← België

Arrest 243407 - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 15/01/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.407 Rolnummer: A. 227181/X-17418 Zaak: Arrest 243407 - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 15/01/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-01-17 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-25 01:52 Fiche Arrest nr 243.407 van 15 januari 2019 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 243.407 van 15 januari 2019 in de zaak A. 227.181/X-17.

  1. In zake : Mohammad MUSAWI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dennis Van Overstraeten kantoor houdend te 9040 Gent Antwerpsesteenweg 294 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de STAD KORTRIJK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Van Heuven en Leandra Decuyper kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B Bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  2. De vordering, ingesteld op 11 januari 2019, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van “de administratieve beslissing (besluit) vanwege de burgemeester van Kortrijk d.d. 4 januari 2019 houdende het opleggen aan verzoeker van een tijdelijk plaatsverbod en een contactverbod [en] de bevestiging van het besluit door het college van burgemeester en schepenen op 7 januari 2019”. II. Verloop van de rechtspleging
  3. Aan verzoeker is bij beschikking nr. 646 van 15 januari 2019 het voordeel van de kosteloze rechtspleging toegekend omdat hij aan de voorwaarden voldoet van de volledige kosteloosheid van de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsbijstand. X-17.418-1/5 De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 januari 2019, om 10.30 uur. Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Flora Wauters, die loco advocaat Dennis Van Overstraeten verschijnt voor verzoeker, en advocaat Leandra Decuyper, die verschijnt voor de verwerende, zijn gehoord. Eerste auditeur Sofie De Doncker heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. In een bestuurlijk verslag van 2 januari 2019 signaleert de lokale politie aan de burgemeester van de stad Kortrijk “problemen tussen twee bevolkingsgroepen in Kortrijk, namelijk tussen de Afghaanse en Tsjetsjeense gemeenschap”. Het verslag leidt ertoe dat de burgemeester op 4 januari 2019 jegens verzoeker, eensdeels, op grond van “artikel 133 annex 135” van de nieuwe gemeentewet een tijdelijk verbod van vier maanden oplegt om zich op het openbaar domein van de stad en op de private maar publiek toegankelijke plaatsen op het grondgebied van de stad te bevinden in het gezelschap van D. L., M. L. en O. I. en, anderdeels, op grond van artikel 134sexies van de nieuwe gemeentewet een plaatsverbod van één maand met betrekking tot het centrum van X-17.418-2/5 Kortrijk, meer bepaald de stationsbuurt, het winkelwandelgebied en de Veemarkt. Bij niet-naleving zal verzoeker “terstond bestuurlijk opgesloten” worden; elke overtreding kan gesanctioneerd worden met een administratieve geldboete van maximum 350 euro. Het college van burgemeester en schepenen beslist op 7 januari 2019 het burgemeestersbesluit van 4 januari 2019 tot oplegging van een tijdelijk plaatsverbod ten laste van verzoeker te bevestigen. IV. Schorsingsvoorwaarden
  6. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing en dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. V. Voorwaarde van een uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de partijen
  7. Volgens verzoeker kan er geen twijfel over bestaan dat er sprake is van een uiterst dringende noodzakelijkheid. Immers plaatst de burgemeester hem in een onhoudbare toestand doordat hij student is in het Centrum Leren en Werken, zich met het openbaar vervoer naar de school begeeft en daar nu door het plaatsverbod niet meer kan geraken. Hij moet zijn schoolactiviteiten staken wil hij geen administratieve sanctie riskeren.
  8. In haar nota repliceert de verwerende partij dat verzoeker niet langer les volgt aan het Centrum Leren en Werken; hij is er op 8 januari 2019 uitgeschreven. Bovendien zou het plaatsverbod hem niet beletten “binnen een X-17.418-3/5 redelijke termijn in zijn vroegere school [te] geraken”: er zijn “tal van alternatieve mogelijkheden die hem hetzij sneller hetzij nauwelijks trager tot aan het Centrum Leren en Werken Kortrijk brengen”. Eén zo een mogelijkheid is met de fiets. Beoordeling
  9. Het aangevoerde nadeel betreft louter het opgelegde plaatsverbod, niet het verbod van vier maanden om zich in het gezelschap van D. L., M. L. en O. I. te bevinden.
  10. Voorts blijkt het aangevoerde nadeel achterhaald. Getuige stuk 6 van de verwerende partij, liet verzoeker zich nog vóór het instellen van de voorliggende vordering uit de school uitschrijven.
  11. Weliswaar reageert verzoeker ter zitting dat hij zich liet uitschrijven om te vermijden dat hij wegens ongewettigde afwezigheden zou worden uitgesloten, maar dit komt ongeloofwaardig voor. Het is van tweeën één. Ofwel maakt het plaatsverbod het inderdaad voor verzoeker (zo goed als) onmogelijk om zich nog naar de school te begeven. In dat geval kon hij het centrum met toepassing van het centrumreglement toestemming hebben gevraagd om voor de duur van het plaatsverbod afwezig te zijn, wat bij inwilliging zou hebben betekend dat hij niet ongewettigd afwezig is. Ofwel blijft de school, zoals de verwerende partij argumenteert, ondanks het plaatsverbod nog altijd voldoende vlot bereikbaar, zodat het plaatsverbod geen verontschuldiging vormt om van het centrum afwezig te blijven. Maar dan kunnen het plaatsverbod en die afwezigheid evenmin een zeer urgente noodzaak tot schorsing verantwoorden.
  12. Alvast één van de cumulatieve voorwaarden voor een schoring is niet vervuld, de voorwaarde van een uiterst dringende noodzakelijkheid. Deze vaststelling volstaat om de vordering in haar geheel te verwerpen. X-17.418-4/5 BESLISSING
  13. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
  14. De Raad van State verwijst verzoeker in de kosten van het geding, begroot op een rolrecht van 200 euro en een aan de verwerende partij verschuldigde rechtsplegingsvergoeding van 140 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien januari 2019, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.418-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.407 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.