id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:201
§ 3, van het decreet bijzonder wegtransport.
De verzoekende partijen betogen dat artikel 19, §
§ 3
van het decreet bijzonder wegtransport termijnen bevat waarbinnen de administratie het verzet respectievelijk het beroep tegen het opleggen van een administratieve geldboete dient te behandelen. Aangezien de termijn in beide gevallen uitdrukke- lijk is voorgeschreven op straffe van verval van de administratieve geldboete en de termijnen niet werden gerespecteerd, dient de administratieve geldboete te worden vernietigd. XII-8217- 4/13 In de memorie van wederantwoord beperken de verzoekende partijen er zich zonder meer toe te stellen dat zij “volharden in het geformuleerde middel”. Beoordeling 4.2. Er dient te worden vastgesteld dat het middel niet ontvankelijk is nu het is beperkt tot de blote bewering dat “de termijnen niet werden gerespec- teerd”, en aldus niet op concrete wijze aangeeft op welke wijze de bepalingen van artikel 19, §
§ 3, van het decreet bijzonder wegtransport, zouden zijn geschonden.
Bovendien hebben de verzoekende partijen niet gereageerd op de omstandige toelichting van de verwerende partij in de memorie van antwoord, waarin met verwijzing naar de stukken van het administratief dossier, concreet wordt uiteengezet op welke wijze de door het voormelde artikel 19, §
§ 3, van het voormelde decreet opgelegde vervaltermijnen wel werden gerespecteerd.
4.
- Het middel is niet ontvankelijk. B. Tweede middel Uiteenzetting 4.
- De verzoekende partijen voeren in een tweede middel de schending aan van “art. VIII.43 WER en het KB van 28 september 2010 betreffende de automatische weegwerktuigen”. De verzoekende partijen betogen dat de automatische asdrukweger waarmee de inbreuk werd vastgesteld niet werd geijkt. Nochtans vereist het volgens de verzoekende partijen toepasselijk koninklijk besluit van 28 september 2010 ‘betreffende de automatische weegwerktuigen’ dat auto- matische meetwerktuigen die gebruikt worden in het kader van de openbare veiligheid en de openbare orde, onderworpen worden aan ijking en technische XII-8217- 5/13 controle. De verzoekende partijen betogen dat de asdrukweger in kwestie niet is geijkt, niet werd herijkt en ook niet is voorzien van technische controle zoals door de wetgeving is vereist. Met betrekking tot het verslag van metrologische controle dat door de verwerende partij naar voor kan worden gebracht, merken de verzoekende partijen op dat dit geen ijkingsverslag is zoals voorzien in de regelgeving. Zij wijzen ook op de vermelding in het verslag: “In geval van twijfel moeten de wegingen uitgevoerd worden op een geijkt weegwerktuig”. De weging met een asdrukweger betreft een 100 % automatische technische vaststelling waarbij de verbalisanten zelf niet vaststellen maar dit overlaten aan de computer. De weegbon, die wordt voorgelegd in het huidige dossier, is puur het product van de automatische weging. De weegresultaten kunnen dan ook niet als wettige resultaten worden aanvaard. 4.
- In de memorie van wederantwoord blijft het antwoord van de verwerende partij dat het geschonden geachte koninklijk besluit van 28 september 2010 ‘betreffende de automatische weegwerktuigen’ niet van toepassing is, onbesproken, en “volharden” de verzoekende partijen zonder meer “in het geformuleerde middel”. Beoordeling 4.
- De Raad van State heeft reeds in talrijke arresten gewezen dat er niet in een wettelijke regeling is voorzien inzake de ijking van automatische asdrukwegers die worden gebruikt met het oog op de vaststelling van inbreuken op het decreet bijzonder wegtransport. Zoals de verwerende partij aangeeft, heeft de bijlage MI-006 bij het koninklijk besluit van 13 juni 2006 ‘betreffende meet- instrumenten’, zoals van kracht op het ogenblik van de kwestieuze weging, slechts betrekking op vijf types van automatische weegwerktuigen, te weten:
- automatische vangwegers;
- automatische doseerweegwerktuigen; XII-8217- 6/13
- discontinu totaliserende weegwerktuigen;
- continu totaliserende bandwegers; en
- automatische spoorwegweegbruggen. Dezelfde types van automatische weegwerktuigen worden ook opgesomd in de bijlage bij het koninklijk besluit van 28 september 2010 ‘betreffende de automatische weegwerktuigen’, waarin per type weegwerktuig de voorschriften zijn opgenomen waaraan de automatische weegwerktuigen moeten voldoen om het aanvaardingsmerk bij de herijk en de technische controle te ontvangen (zie artikel 2 van het vermelde koninklijk besluit). Het verweer dat de betreffende asdrukwegers niet onder deze specifieke types van weegwerktuigen worden vermeld, wordt door de verzoekende partijen niet betwist en kan worden bijgevallen. De verzoekende partijen tonen in de gegeven omstandigheden niet aan dat de automatische asdrukwegers onder het toepassingsgebied vallen van het koninklijk besluit van 28 september 2010 ‘betreffende de automatische weegwerktuigen’. 4.
- Bovendien kan in ieder geval ook worden vastgesteld dat de betreffende asdrukweger met serienummer 5417 op 25 november 2014, dit is acht maanden voorafgaand aan de uitvoering van de weging, werd onderworpen aan een vrijwillige metrologische controle uitgevoerd door de federale overheids- dienst economie. De verzoekende partijen brengen geen gegevens aan die eraan doen twijfelen dat een controle op vrijwillige basis door de metrologische dienst, waarvan de bevoegdheid en kunde ter zake niet in vraag worden gesteld, minder zekerheid zou verschaffen omtrent de correctheid van een uitgevoerde weging dan in geval van een bij wet voorziene ijking. De Raad van State ziet zulks evenmin spontaan in. In de mate dat de verzoekende partijen stellen dat in het metrologisch verslag zou worden aangegeven dat in geval van twijfel de wegingen uitgevoerd moeten worden op een geijkt weegwerktuig, zetten zij geenszins uiteen waarom er te dezen sprake zou kunnen zijn geweest van twijfel, noch tonen zij concreet aan waarom de meetresultaten niet de vereiste betrouwbaarheid zouden vertonen. XII-8217- 7/13 4.
- De verzoekende partijen zetten voorts niet uiteen op welke wijze artikel VIII.43van het Wetboek van Economisch Recht zou zijn geschonden. 4.
- Het middel wordt verworpen. C. Derde middel Uiteenzetting 4.
- In een derde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van “artikel 19, § 3 Decreet Bijzonder Wegtransport, artikel 6 EVRM en het algemeen rechtsbeginsel van fair trial, in het bijzonder de behandeling van de zaak door dezelfde aangewezen ambtenaar”. De verzoekende partijen betogen dat de geschonden geachte bepalingen inhouden dat de ambtenaar die de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete neemt, ook aanwezig dient te zijn bij de hoorzitting. Te dezen was de Administrateur-generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer, die de bestreden beslissing heeft, genomen, niet aanwezig op de hoorzitting in graad van beroep, zodat hij geen rechtsgeldige beslissing kon nemen. In de memorie van wederantwoord beperken de verzoekende partijen er zich zonder meer toe te stellen dat zij “volharden in het geformuleerde middel”. Beoordeling 4.
- Met een ter post aangetekende brief van 14 april 2016 werden de verzoekende partijen uitgenodigd op een hoorzitting op 18 mei 2016 waar zij gehoord zouden worden. De verzoekende partijen zijn blijkens de niet betwiste gegevens van het administratief dossier op deze hoorzitting niet verschenen, maar XII-8217- 8/13 namens de tweede verzoekende partij werden wel schriftelijke conclusies neergelegd. Daargelaten de vraag naar het belang van de verzoekende partijen bij hun kritiek dat zij op de hoorzitting niet zouden zijn gehoord door de administrateur-generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer, nu ze zelf niet aanwezig waren op deze hoorzitting, dient te worden vastgesteld dat niet blijkt dat de bevoegde administrateur-generaal geen kennis had van het standpunt van de verzoekende partij bij het nemen van de bestreden beslissing. In die beslissing wordt integendeel verwezen naar de hoorzitting en de neergelegde schriftelijke conclusies en wordt ingegaan op de in deze conclusies ontwikkelde argumentatie. 4.
- Voorts kan worden verwezen naar het vierde en het vijfde lid van het geschonden geachte artikel 19, § 3, van het decreet bijzonder wegtransport, die luiden als volgt: “Als wel tijdig en ontvankelijk beroep werd aangetekend of als de overtreder, in voorkomend geval, de onderneming vraagt om gehoord te worden over de ontvankelijkheid, wordt de overtreder en, in voorkomend geval, de onderneming uitgenodigd op een hoorzitting. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de hoorzitting. Na de hoorzitting, ongeacht of die werd bijgewoond, neemt de Vlaamse Regering of de ambtenaar die aangewezen is overeenkomstig paragraaf 4 de zaak onmiddellijk in beraad. De Vlaamse Regering bepaalt de inhoud en de vorm van de beslissing in beroep.” Uit deze bepaling volgt geenszins dat de administrateur-generaal aanwezig zou dienen te zijn op de hoorzitting. Evenmin kan hieruit worden afgeleid dat indien de beslissing door de administrateur-generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer wordt genomen, de verzoekende partijen door de administrateur-generaal zelf moeten worden gehoord. Er wordt enkel bepaald dat de overtreder of de onderneming kunnen vragen om te worden gehoord. Vervolgens bepaalt artikel 19, § 4, eerste lid, van hetzelfde decreet: “De Vlaamse Regering kan een of meer ambtenaren aanwijzen die de overtreder en de onderneming op de hoogte brengen van de eventuele XII-8217- 9/13 onontvankelijkheid van het beroep, die de overtreder, de onderneming of de raadsman zullen horen en het beroep zullen uitspreken. Deze ambtenaren mogen niet betrokken geweest zijn bij eerdere stappen van de procedure.” Hiertoe heeft de Vlaamse regering in artikel 9, § 3, van het koninklijk besluit van 20 december 2013 ‘betreffende de handhaving inzake de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ bepaald dat het hoofd van het Agentschap Wegen en Verkeer wordt aangewezen om de overtreder en, in voorkomend geval, de onderneming of de raadsman te horen in het kader van het beroep en dat het beroep, vermeld in artikel 19, § 3, van het decreet bijzonder wegtransport, bij het hoofd van het Agentschap Wegen en Verkeer wordt ingediend en door hem wordt uitgesproken. Artikel 11 van voormeld koninklijk besluit bepaalt dat overeenkomstig artikel 19 en 20 van het besluit van de Vlaamse regering van 10 oktober 2003 ‘tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de intern verzelfstandigde agentschappen van de Vlaamse overheid’, het hoofd van het Agentschap Wegen en Verkeer de bevoegdheden, vermeld in artikel 9, § 3, eerste en tweede lid, verder kan delegeren aan personeelsleden van zijn entiteit die onder zijn hiërarchisch gezag staan. Bij artikel 19, tweede lid, van het besluit van 9 februari 2011 van de administrateur-generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer van het Vlaams ministerie van Mobiliteit en Openbare Werken ‘tot subdelegatie van sommige beslissingsbevoegdheden aan personeelsleden van het agentschap’, zoals gewijzigd bij besluit van 21 mei 2014, heeft de administrateur-generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer de bevoegdheid om de overtreder, de onderneming of de raadsman te horen in het kader van het beroep gedelegeerd aan het afdelingshoofd van de entiteit Planning en Coördinatie. 4.
- Het derde middel wordt verworpen. XII-8217- 10/13 D. Vierde middel Uiteenzetting 4.
- In een vierde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van “artikel 6 EVRM inzake de gevoerde taal”. De verzoekende partijen zetten uiteen dat de administratieve geldboete die werd opgelegd op grond van het decreet bijzonder wegtransport een sanctie is in de zin van artikel 6 EVRM. Uit het proces-verbaal blijkt dat de tweede verzoekende partij de Nederlandse taal niet machtig is. Bijgevolg is “de procedure, minstens de actuele stukken uit de procedure volstrekt niet zijn, gelet op het feit dat deze niet in een voor hen verstaanbare taal, zijnde het Frans, werden gevoegd.”. Enkel mits een vertaling konden de verzoekende partijen hun verdediging ten volle voorbereiden. In de memorie van wederantwoord beperken de verzoekende partijen er zich zonder meer toe te stellen dat zij “volharden in het geformuleerde middel”. Beoordeling 4.
- De verzoekende partijen laten na duidelijk aan te geven welk lid van artikel 6 EVRM zij te dezen geschonden achten. In de uiteenzetting van hun grief voeren zij enkel aan dat de opgelegde administratieve geldboete een sanctie is in de zin van artikel 6 EVRM en dat de actuele stukken uit de procedure volstrekt nietig zijn, gelet op het feit dat deze niet in een voor de tweede verzoekende partij verstaanbare taal, zijnde het Frans, werden gevoegd. Hierin kan een aangevoerde schending van artikel 6.3., a) en e) EVRM worden gelezen. Krachtens deze bepalingen heeft eenieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, het recht om onverwijld, in een taal welke hij verstaat, en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte XII-8217- 11/13 beschuldiging en om zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal welke ter zitting wordt gebezigd niet verstaat of niet spreekt. 4.
- In de eerste plaats dient te worden vastgesteld dat de tweede verzoekende partij, die volgens de verzoekende partijen de taal van de proces- stukken niet machtig zou zijn, niet strafrechtelijk wordt vervolgd aangezien zij slechts burgerrechtelijk aansprakelijk wordt gehouden voor de betaling van de administratieve geldboete. De eerste verzoekende partij werd te dezen aangeduid als de overtreder en de sanctie, te weten de administratieve geldboete, werd dan ook opgelegd aan de eerste verzoekende partij. De verzoekende partijen betwisten geenszins dat de eerste verzoekende partij de Nederlandse taal machtig is. De eerste verzoekende partij heeft trouwens op de vragenlijst/verklaring bij het proces-verbaal vermeld dat hij het Nederlands kiest als taal van de rechtspleging. De verzoekende partijen zetten voorts niet uiteen hoe het feit dat de tweede verzoekende partij, die slechts als burgerrechtelijk aansprakelijke partij betrokken is in de administratieve procedure, de Nederlandse taal niet machtig zou zijn te dezen aanleiding zou hebben gegeven tot een schending van artikel 6 EVRM. 4.
- Ten overvloede dient nog te worden opgemerkt dat de feitelijke premisse van het middel dat de tweede verzoekende partij de Nederlandse taal niet machtig zou zijn, niet geloofwaardig overkomt. De tweede verzoekende partij betreft weliswaar een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die haar maatschappelijke zetel heeft te Doornik, doch de enige zaakvoerder van de vennootschap is echter Johan Vuylsteke, wonende te Zwevegem, Vierkeerstraat 81, dit is in het Nederlandse taalgebied. Blijkens de door de verzoekende partijen bij hun verzoekschrift gevoegde statuten van de tweede verzoekende partij was de maatschappelijke zetel van de tweede verzoekende partij tot 30 juni 2008 ook gevestigd in de Vierkeerstraat te Zwevegem. Zoals blijkt uit het administratief dossier heeft de tweede verzoekende partij tijdens de bestuurlijke procedure die aanleiding heeft gegeven tot de bestreden beslissing op geen enkel ogenblik enige opmerking gemaakt omtrent de taal van de stukken in de procedure en heeft zij bij XII-8217- 12/13 monde van haar raadsman steeds in de Nederlandse taal uitvoerig haar verdediging gevoerd. 4.
- Het middel is niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 400 euro, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 10 januari 2019, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Johan Bovin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Johan Bovin XII-8217- 13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.375 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div