende partij een regeling uitwerkt waarbij zowel de motivering als de controle door het ANB effectief, op een realistische, geloofwaardige wijze wordt gewaarborgd. Wat de kritiek op het gebrek aan wetenschappelijke onderbouwing van het bestreden besluit betreft, volstaat volgens de verzoekende partij een verwijzing naar de initiële totstandkoming van het Soortenbesluit niet, aangezien het behoud en de uitbreiding van de betrokken afwijking een nieuwe wilsuiting betreft, waarbij de verwerende partij haar beleidskeuze moet onderbouwen. Aangezien artikel 9 van de Vogelrichtlijn bij de uitzonderingsregeling op de algemene bepalingen voor elke afwijking waartoe de autoriteit beslist het bewijs vereist dat aan de gestelde VII-39.818-19/25 voorwaarden is voldaan, moet, steeds volgens de verzoekende partij, het Vlaamse Gewest het bewijs leveren dat de toegestane afwijkingen gerechtvaardigd zijn, en kan de bewijslast op dit punt niet bij de verzoekende partij worden gelegd.
- De tussenkomende partij noemt in haar laatste memorie de opmerkingen van de verzoekende partij over de figuur van de stilzwijgende vergunning, het gebrek aan verhaalsmogelijkheden daartegen en de korte duur van 24 uur na de melding, een “nieuwe invulling” van het middel. Beoordeling
- De excepties die de verwerende en de tussenkomende partij formuleren bij de verschillende middelen, en die aansluiten bij de reeds besproken excepties van de verwerende partij bij het beroep, worden verworpen om dezelfde reden als aangegeven bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep. De omstandigheid dat de verzoekende partij is betrokken geweest bij het overleg in het kader van de totstandkoming van het ministerieel besluit van 12 mei 2014 tot vaststelling van een code van goede praktijk ter uitvoering van artikel 11 van het Soortenschadebesluit van 3 juli 2009 en ter uitvoering van artikel 28 en 41 van het Jachtvoorwaardenbesluit van 25 april 2014 is zonder impact op haar belang. In voornoemd ministerieel besluit worden vooral preventieve maatregelen opgesomd ter voorkoming van schade aan gewassen en vee en niet ter bescherming van wilde fauna en flora of instandhouding van natuurlijke habitats. De kritiek van de verzoekende partij kan ook niet worden herleid tot een kwestie van handhaving of uitvoering van de besluitvorming. In haar grieven komt de vraag aan bod naar de noodzaak en toereikendheid van de wetenschappelijke onderbouwing van de besluitvorming. Deze vraag behelst de wettigheid van het aangevochten besluit en niet de uitvoering ervan. VII-39.818-20/25 In haar verzoekschrift maakt de verzoekende partij melding van de onverenigbaarheid met het Europees recht van de regeling rond het overgaan tot bestrijding 24 uur na de melding. De exceptie als “nieuwe invulling” van het eerste middel in de laatste memorie van de tussenkomende partij is evenmin gegrond.
- Volgens artikel 1 heeft de Vogelrichtlijn betrekking op de bescherming, het beheer en de regulering van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten en stelt zij regels voor de exploitatie ervan. Hiertoe verplicht de Vogelrichtlijn de lidstaten een algemene beschermingsregeling in te voeren die in het bijzonder het verbod omvat om de in artikel 1 bedoelde vogels te doden, te vangen of te storen en hun nesten te vernielen. Artikel 9 van de Vogelrichtlijn maakt afwijkingen mogelijk op de beschermingsbepalingen uit de artikelen 5 tot en met
- Artikel 10 van de Vogelrichtlijn vermeldt het bevorderen van onderzoek met het oog op de bescherming, het beheer en de exploitatie van vogelsoorten als taak van de individuele lidstaten. Op basis van artikel 9, eerste lid, a), samengelezen met artikel 9, tweede lid, van de Vogelrichtlijn kan slechts worden afgeweken van de beschermingsbepalingen uit de artikelen 5 tot en met 8 van de Vogelrichtlijn, indien er voldaan wordt aan drie voorwaarden. In de eerste plaats moet de lidstaat de afwijking beperken tot de gevallen waarin geen andere bevredigende oplossing bestaat. In de tweede plaats moet de afwijking in het belang zijn van de volksgezondheid, openbare veiligheid en/of de veiligheid van het luchtverkeer, ter VII-39.818-21/25 voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserijen en wateren, en/of ter bescherming van flora en fauna. In de derde plaats moet de afwijking voldoen aan de in het tweede lid van artikel 9 van de Vogelrichtlijn bepaalde voorwaarden die tot doel hebben de afwijkingen tot het strikt noodzakelijke te beperken en de controle ervan door de Commissie mogelijk te maken. Artikel 9 van de Vogelrichtlijn is bijgevolg een uitzonderingsregeling die strikt moet worden uitgelegd. De lidstaten moeten waarborgen dat elke ingreep die de beschermde soorten raakt slechts wordt toegestaan op basis van besluiten die steunen op een nauwkeurige en treffende motivering die verwijst naar de in artikel 9, eerste en tweede lid, van de Vogelrichtlijn opgesomde redenen, voorwaarden en vereisten (HvJ 8 juni 2006, nr. C-60/05 en 7 maart 1996, C-118/94).
- Blijkens het Verslag aan de Vlaamse regering voorziet bijlage 3 van het Soortenbesluit in “een algemene, generieke afwijkingsmogelijkheid” voor de beoogde soorten, meer bepaald “in de eerste plaats algemene soorten, die doorgaans in grote aantallen en over heel Vlaanderen verspreid voorkomen” (zwarte kraai, ekster, kauw, spreeuw en gaai) “en in de tweede plaats een soort (brandgans), waarvan in het Vlaamse gewest een zomerpopulatie voorkomt die wordt geacht te bestaan uit specimens die afstammen van uit gevangenis ontsnapte dieren”. De afwijkingsmogelijkheid wordt verantwoord door “de regelmaat waarmee deze soorten voor bepaalde hinder of schade zorgen” en “op omvangrijke schaal een specifieke negatieve impact kunnen hebben”. De afwijkingsmogelijkheid wordt “geacht geen negatief effect te zullen hebben op die populaties” van deze soorten. De afwijkingsmogelijkheid beoogt “te vermijden dat telkens een specifieke afwijking op basis van artikel 19 en volgende van het Soortenbesluit zou moeten worden aangevraagd”. VII-39.818-22/25
- De in bijlage 3 omschreven “aanvraagprocedure” is een melding aan het bevoegde agentschap van de “bestrijding” middels een “elektronisch meldingsformulier” dat ter beschikking wordt gesteld op de website van het agentschap. De aangemelde bestrijding kan aanvangen “op zijn vroegst […] 24 uur na de melding”. Het agentschap gaat na of de voorwaarden vervuld zijn om tot bestrijding over te gaan, is gemachtigd toezicht uit te oefenen op de aangemelde bestrijding en “kan met een gemotiveerde beslissing op elk moment de bestrijding beperken of verbieden”.
- De aanvraagprocedure kadert aldus in de algemene, generieke afwijkingsmogelijkheid waartoe in de bijlage 3 van het Soortenbesluit is beslist. Voor de bestrijding van de in bijlage 3 bedoelde soorten volstaat daarom een voorafgaande (24 uur) melding. Het blijkt evenwel niet dat deze algemene, generieke afwijkingsmogelijkheid beperkt is tot de gevallen waarin geen andere bevredigende oplossing bestaat. De verwerende partij volstaat bovendien met het inroepen van alle redenen in artikel 9, eerste lid, a), van de Vogelrichtlijn om af te wijken van de bescherming van de in bijlage 3 beoogde soorten die “voor bepaalde hinder en schade zorgen” en “op omvangrijke schaal een specifieke negatieve impact kunnen hebben”. Het enkele vermoeden dat de toegelaten afwijking geen negatief effect zal hebben op de populaties van de bedoelde soorten laat tot slot niet toe aan te nemen dat de algemene, generieke afwijkingsmogelijkheid beperkt is tot het strikt noodzakelijke. VII-39.818-23/25
- De aanvraagprocedure in bijlage 3 van het Soortenbesluit leidt ertoe dat het agentschap aan wie de bestrijding wordt gemeld geen enkele beslissing neemt, ofwel dat dit agentschap een gemotiveerde beslissing neemt tot het beperken of verbieden van de aangemelde bestrijding. In het eerste geval dient besloten te worden dat de algemene, generieke afwijkingsmogelijkheid niet wordt toegestaan op basis van een besluit dat steunt op nauwkeurige en treffende motivering die verwijst naar de in artikel 9, eerste en tweede lid, van de Vogelrichtlijn opgesomde redenen, voorwaarden en vereisten. In het tweede geval dient te worden vastgesteld dat de gemotiveerde beslissing van het bevoegde agentschap om de aangemelde afwijking te beperken of te verbieden niet moet worden genomen binnen de 24 uur na de melding en dus na 24 uur kan worden genomen. In voorkomend geval leidt dit, gelet op het voorgaande, tot de vaststelling dat het beschermingsmechanisme van de Vogelrichtlijn wordt omgedraaid door de algemene, generieke afwijkingsmogelijkheid als regel te stellen en de bescherming van de in bijlage 3 bedoelde soorten als uitzondering te laten gelden.
- De conclusie is dat het bestreden besluit artikel 7, eerste lid van het natuurbehouddecreet, artikel 9, eerste en tweede lid, van de Vogelrichtlijn, het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht schendt. Het eerste middelonderdeel is gegrond. VII-39.818-24/25 BESLISSING
- De Raad van State vernietigt “het besluit van de Vlaamse regering van 17 juni 2016 tot wijziging van diverse bepalingen van het Soortenbesluit van 15 mei 2009”.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verzoekende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien januari tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-39.818-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.364 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div