id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.381 Rolnummer: A. 225645/XIV-37774 Zaak: Arrest 243381 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 11/01/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-01-11 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-06-25 01:20 Fiche Arrest nr 243.381 van 11 januari 2019 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 243.381 van 11 januari 2019 in de zaak A. 225.645/XIV-37.774 In zake : Patrick SIMONS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de POLITIEZONE 5339 BRUSSEL HOOFDSTAD - ELSENE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frédéric Van De Gejuchte kantoor houdend te 1030 Brussel de Jamblinne de Meuxplein 41 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
(8)lege flessen bier en een half vol glas met bier. Deze inspecteur was slaperig, was licht agressief, bleke kleur van gelaat en gespannen, had een middelmatige geur van alcohol, had een glazige blik en zware oogleden, zijn kledij was wanordelijk, was licht opgewonden en oriëntatie in tijd was middelmatig, deze was op zijn hoede en op de vraag van alcohol, nam hij zijn glas bier voor hem om er nog van te drinken ik nam dit glas bier van zijn hand en liet dit niet toe’; - informatiefiche van INP [K.L.] van 14/01/2017: ‘Om 19:50 komen de Sierra en Coori aan, in hun bijzijn betreden we de ‘Black Horse’. Op de stoep voor de ‘Black Horse’ treffen we INP [D.V.] van de politiezone Brussel-Hoofdstad Elsene aan. Deze is aan het bellen met zijn gsm. Wij stellen vast dat [D.V.] rood aangeslaan is in het aangezicht en wankel wandelt. [D.V.] heeft bloeddoorlopen ogen. Hij is wanordelijk gekleed. We begeleiden hem naar binnen. In de ‘Black Horse’ merken we, achteraan in het gebouw, twee andere collega’s zijnde [verzoeker] en INP [C.H.] van de politiezone Brussel-Hoofdstad Elsene. Binnen merken dat [D.V.] wanordelijke gekleed is en drager is van zijn dienstgordel met dienstwapen. Hij deelt ons spontaan mee dat hij niet snapt wat het probleem is en waarom wij daar zijn. Zij zijn toch geen criminelen dus dit is toch allemaal niet nodig’; XIV-37.774-8/25 - verhoor van CP [J.-J.D.] van 12/04/2017: ‘Ter plaatse stond INP [D.V.] buiten, aan het bellen. Die man was niet agressief maar kon nauwelijks op zijn benen staan. Iets later kwam ook INP [P.S.] naar buiten. We hebben aan hen gevraagd om terug naar binnen te gaan, wat ze ook gedaan hebben. De derde man, INP [C.H.], zat nog te genieten van een biertje, aan een tafel achteraan het café. Op die tafel stonden 8 lege flessen bier. INP [C.H.] heeft nog een poging gedaan om zijn bier leeg te drinken, maar Mr [H.] heeft hem gevraagd daarmee te stoppen. Ik bevestig formeel dat alle ingrediënten aanwezig waren voor het vaststellen van een openbare dronkenschap voor alle drie. Een klant van het café sprak me aan en zei dat we net op tijd kwamen, want dat de situatie dreigde te ontaarden.’; - verhoor van CP [L.H.] van 05/05/2017: ‘[Verzoeker] zat onderuitgezakt op de bank toen ik de Black Horse binnenkwam. De andere twee zaten op een stoel en stonden recht op het ogenblik dat ik binnenkwam. Op de tafel stonden 4 glazen, waarvan 1 nog halfvol. Er zat een roze substantie in, maar geen bier. Op het moment dat ik met CP [J.-J.D.] aan het praten was, zag ik dat INP [D.V.] een poging ondernam om het etablissement te verlaten. Naar mijn mening waren de betrokken inspecteurs in dronken toestand, [Verzoeker] was er het ergst aan toe’; -verhoor van INP [I.S.] van 07/05/2017 (vertaling uit het Frans): ‘Het lijkt mij dat er lege glazen op de tafel stonden dichtbij de inspecteurs, maar ik zou niet meer kunnen preciseren wat er zich in deze glazen bevond of had bevonden. Ik ben echter formeel over het feit dat de drie inspecteurs in uniform waren en in het bezit van hun dienstwapen. De inspecteurs waren duidelijk in een staat van dronkenschap. Ze herhaalden meerdere keren hetzelfde, ze hadden bloeddoorlopen ogen, gezicht rood aangelopen, de adem stinkend naar alcohol, één van hen, [verzoeker], kon nog amper op zijn benen staan’; - verhoor van INP [J.W.] van 05/06/2017 (vertaling uit het Frans): ‘Ik ben niet binnengegaan in het etablissement en kan U dus niets zeggen over wat er zich daarbinnen zou kunnen afgespeeld hebben. Ik heb daarentegen wel de drie collega’s van Brussel gezien. Deze waren duidelijk in een staat van dronkenschap’; - verhoor van INP [F.T.] van 06/06/2017 (vertaling uit het Frans) : ‘De drie resterende agenten bevonden zich achteraan in het etablissement. Ze zaten aan een lange tafel met daarop veel lege bierglazen. Op dat moment was het duidelijk dat deze drie agenten zich in een vergevorderde staat van dronkenschap bevonden. Een van hen, geïdentificeerd als [verzoeker], was bijzonder erg onder invloed. (...) Ik voeg er nog aan toe dat vóór de aankomst van de CP van Brussel, de drie inspecteurs zich in een staat van dronkenschap bevonden, kalm maar vastberaden en eisen stellend.’; - verhoor van INP [J.B.] van 06/06/2017: ‘Wij zijn inderdaad opgeroepen geweest door onze zonale dispatching, voor 04 collega’s dit zich in een café bevonden. Deze waren onder invloed en in volledig uniform. Ik kan niet bevestigen of ontkennen dat ze meer dan één pils gedronken hadden of niet, maar ze bevonden zich duidelijk in een verdere dronken toestand. Bij onze tussenkomst heeft [verzoeker] nog struikelend de plaats willen verlaten. Nadien zijn ze allen dus de drie collega’s samen gebracht geweest in het café in afwachting van de officier van de politiezone Brussel. Op de tafel alwaar zij plaats hadden genomen, bevonden er zich meerdere glazen en flessen bier.’ XIV-37.774-9/25 Overwegende dat voornoemde verklaringen, niettegenstaande enkele variaties, beschouwd kunnen worden als overeenstemmend over de staat in dewelke INP [D.V.], [verzoeker] en [C.H.] zich bevonden; dat bepaalde van die variaties uitgelegd kunnen worden door het feit dat de declaranten niet op hetzelfde ogenblik zijn tussengekomen op het ogenblik van de feiten; dat het verslag van PC [H.] bijzonder nauwkeurig is over de staat van INP [D.V.], [verzoeker] en [C.H.]; Overwegende dat uit voornoemde verklaringen besloten kan worden dat de staat van betrokkenen te wijten was aan het verbruik van alcohol en niet aan het nemen van medicijnen, moeheid of aan een psychologische zwakheid ; Overwegende dat de betrouwbaarheid van de verklaring van mevrouw [N.B.] van 16/05/2017 twijfelachtig is; zij was niet aanwezig in het etablissement ‘Black Horse’ op 14/01/2017; dat zij bovendien verklaard heeft: ‘[N.] heeft me nadien gezegd dat drie agenten het café waren binnengestapt en elk een koffie hadden gedronken die ze betaald. Volgens [N.] bevonden deze agenten zich niet in staat van dronkenschap’; Dat deze versie van de feiten totaal onverenigbaar is met de andere verklaringen; dat INP [D.V.], [verzoeker] en [C.H.] nooit verklaard hebben dat zij een koffie hadden besteld; Overwegende dat de verklaring van HINP [F.C.] van 06/03/2017 niet van aard is om de meerdere verklaringen in vraag te stellen die haar tegenspreken en dit te meer omdat INP [F.C.] niet ter plaatse was op het ogenblik van de feiten; Overwegende dat de houding van [verzoeker] op 14/01/2017 manifest niet een houding is die men van een politie-inspecteur kan verwachten; dat de politie- ambtenaren tegenover het publiek een voorbeeldfunctie hebben; dat het voor- beeldgedrag dat de politieambtenaren moeten aannemen bijdraagt tot hun geloofwaardigheid en aan het geloof van de bevolking in de politie en tot het vertrouwen dat zij dienen in te boezemen; dat rekening gehouden met zijn 31 jaar carrière, [verzoeker] perfect bewust moest zijn van zijn plichten als politieambtenaar; dat omwille van zijn lange carrière de verweten feiten nog minder verschoonbaar zijn; Overwegende dat rekening gehouden met zijn jaren dienst, [verzoeker] niet onwetend kon zijn van het feit dat hij geen alcohol mag gebruiken tijdens de dienst; dat indien de onbekendheid van deze regel in se onaanvaardbaar is, zij het nog meer is wanneer het alcoholverbruik heeft plaatsgevonden in een openbare plaats; dat alhoewel de juiste hoeveelheid alcohol die verbruikt werd door [verzoeker] niet precies kan achterhaald worden, dan nog de getuigenissen van de politiemannen die tussengekomen zijn in het café ‘Black Horse’ stellen, dat [verzoeker] niet meer in zijn normale staat was, terwijl hij gewapend was, wat bij de klanten van het café angst en verontwaardiging kon veroorzaken; dat de toestand voldoende zorgwekkend werd geacht om een beroep te verantwoorden op de politiezone van Schaarbeek - Evere - Sint-Joost-ten-Noode; Overwegende dat het zich bevinden onder invloed van alcohol in een openbare plaats tijdens de dienst in uniform en gewapend een houding vormt die ernstig de waardigheid van de functie ondermijnt in het bijzonder de negatieve invloeden die zulke houding met zich mee kan brengen aangaande het vertrouwen en het respect dat de politie aan de bevolking moet inboezemen; dat het dragen van het uniform een bijzondere zichtbaarheid aan deze personeelsleden, in een ruimte die toegankelijk is voor het publiek, met zich meebrengt; dat het dragen van een wapen door een personeelslid die een belangrijke hoeveelheid alcohol heeft gebruikt daarenboven aanleiding kan geven tot angst in hoofde van de aanwezige personen in deze ruimte; Overwegende dat de mediatisering van de feiten heeft bijgedragen tot het in diskrediet brengen van de politiezone van Brussel-Elsene; dat zelfs indien deze XIV-37.774-10/25 ruchtbaarheid niet gevraagd werd door [verzoeker], ze een gevolg was van het feit dat [verzoeker] en zijn collega’s in hoedanigheid van personeelslid van deze politiedienst handelden en van het gedrag dat zij aangenomen hebben toen zij zich bevonden in het café ‘Black Horse’; het niet mogelijk is dat [verzoeker] geen weet heeft van het risico dat politiemensen, meer dan andere burgers, lopen om hun doen en laten in de media te zien verschijnen indien hun handelen niet overeenstemt met de gedragingen die van politiemensen kunnen worden verwacht, gezien hun rol binnen de maatschappij, de bijzondere prerogatieven van dewelke zij genieten en de plichten die erbij behoren; Overwegende dat de feiten die gepleegd werden door [verzoeker] trouwens het voorwerp hebben uitgemaakt van een gerechtelijk onderzoek; dat de seponering van dit onderzoek gebeurde omdat het parket voorrang wilde geven aan een eventuele vervolging op tuchtrechtelijk vlak ; dat deze omstandigheid dus niet van aard is om de ernst van de feiten te verzwakken; Overwegende dat, op de dag van de feiten, de opdracht van [verzoeker] zijn aanwezigheid in het café ‘Black Horse’ niet verantwoordde; dat hij inderdaad verklaard heeft: ‘Die dag de veertiende januari 2017 deed ik een dienstprestatie beginnende om 12.00 uur tot 22.00 uur. De taak bestond erin om OI14/2017 uit te voeren. Het betreft de reisweg STIB + controles haltes STIB, het betreft in feite een voetpatrouille’; Overwegende dat [verzoeker] in zijn verweerschriften geschreven heeft dat: ‘De reden waarom concluant en [verzoeker] hem naar binnen hebben vergezeld was dat er een vraag was vanuit de dienst (HINP D.T.) om bij gelegenheid - naar aanleiding van bepaalde feiten, meer bepaald een recente massale vechtpartij in het andere etablissement van deze uitbaatster - bij de uitbaatster na te gaan of er aldaar filmbeelden werden gemaakt. Het antwoord was negatief en dat was in wezen de reden waarom concluant telefonisch contact opnam met collega [F.C.], toevalligerwijze net op het moment dat de interventieploegen toekwamen. Opgemerkt dient dat collega HINP [F.C.] enige tijd afwezig was geweest en niet op de hoogte van dit onderzoek’. Overwegende dat deze versie van de feiten niet conform is met de verklaringen van INP [D.V.] en [verzoeker] tijdens het voorafgaand onderzoek; dat zij altijd beweerd hebben dat de reden van hun verplaatsing naar het café ‘Black Horse’ het verzoek was van INP [P.S.] welke aldaar de genoemde ‘Columbia’ hoopte te ontmoeten; dat deze stap zich situeerde buiten de opdracht van INP [C.H.]; dat in elk geval, alhoewel zij de afwezigheid van de voornoemde Columbia hebben vastgesteld in het café ‘Black Horse’, [verzoeker] zich het recht heeft toegeëigend om daar aan tafel te gaan zitten om alcohol te verbruiken terwijl hij er niet onwetend van kon zijn dat hij aldus op flagrante wijze een essentiële verbodsbepaling overtrad die verbonden is met zijn functie; dat rekening gehouden met zijn lange carrière binnen de politie, [verzoeker] geen ‘jeugdvergissing’ kan pleiten; Overwegende dat de onaanvaardbare houding van [verzoeker] de vertrouwensband met de oversten van de zone onherstelbaar verbroken heeft ondanks zijn goede dienststaten en ondanks de gunstige getuigenissen waar hij het voorwerp van is; dat rekening houdend met de elementen van het dossier een tuchtstraf die [verzoeker] definitief uit het politiekorps verwijdert gerechtvaardigd is; dat enig andere tuchtstraf tot het minimaliseren van de feiten, waarvan de ernst ontegensprekelijk is rekening gehouden met de aard van het geschonden verbod en met de repercussies van het gedrag van betrokkene op het imago van de politiezone, zou bijdragen en hem zou laten geloven dat goede dienststaten en gunstige getuigenissen het mogelijk maken om aan de zwaarste straffen te ontsnappen ; dat het ontslag van ambtswege een gepaste tuchtstraf is; dat de feiten niettemin niet een XIV-37.774-11/25 zo ernstige straf als de afzetting verantwoorden; In onze hoedanigheid van hogere tuchtoverheid : Leggen wij [verzoeker], voor de feiten vervat in punt 2, de zware tuchtstraf op van ontslag van ambtswege.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. V. Ernst van het vierde middel Standpunt van de partijen
- Verzoeker voert in het vierde middel de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht, van het zorgvuldigheidsbeginsel, van artikel 25 van de tuchtwet, van artikel 18, § 3, van het koninklijk besluit van 26 november 2001 ‘tot uitvoering van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ en van het vermoeden van onschuld. Hij doet gelden dat hij tuchtrechtelijk is gestraft om reden dat de tuchtoverheid aanneemt dat hij één van de (tijdens de dienst) aanwezige inspecteurs was in het café “Black Horse” die zich in dronken toestand bevond. Uit de onderdelen 3.
- en 3.
- van de bestreden beslissing blijkt dat de tuchtoverheid aanneemt dat de feiten vaststaan, aan verzoeker kunnen worden toegerekend en een tuchtvergrijp uitmaken. Verwijzende naar onderdeel 5 van de bestreden beslissing, stelt verzoeker dat, benevens het gegeven van het tijdens de dienst en XIV-37.774-12/25 gewapend in een openbare plaats alcohol te hebben gebruikt, het beslissingsproces van de tuchtoverheid gedetermineerd is door de omkaderende omstandigheden van de staat waarin hij zich bevond op het ogenblik van de feiten, hetgeen mede in relatie staat tot de strafmaat van het ontslag van ambtswege. Wat de schending betreft van de materiëlemotiveringsplicht en de zorgvuldigheidsplicht, zet verzoeker uiteen wat volgt. Vooreerst wijst hij er op dat hij steeds heeft betwist dat hij in dronken toestand verkeerde, toestand dewelke de tuchtoverheid afleidt uit de verklaringen van commissaris van politie L.H. en van de inspecteurs van politie I.S., J.W. en F.T. Verzoeker stelt dat de subjectieve vaststellingen omtrent de dronkenschap niet kloppen en er sprake is van groepsbeïnvloeding ingevolge een tunnelvisie door de sfeer waarin de tussenkomst plaatsvond. Wat de feiten betreft, preciseert verzoeker dat hij in het betreffende café “Black Horse” inderdaad één - en slechts één enkele - pils heeft gedronken, en dit binnen een relatief kort tijdsbestek waarin hij de patrouille met collega F.C. heeft beëindigd en deze heeft afgezet aan het commissariaat (rond 18.00 uur), waarna hij is opgebeld door collega C.H. en deze heeft vervoerd naar het betreffende café. De tuchtoverheid is voortgegaan op de voornoemde vaststellingen en indrukken omtrent het zogenaamde dronkenschap, wat verzoeker aanduidt als een gezamenlijke projectie van de indruk van dronkenschap waarop de tuchtoverheid dan is voortgegaan. Ter adstructie hiervan haalt hij verscheidene tegenstrijdigheden aan in de verklaringen van de politieambtenaren betreffende het verloop van het vervoer naar het ziekenhuis voor onderzoek en het verloop aldaar in het ziekenhuis, betreffende het aantal ter plaatse aanwezige inspecteurs in het café (3 of 4 ?), betreffende het (al dan niet) reglementair geparkeerd zijn van het dienstvoertuig, betreffende wie al dan niet duidelijk buiten stond te telefoneren, betreffende de vaststelling dat I.S. lege glazen heeft opgemerkt en geen flessen, terwijl L.H. verklaart dat er op tafel vier glazen stonden waarvan één nog halfvol met een roze drank dat volgens hem geen bier was, terwijl J.-J.D. acht lege flessen bier zou hebben gezien. In een verslag van D.H. (dat in bijlage bij de verklaring van J.-J.D. is gevoegd) staat dan XIV-37.774-13/25 weer genoteerd dat er acht lege flessen bier stonden en een half vol glas met bier. Voorts verklaart L.H. dat verzoekers collegae P.S. het er het ergst aan toe was, terwijl J.-J.D. meent dat P.S. naar buiten is gegaan en hij P.S. heeft aangesproken en hem heeft gevraagd de gemoederen te kalmeren gelet op het feit dat de betrokken inspecteurs heel nerveus waren en dat “hij [dit] heeft […] gedaan.” Dit is volgens verzoeker dan ook manifest tegenstrijdig. Voorts doet verzoeker gelden dat volgens het verslag van D.H. verzoeker aan het bellen was en dat zijn spraak moeilijk was, terwijl hoofdinspecteur van politie F.C. (de telefonische gesprekspartner van verzoeker) expliciet heeft opgemerkt te willen benadrukken “dat [verzoeker] geen enkel teken vertoonde dat op dronkenschap zou kunnen wijzen”. De waarneming omtrent de moeilijke spraak klopt volgens verzoeker dus helemaal niet. Verzoeker komt op basis van dit alles tot zijn algemeen besluit dat de subjectieve waarnemingen die aanleiding hebben gegeven tot het oordeel van dronkenschap, onderling tegenstrijdig en inconsistent zijn en dat de diverse waarnemingen gekleurd zijn en ingegeven zijn door wederzijdse beïnvloeding, al dan niet onder sturing van foutieve voorafgaandelijke informatie. Volgens verzoeker kan de tuchtoverheid op grond van voorgaande vaststellingen onmogelijk voorhouden dat hij dronken was, wat die als “zijn staat op het ogenblik van de feiten” bestempelt. De talrijke verregaande tegenstrijdigheden en onjuistheden kunnen niet worden verantwoord doordat diegenen die de verklaringen aflegden niet allemaal op hetzelfde ogenblik zijn tussengekomen. Verzoeker wijst er op dat zij nagenoeg allemaal rond hetzelfde tijdsbestek aanwezig waren en hun vaststellingen deden. Verzoeker meent dan ook dat de tuchtoverheid niet is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, die niet correct heeft beoordeeld en op grond daarvan niet in redelijkheid tot haar besluit is gekomen, waardoor de materiëlemotiveringsplicht is geschonden. De bestreden beslissing steunt niet op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld, waardoor het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden. Hij stelt vast dat de tuchtoverheid de tuchtprocedure is opgestart vanuit een overtuiging dat hij zich in dronken toestand bevond gezien de verklaringen van subjectieve waarnemingen in hoofde van XIV-37.774-14/25 bepaalde personeelsleden, doch zij heeft, nadat verzoeker de tuchtoverheid heeft gewezen op de talrijke markante tegenstrijdigheden en onjuistheden in verschillende verklaringen, dat niet verder onderzocht teneinde haar aanvankelijk uitgangspunt van dronkenschap al dan niet te handhaven. Zij deed dat ook niet nadat de Tuchtraad geoordeeld heeft dat er geen eensgezindheid is over de hoeveelheid genuttigde alcohol. De tuchtoverheid beperkte er zich toe in een korte zinsnede te stellen dat “bepaalde van die variaties” uitgelegd kunnen worden door het feit dat de tussenkomende politieambtenaren niet op hetzelfde ogenblik zijn tussengenomen, maar dat volstaat volgens verzoeker geenszins in het licht van een zorgvuldige en deugdelijke feitenvinding en oordeelsvorming. Hij benadrukt dat de talrijke tegenstrijdigheden en onjuistheden geenszins alle hierdoor verklaarbaar zijn, wel integendeel aangezien de tussenkomende politieambtenaren nagenoeg alle rond hetzelfde tijdsbestek aanwezig waren en vaststellingen deden. Ondanks die tegenstrijdigheden die verzoeker uitvoerig detailleert, besluit verzoeker dat de tuchtoverheid zich er mee vergenoegt om zich te blijven steunen op deze verklaringen als materiële onderbouw voor de zogenaamde “dronkenschap” en doet zij de tegenstrijdigheden louter formeel af als niet ter zake doende.
- De verwerende partij antwoordt in de nota met opmerkingen dat wat het bewijs van de feiten betreft, uit de formele motivering van de bestreden beslissing volgt dat de bestreden beslissing steunt op het gegeven dat verzoeker alcohol heeft gebruikt tijdens de dienst terwijl hij in uniform was en gewapend en eveneens op de toestand waarin hij zich in een openbare ruimte bevond ten gevolge van het gebruik van alcohol. Deze feiten werden voor bewezen verklaard, enerzijds doordat verzoeker heeft erkend alcohol te hebben genuttigd in het etablissement “Black Horse” en anderzijds doordat de tussenkomende politieambtenaren overeenstemmende verklaringen - die zij citeert uit de bestreden beslissing - hebben afgelegd over de toestand waarin hij zich bevond. De verwerende partij meent dan ook dat het tuchtfeit van dronkenschap rechtmatig voor bewezen kon worden gehouden op grond van deze overeenstemmende verklaringen van zeven tussenkomende politieambtenaren die daarbij een aantal duidelijke uiterlijke kenmerken hebben omschreven op basis waarvan zij tot een XIV-37.774-15/25 staat van dronkenschap hebben kunnen besluiten. Daarenboven, zo merkt de verwerende partij nog op, wordt in de bestreden beslissing tevens gemotiveerd waarom de twee andersluidende verklaringen geen afbreuk doen aan het bewijs van dit tuchtfeit. De door verzoeker aangehaalde tegenstrijdigheden in de verschillende verklaringen doen volgens de verwerende partij geen afbreuk aan het coherent karakter van de getuigenissen over de staat van dronkenschap waarin verzoeker zich bevond. De tegenstrijdigheden in de verklaringen van de inspecteurs van politie F.T. en J.B. zijn overigens niet pertinent daar zij betrekking hebben op de rit met verzoeker naar het ziekenhuis en niet op zijn al dan niet dronken toestand. Hetzelfde geldt voor het feit dat F.T. heeft vermeld dat er vier politieambtenaren aanwezig waren in het etablissement en geen drie. Ook de vraag of het dienstvoertuig van verzoeker al dan niet correct geparkeerd stond, doet niets af aan de vaststelling van dronkenschap. Hetzelfde geldt voor de vraag hoeveel glazen en/of flessen er op tafel stonden en welke dranken in deze glazen en/of flessen zaten. Bovendien kunnen een aantal van deze variaties verklaard worden doordat de getuigen niet op hetzelfde ogenblik zijn tussengekomen in het etablissement, zo doet de verwerende partij nog gelden. Er is naar haar oordeel dan ook geen sprake van een tunnelvisie waardoor ervaren politieambtenaren eenzelfde vaststelling van dronkenschap hebben gedaan die er geen was. De stelling dat alcohol kan worden geroken vanaf de consumptie van één glas, doet volgens de verwerende partij geen afbreuk aan de getuigenissen dat er sprake was van een sterke alcoholgeur bij verzoeker. Ook de stelling dat het gedrag van verzoeker kan worden verklaard door een paniekaanval, is niet meer dan een loutere bewering die volgens de verwerende partij wordt tegengesproken door de voorgaande vaststellingen. De betrokken politieambtenaren kennen uiteraard het onderscheid tussen dronkenschap en een paniekaanval. Voorts benadrukt de verwerende partij in fine van haar nota dat verzoeker niet bestraft werd op grond van het tuchtfeit van overdreven alcoholgebruik maar wel omdat hij alcohol had genuttigd tijdens de dienst en tekenen van dronkenschap vertoonde tijdens de dienst. Beoordeling XIV-37.774-16/25
- Verzoeker voert in het middel onder meer de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. De tuchtoverheid heeft bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, zowel op het stuk van de bewezenverklaring als op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde feiten. De tuchtoverheid die zich over het opleggen van een tuchtstraf wegens een bepaald feit moet uitspreken, vermag daarbij niet alleen te steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen, vermoedens, enz. Indien zoals te dezen, een tuchtregeling geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft, beoordeelt de tuchtoverheid op discretionaire wijze de bewijswaarde van de gegevens uit het tuchtdossier om tot een bepaalde overtuiging te komen. Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht, niet toe om zelf een beoordeling te maken van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten of van de kwalificatie ervan als tuchtvergrijpen. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.
- Verzoeker voert in het middelonderdeel ook de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de XIV-37.774-17/25 beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. De zorgvuldigheidsplicht houdt evenwel niet in dat van een tuchtoverheid moet worden verwacht dat zij een loutere suggestie of bewering die niet op een geloofwaardige wijze is ingeroepen, met de nodige zorgvuldigheid onderzoekt. Enkel wanneer de ingeroepen bewering niet is ontbloot van elk element van geloofwaardigheid, rust op de tuchtoverheid de hiervoor geschetste zorgvuldigheid bij het onderzoek van dit gegeven.
- Toegespitst op het voorliggende middel, volgt uit de materiëlemotiveringsplicht dat de hogere tuchtoverheid getuigenissen of verklaringen, als bewijsmiddel kan aannemen om tot haar overtuiging te komen en dat zij, binnen de hiervoor gestelde grenzen, op discretionaire wijze de bewijswaarde ervan beoordeelt. Rekening houdend met het in tuchtzaken geldende vermoeden van onschuld, impliceert de zorgvuldigheidsplicht te dezen dat de tuchtoverheid met inachtneming van de regelen van de zorgvuldige bewijsvoering tot haar voorstelling van de feiten is kunnen komen. Zulks houdt in dat, als er aanwijzingen of betwistingen zijn omtrent de bewijswaarde van die getuigenissen of verklaringen en die zijn niet ontbloot van elk element van geloofwaardigheid, op de tuchtoverheid de hiervoor geschetste zorgvuldigheid rust bij het onderzoek van dit gegeven.
- De formele motivering van de bestreden beslissing is hiervoor gegeven. Er wordt naar verwezen (zie supra, punt 3.7.). Uit de punten 3.
- en 3.
- ervan blijkt dat de feiten vaststaan doordat verzoeker dronken was en een van de drie in het café “Black Horse” aanwezige inspecteurs van politie was die zich in dronken toestand bevond. Het bewijs van verzoekers “staat op het ogenblik van de feiten” wordt volgens de tuchtoverheid geleverd op grond van de verklaringen van XIV-37.774-18/25 de zeven verschillende tussenkomende politieambtenaren, waarvan de ter zake relevante uittreksels zijn geciteerd in de bestreden beslissing. Voorts blijkt uit de bestreden beslissing (punt 5) dat “verzoeker niet tuchtrechtelijk wordt vervolgd voor overdreven drankgebruik doch omwille van de toestand waarin hij zich ten gevolge van het gebruik van alcohol in een openbare ruimte bevond, hetgeen het beeld en de waardigheid van de politiediensten bij de burgers heeft geschaad”, alsook dat niet wordt betwist dat verzoeker alcohol heeft verbruikt tijdens de dienst in een openbare plaats, in uniform en gewapend, maar dat “de betwisting die onderzocht moet worden in het kader van de procedure betrekking heeft over de hoeveelheid alcohol van [verzoeker] en over zijn staat op het ogenblik van de feiten.” Verzoeker van zijn kant, doet gelden dat hij steeds heeft betwist dat hij in dronken toestand verkeerde. Ter adstructie van zijn standpunt dat de hogere tuchtoverheid onzorgvuldig het door hem betwiste cruciale feit van (tekenen van) dronkenschap heeft onderzocht, wijst verzoeker op de divergenties, tegenstrijdigheden en inconsistenties in die verklaringen. Centraal staat derhalve de vraag of de verwerende partij op grond van de door haar in de bestreden beslissing aangebrachte verklaringen tot het bewijs is kunnen komen van verzoekers (tekenen van) dronkenschap of “staat op het ogenblik van de feiten.”
- Anders dan hoe de verwerende partij het voorhoudt in haar nota met opmerkingen, bevatten enkel het verslag van D.H. en één verklaring van de tussenkomende politieambtenaren (met name die van I.S.) expliciet een of meer vermeldingen van uiterlijke kenmerken waarvan op basis ervan kan worden besloten tot dronkenschap. In drie andere verklaringen wordt verwezen naar slechts één enkel uiterlijk kenmerk, voor zover die vermeldingen op het eerste gezicht al als zulk een uiterlijk kenmerk kunnen worden beschouwd. In de verklaring van L.H. wordt namelijk enkel vermeld dat verzoeker onderuitgezakt zat, in de verklaring van J.B. wordt enkel vermeld dat verzoeker nog struikelend de XIV-37.774-19/25 plaats heeft willen verlaten en in de verklaring van F.T. wordt enkel vermeld “dat vooral [verzoeker] nog probeerde op te staan, maar onmiddellijk opnieuw moest gaan zitten, zozeer waggelden ze”. In alle overige verklaringen van de tussenkomende politieambtenaren wordt zonder meer geponeerd dat er sprake was van dronkenschap, zonder dat uit die verklaringen kan worden achterhaald op welke feitelijke, uiterlijke kenmerken die politieambtenaren zich hebben gesteund om te besluiten tot dronkenschap. Voorts blijkt ook uit de niet-betwiste feiten dat F.C. met één van de andere in het café aanwezige inspecteur van politie (D.V.) aan het telefoneren was op het ogenblik van de feiten. Er wordt op het eerste gezicht niet ontkend noch beweerd door de verwerende partij dat deze hoofdinspecteur van politie, D.V. dus wel degelijk gehoord heeft op het betreffende moment. Ten aanzien van verzoeker verklaarde F.C. uitdrukkelijk dat verzoeker geen enkel teken vertoonde dat op dronkenschap zou kunnen wijzen. De verklaring in de vaststelling in het verslag van D.H., - namelijk dat verzoekers spraak moeilijk was en dat sprake was van lichte hik - is dan ook totaal niet in overeenstemming met en staat zelfs haaks op de vaststelling die F.C. ter zake heeft gedaan. Omtrent één van de wezenlijke uiterlijke kenmerken van dronkenschap, staan derhalve de waarnemingen van twee getuigen diametraal tegenover elkaar. In die feitelijke context van niet met elkaar overeenstemmende getuigenissen, volstaat op het eerste gezicht geenszins het argument in de bestreden beslissing dat de verklaring van F.C. “niet van aard is om de meerdere verklaringen in vraag te stellen die haar tegenspreken en dit te meer omdat [F.C.] niet ter plaatse was op het ogenblik van de feiten.” Op het eerste gezicht is het de Raad van State immers niet duidelijk noch evident waarom de enkele omstandigheid dat F.C. niet ter plaatse was, op zich kan verklaren waarom de getuigenis à charge van D.H. moet worden bijgevallen. Beide getuigen hebben immers op hetzelfde ogenblik D.V. gehoord en hebben derhalve op hetzelfde ogenblik (dezelfde) kenmerken van diens spraak als teken van dronkenschap kunnen beoordelen. Het lijkt immers niet onredelijk te stellen dat, indien D.V. daadwerkelijk getuigde van moeilijke spraak en lichte hik zoals D.H. die luidens zijn getuigenis heeft waargenomen, die ook tot uiting zou hebben gekomen tijdens XIV-37.774-20/25 een telefoongesprek op hetzelfde ogenblik. De verklaring van F.C. kan in het licht van het vermoeden van onschuld, derhalve doen twijfelen over een essentieel element van de ten laste gelegde feiten, hetgeen door de verwerende partij niet lijkt verder te zijn onderzocht. Voorts bevatten de verschillende verklaringen van de tussenkomende politieambtenaren nog vele andere tegenstrijdigheden, zoals inzake de hoeveelheid glazen en flessen en de incoherentie aangaande wat die glazen en/of flessen bevatten (bier, roze substantie, …). Die talloze tegen- strijdigheden en veralgemeningen in de verschillende verklaringen van de tussenkomende politieambtenaren, kunnen op het eerste gezicht bezwaarlijk worden afgedaan als “enkele variaties” zoals in de bestreden beslissing is gesteld, precies omdat het op het eerste gezicht om meerdere tegenstrijdigheden gaat, alsook omdat bepaalde van die tegenstrijdigheden essentiële elementen bevatten om al dan niet te kunnen besluiten tot dronkenschap in hoofde van verzoeker. Gelet op het korte tijdsbestek waarbinnen de politionele tussenkomst in het betrokken café heeft plaatsgehad, kunnen die tegenstrijdigheden op het eerste gezicht evenmin afdoende worden verklaard doordat de tussenkomende politieambtenaren niet allemaal op hetzelfde ogenblik in het café zijn tussengekomen. Tot slot wijst verzoeker nog op talrijke overige tegen- strijdigheden in en tussen de verschillende verklaringen van de tussengekomen politieambtenaren. Hoewel kan worden aangenomen dat op het eerste gezicht tegenstrijdigheden die op zich niet de kern van het feitelijk geschil betreffen - het al dan niet bestaan van uitwendige kenmerken in hoofde van verzoeker die doen blijken van een toestand van of tekenen van dronkenschap - op zich niet pertinent zijn om het bestaan van de feitelijke (al dan niet dronken) toestand van verzoeker te beoordelen op het ogenblik van de feiten, kunnen die wel mede een indicatie geven over de betrouwbaarheid van de getuigenissen indien, zoals te dezen, is komen vast te staan dat die verschillende getuigenissen elkaar niet bevestigen op essentiële punten. XIV-37.774-21/25
- Uit wat voorafgaat volgt dat er op het eerste gezicht twijfel is of op basis van die verklaringen van de tussenkomende politieambtenaren, waarvan slechts enkele uiterlijke kenmerken van mogelijke dronkenschap beschrijven, dewelke dan nog enigszins in andere verklaringen impliciet worden tegengesproken, in redelijkheid kan worden afgeleid dat er sprake was van dronkenschap in hoofde van verzoeker, zonder dat die tegenstrijdigheden worden uitgeklaard. Door aldus de versies à charge van de verschillende tussenkomende politieambtenaren voor waarheid te houden, zonder verder onderzoek om de juiste toedracht van de feiten te achterhalen, is de verwerende partij op het eerste gezicht onzorgvuldig geweest in de feitenvinding. Hieruit volgt tevens dat niet vaststaat dat de bestreden beslissing steunt op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen, zodat op het eerste gezicht ook de materiëlemotiveringsplicht in de aangegeven mate is geschonden.
- Het vierde middel is in de aangegeven mate ernstig. VI. Spoedeisendheid Standpunt van de partijen
- Verzoeker voert aan dat de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege zijn tewerkstelling als inspecteur van politie beëindigt met uitwerking vanaf de dag van de kennisgeving ervan. Verzoeker is dus volledig zonder inkomen gevallen, behoudens de precaire mogelijkheid van een werkloosheids- vergoeding, terwijl hij de gebruikelijke kosten van levensonderhoud - die hij staaft - verder moet dragen. Hij vormt een gezin samen met zijn echtgenote. Uit de door hem bijgevoegde stukken moet blijken dat enkel het inkomen van zijn echtgenote niet volstaat om alle vaste kosten te dekken. Verzoeker merkt op dat de weinige spaargelden wegslinken aan lopende uitgaven en zijn gezin dreigt aldus in een XIV-37.774-22/25 schuldenspiraal terecht te komen welke hem onherroepelijk ernstig zal schaden. Het afwachten van het gewone procesverloop van de vordering tot nietigverklaring zal verzoeker in een toestand van armoede brengen, minstens in een toestand van ernstige financiële problemen. Er is zodoende sprake van een sterke financiële weerslag. Verzoeker wijst er nog op dat een beslissing als een ontslag van ambtswege uit zichzelf een ernstig nadeel veroorzaakt waaraan een latere vernietiging niet kan verhelpen gezien de morele en sociale druk die is verbonden aan een dergelijke beslissing. De schandvlek verbonden aan de opgelegde tuchtstraf is dermate dat ze een schorsingsvordering verrechtvaardigt nu deze onaanzienlijk groot dreigt te worden en mogelijks zelfs onherroepelijk als de gewone procedure moet worden afgewacht. Hetzelfde geldt voor wat de sociale gevolgen voor verzoeker betreft, gezien die is afgesneden van professioneel sociaal contact. Beoordeling
- Zoals sub 4 hiervóór in herinnering is gebracht, kan krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen indien, onder meer, “de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring”. In de parlementaire voorbereiding van de voormelde wettelijke bepaling is te lezen dat “[d]e spoedeisendheid zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, 13).
- De opgelegde tuchtstraf van het ontslag van ambtswege heeft voor verzoeker ingrijpende gevolgen op materieel-financieel vlak. Het kan bezwaarlijk worden betwist dat het volledig wegvallen van verzoekers maandelijks beroepsinkomen op een wezenlijke wijze zijn levensstandaard aantast XIV-37.774-23/25 en dat het volledig verlies aan wedde hem in een moeilijke financiële situatie zal plaatsen. Verzoeker maakt voorts aannemelijk dat in de persoonlijke financiële situatie waarin hij zich bevindt, deze financiële schade onherroepelijk dreigt te worden indien hij zou dienen te wachten op een uitspraak van de Raad van State over zijn beroep tot nietigverklaring. Deze vaststelling volstaat om te besluiten dat in dit geval aan de voorwaarde van de spoedeisendheid is voldaan. De verwerende partij betwist overigens het spoedeisendheid karakter van de vordering niet in haar nota met opmerkingen.
- Aan de vereiste van spoedeisendheid is voldaan. VII. Conclusie
- Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. VIII. Kosten
- Wat de vraag van verzoeker tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft, wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring. XIV-37.774-24/25 BESLISSING De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het politiecollege van de politiezone 5339 Brussel-Hoofdstad - Elsene van 14 mei 2018, waarbij aan verzoeker als tuchtsanctie het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van elf januari tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.774-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.381 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.711 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div