id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:201
artikel 21, § 1 van het konink- lijk besluit van 15 maart 1968 ‘houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheids- toebehoren moeten voldoen’ (hierna: het koninklijk besluit technische eisen). 3.
- Op 1 juli 2015 wordt het proces-verbaal overgemaakt aan de procureur des Konings te Brugge met het verzoek om overeenkomstig artikel 17, § 3, van het decreet bijzonder wegtransport, binnen een termijn van 60 dagen mee te delen welk gevolg aan de zaak zal worden gegeven. Op 7 september 2015 beslist de procureur des Konings dat geen strafvervolging zal worden in gesteld. 3.
- Op 3 december 2015 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 2400 euro op te leggen. De tweede verzoekende partij wordt burgerrechtelijk aansprakelijk gesteld. Deze beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht. 3.
- Op 11 december 2015 tekenen de verzoekende partijen bezwaar aan tegen die beslissing. Op 16 februari 2016 heeft een hoorzitting plaats. Naar aanlei- ding van de hoorzitting legt de tweede verzoekende partij een schriftelijke conclusie neer. XII-8167- 3/8 Op 7 maart 2016 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 2400 euro op te leggen, de tweede verzoekende partij wordt burgerrechtelijk aansprakelijk gesteld. Deze beslissing wordt op dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partijen, die woonplaats hebben gekozen bij hun raadsman, ter kennis gebracht. 3.
- Op 29 maart 2016 stellen de verzoekende partijen tegen die beslissing beroep in bij de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken. Op 18 mei 2016 heeft een hoorzitting plaats. De tweede verzoekende partij dient opnieuw een schriftelijke conclusie in. Op 20 juni 2016 beslist de administrateur-generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer om aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete op te leggen van 2400 euro en de tweede verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen. Die beslissing wordt op dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting 4.
- In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 19, §
§ 3, van het decreet bijzonder wegtransport.
De verzoekende partijen betogen dat artikel 19, §
§ 3
van het decreet bijzonder wegtransport termijnen bevat waarbinnen de administratie XII-8167- 4/8 het verzet respectievelijk het beroep tegen het opleggen van een administratieve geldboete dient te behandelen. Aangezien de termijn in beide gevallen uitdrukke- lijk is voorgeschreven op straffe van verval van de administratieve geldboete en de termijnen niet werden gerespecteerd, dient de administratieve geldboete te worden vernietigd. In de memorie van wederantwoord beperken de verzoekende partijen er zich zonder meer toe te stellen dat zij “volharden in het geformuleerde middel”. Beoordeling 4.2. Er dient te worden vastgesteld dat het middel niet ontvankelijk is nu het is beperkt tot de blote bewering dat “de termijnen niet werden gerespec- teerd”, en aldus niet op concrete wijze aangeeft op welke wijze de bepalingen van artikel 19, §
§ 3, van het decreet bijzonder wegtransport, zouden zijn geschonden.
Bovendien hebben de verzoekende partijen niet gereageerd op de omstandige toelichting van de verwerende partij in de memorie van antwoord, waarin met verwijzing naar de stukken van het administratief dossier, concreet wordt uiteengezet op welke wijze de door het voormelde artikel 19, §
§ 3, van het voormelde decreet opgelegde vervaltermijnen wel werden gerespecteerd.
4.
- Het middel is niet ontvankelijk. B. Tweede middel Uiteenzetting 4.
- De verzoekende partijen voeren in een tweede middel de schending aan van “art. VIII.43 WER en het KB van 28 september 2010 betreffende de automatische weegwerktuigen”. XII-8167- 5/8 De verzoekende partijen betogen dat de automatische asdruk- weger waarmee de inbreuk werd vastgesteld niet werd geijkt. Nochtans vereist het volgens de verzoekende partijen toepasselijk koninklijk besluit van 28 september 2010 ‘betreffende de automatische weegwerktuigen’ dat automatische meet- werktuigen die gebruikt worden in het kader van de openbare veiligheid en de openbare orde, onderworpen worden aan ijking en technische controle. De verzoekende partijen betogen dat de asdrukweger in kwestie niet is geijkt, niet werd herijkt en ook niet is voorzien van technische controle zoals door de wetgeving is vereist. Met betrekking tot het verslag van metrologische controle dat door de verwerende partij naar voor kan worden gebracht, merken de verzoekende partijen op dat dit geen ijkingsverslag is zoals voorzien in de regelgeving. Zij wijzen ook op de vermelding in het verslag: “In geval van twijfel moeten de wegingen uitgevoerd worden op een geijkt weegwerktuig”. De weging met een asdrukweger betreft een 100 % automatische technische vaststelling waarbij de verbalisanten zelf niet vaststellen maar dit overlaten aan de computer. De weegbon, die wordt voorgelegd in het huidige dossier, is puur het product van de automatische weging. De weegresultaten kunnen dan ook niet als wettige resultaten worden aanvaard. 4.
- In de memorie van wederantwoord blijft het antwoord van de verwerende partij dat het geschonden geachte koninklijk besluit van 28 september 2010 ‘betreffende de automatische weegwerktuigen’ niet van toepassing is, onbesproken, en “volharden” de verzoekende partijen zonder meer “in het geformuleerde middel”. Beoordeling 4.
- De Raad van State heeft reeds in talrijke arresten gewezen dat er niet in een wettelijke regeling is voorzien inzake de ijking van automatische asdrukwegers die worden gebruikt met het oog op de vaststelling van inbreuken op XII-8167- 6/8 het decreet bijzonder wegtransport. Zoals de verwerende partij aangeeft, heeft de bijlage MI-006 bij het koninklijk besluit van 13 juni 2006 ‘betreffende meet- instrumenten’, zoals van kracht op het ogenblik van de kwestieuze weging, slechts betrekking op vijf types van automatische weegwerktuigen, te weten:
- automatische vangwegers;
- automatische doseerweegwerktuigen;
- discontinu totaliserende weegwerktuigen;
- continu totaliserende bandwegers; en
- automatische spoorwegweegbruggen. Dezelfde types van automatische weegwerktuigen worden ook opgesomd in de bijlage bij het koninklijk besluit van 28 september 2010 ‘betreffende de automatische weegwerktuigen’, waarin per type weegwerktuig de voorschriften zijn opgenomen waaraan de automatische weegwerktuigen moeten voldoen om het aanvaardingsmerk bij de herijk en de technische controle te ontvangen (zie artikel 2 van het vermelde koninklijk besluit). Het verweer dat de betreffende asdrukwegers niet onder deze specifieke types van weegwerktuigen worden vermeld, wordt door de verzoekende partijen niet betwist en kan worden bijgevallen. De verzoekende partijen tonen in de gegeven omstandigheden niet aan dat de automatische asdrukwegers onder het toepassingsgebied vallen van het koninklijk besluit van 28 september 2010 ‘betreffende de automatische weegwerktuigen’. 4.
- Bovendien kan in ieder geval ook worden vastgesteld dat de betreffende asdrukweger met serienummer 5417 op 25 november 2014, dit is zes maanden voorafgaand aan de uitvoering van de weging, werd onderworpen aan een vrijwillige metrologische controle uitgevoerd door de federale overheidsdienst economie. De verzoekende partijen brengen geen gegevens aan die eraan doen twijfelen dat een controle op vrijwillige basis door de metrologische dienst, waarvan de bevoegdheid en kunde ter zake niet in vraag worden gesteld, minder zekerheid zou verschaffen omtrent de correctheid van een uitgevoerde weging dan in geval van een bij wet voorziene ijking. De Raad van State ziet zulks evenmin XII-8167- 7/8 spontaan in. In de mate dat de verzoekende partijen stellen dat in het metrologisch verslag zou worden aangegeven dat in geval van twijfel de wegingen uitgevoerd moeten worden op een geijkt weegwerktuig, zetten zij geenszins uiteen waarom er te dezen sprake zou kunnen zijn geweest van twijfel, noch tonen zij concreet aan waarom de meetresultaten niet de vereiste betrouwbaarheid zouden vertonen. 4.
- De verzoekende partijen zetten voorts niet uiteen op welke wijze artikel VIII.43 van het Wetboek van Economisch Recht zou zijn geschonden. 4.
- Het middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 400 euro, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 10 januari 2019, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Johan Bovin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Johan Bovin XII-8167- 8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.374 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div