← België

Arrest 243412 - Bewakingsondernemingen - 17/01/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.412 Rolnummer: A. 220366/VII-39804 Zaak: Arrest 243412 - Bewakingsondernemingen - 17/01/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-01-22 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-25 02:19 Fiche Arrest nr 243.412 van 17 januari 2019 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Bewakingsondernemingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 243.412 van 17 januari 2019 in de zaak A. 220.366/VII-39.

  1. In zake : Khalled AKAJJOUA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Eric Boon kantoor houdend te 2970 ’s Gravenwezel Wijnegemsteenweg 83-85 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 26 september 2016, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken van 26 juli 2016 waarbij aan verzoeker de identificatiekaart als bewakingsagent geweigerd wordt. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een verslag opgesteld. VII-39.804-1/8 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 oktober
  4. Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht. Advocaat Eric Boon, die verschijnt voor verzoeker, en attaché Dominique Van Dam, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Aan verzoeker werden op grond van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid (hierna: bewakingswet) verschillende identificatiekaarten toegekend voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten bij verschillende vergunde bewakingsondernemingen. Op 10 mei 2012 werden deze kaarten gedeeltelijk ingetrokken voor alle activiteiten van toezicht op en controle van personen. Het was verzoeker wel nog toegestaan om activiteiten van goederenbewaking uit te oefenen. 3.
  7. Op 19 mei 2015 vraagt de vergunde bewakingsonderneming de BVBA Exclusive Security een nieuwe identificatiekaart aan voor verzoeker, zowel voor activiteiten van goederenbewaking als persoonscontrole. VII-39.804-2/8 3.
  8. Naar aanleiding van die aanvraag wordt de Federale Politie belast met een onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden. 3.
  9. In het verslag van het onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden worden verscheidene processen-verbaal van de politie te Antwerpen vermeld betreffende feiten waarbij verzoeker betrokken was. Het verslag maakt ook melding van vier vonnissen van de politierechtbank te Gent en Antwerpen betreffende verkeersovertredingen. 3.
  10. Op 13 oktober 2015 adviseert de Commissie onderzoeken naar de veiligheidsvoorwaarden dat verzoeker niet aan de veiligheidsvoorwaarden voldoet en dat een procedure tot weigering van de afgifte van een identificatiekaart moet worden aangevat. 3.
  11. Met een aangetekende brief van 29 oktober 2015 wordt aan verzoeker meegedeeld dat de minister van Binnenlandse Zaken op basis van de in het verslag van het veiligheidsonderzoek vermelde feiten overweegt de identificatiekaart te weigeren. Er wordt eveneens meegedeeld dat verzoeker over een termijn van 15 werkdagen beschikt om bij de Algemene Directie Veiligheids- en Preventiebeleid inzage te nemen van het administratief dossier en over een termijn van 40 werkdagen om zijn verweermiddelen bij aangetekende brief over te maken. 3.
  12. Met een aangetekende brief van 1 december 2015 dient de raadsman van verzoeker een verweerschrift in en vraagt hij om te worden gehoord. 3.
  13. Op 7 maart 2016 wordt verzoeker gehoord omtrent de hem ten laste gelegde feiten. Een proces-verbaal van verhoor wordt opgemaakt. 3.
  14. Op 26 juli 2016 neemt de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken de thans bestreden beslissing. De minister stelt vast dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 6, eerste lid, 8°, van VII-39.804-3/8 de bewakingswet. Dit is het bestreden besluit. IV. Onderzoek van de middelen Uiteenzetting van het enige middel
  15. Verzoeker voert een enig middel aan dat is afgeleid uit “machtsoverschrijding, onwettige en tegenstrijdige motieven en schending van de artikelen 5, 6 en 7 van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, van de redelijketermijn-eis, van het beginsel van zorgvuldigheid en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 houdende uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen”. Hij betoogt dat de bestreden beslissing, door te stellen dat er strenge eisen mogen worden opgelegd aan “mensen die tewerkgesteld worden in de bewakingssector en zeker zij die instaan voor de controle op het gedrag van personen”, voorbijgaat aan het gegeven dat de toelating ook deels kan worden verleend, namelijk voor de goederenbewaking. Bijgevolg is de beslissing niet naar recht en met de gepaste zorgvuldigheid gemotiveerd aangezien deze een algehele weigering omvat, en dus ook ten aanzien van de goederenbewaking. Gelet op het lange tijdsverloop tussen de aanvraag ingediend op 19 mei 2015 en de besluitvorming op 26 juli 2016 waarbij de redelijke termijn zou zijn overschreden, had de minister wel een toelating, beperkt tot de goederenbewaking, moeten overwegen en verlenen. Verzoeker vervolgt dat de minister ten onrechte “oude feiten” gepleegd in 1997 in aanmerking neemt, die zich bovendien niet zouden hebben verzet tegen het verlenen van de volledige toegang tot de sector in 2009 en het verder toelaten van activiteiten van goederenbewaking na gedeeltelijke intrekking in
  16. Hij besluit dat er dan ook geen geldige reden is om nu deze “oude feiten” opnieuw en zonder verdere motivering in aanmerking te nemen, minstens wat betreft de activiteiten van goederenbewaking. VII-39.804-4/8
  17. In zijn memorie van wederantwoord repliceert verzoeker als zou het onderscheid tussen goederenbewaking en persoonscontrole louter de opportuniteit betreffen, dat dit integendeel evenzeer de wettigheid van de bestreden beslissing betreft, des te meer wanneer blijkt dat de beslissing werd genomen na een onredelijke termijn. Voorts stelt verzoeker nog dat hij wel belang heeft bij de grief van de redelijke termijn-eis: de vaststelling van de schending van de redelijke termijn verplicht de verwerende partij om na te gaan of de ingeroepen tegenindicaties wel actueel genoeg zijn om een nieuwe globale weigering te gronden. Ingevolge de vaststelling van een onredelijke termijn zal de verwerende partij concreet moeten nagaan of er minstens geen reden is om dan, in acht genomen het tijdsverloop, geen gunstige beslissing te nemen inzake goederenbewaking.
  18. In zijn laatste memorie benadrukt verzoeker nog dat de vaststelling van de schending van de redelijke termijn inhoudt dat de minister na het vernietigingsarrest een andere beoordeling van de “oude” feiten kan en moet hebben. Deze vaststelling belet de minister dus niet om een nieuwe beslissing te nemen, maar verplicht hem integendeel om een nieuwe beslissing te nemen en daarbij de feiten anders te beoordelen, en de vraag of geen vergunning kan worden gegeven voor minstens de goederenbewaking anders te benaderen. Beoordeling
  19. Luidens artikel 6, eerste lid, 8°, van de bewakingswet, zoals van toepassing ten tijde van de bestreden beslissing, moeten de personen die een uitvoerende functie uitoefenen in een bewakingsonderneming voldoen aan de veiligheidsvoorwaarden noodzakelijk voor het uitoefenen van een uitvoerende functie en mogen zij geen feiten gepleegd hebben die, zelfs als ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling, raken aan het vertrouwen in de betrokkene omdat ze een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie of een tegenindicatie van het gewenste profiel, zoals bedoeld in artikel 7, § 1bis, VII-39.804-5/8 uitmaken. Het gewenste profiel is volgens laatstvermelde bepaling gekenmerkt door: “1° respect voor de grondrechten van de medeburgers; 2° integriteit; 3° een incasseringsvermogen ten aanzien van agressief gedrag en het vermogen om zich daarbij te beheersen; 4° afwezigheid van verdachte relaties met het crimineel milieu”. De minister beschikt op grond van artikel 6, eerste lid, 8°, van de bewakingswet over een ruime discretionaire appreciatiebevoegdheid. Deze houdt per definitie de mogelijkheid in van uiteenlopende conclusies die elk wettig zijn en meer bepaald elk geacht kunnen worden binnen de grenzen van de redelijkheid te zijn gebleven. Een strenge invulling van de beoordelingsbevoegdheid staat niet per se gelijk met de kennelijk onredelijke uitoefening ervan.
  20. Anders dan verzoeker het ziet, blijkt uit de formele motieven van de bestreden beslissing dat de bedoelde “oude” feiten uit 1997 niet als dusdanig aan verzoeker worden verweten, doch het besluit staven dat verzoeker de waarschuwingen die hem herhaaldelijk gegeven werden, niet ter harte heeft genomen. De nieuwe feiten van drugsbezit en verboden wapenbezit en de gevolgtrekking dat hieruit blijkt “dat [hij] geen lessen heeft getrokken uit het verleden” verantwoorden afdoende naar recht dat verzoeker niet geschikt wordt bevonden om opnieuw bewakingsactiviteiten uit te oefenen, zowel voor de persoonscontrole als voor de goederenbewaking “omdat dit enkel kan uitgevoerd worden door de meest integere personen”. Uit de opgegeven motivering blijkt aldus dat de identificatiekaart aan verzoeker wordt geweigerd omdat de minister op grond van voormelde feiten van oordeel is dat verzoeker niet voldoet aan de eis van integriteit die volgens artikel 7, § 1bis, van de bewakingswet het profiel van een bewakingsagent kenmerkt. VII-39.804-6/8 Deze motieven zijn afdoende aangezien zij de bestreden beslissing kunnen dragen en er geen kennelijke wanverhouding bestaat tussen de inhoud van de bestreden beslissing en de motivering die als verantwoording voor die beslissing wordt gegeven.
  21. De bewakingswet bepaalt niet binnen welke termijn de minister van Binnenlandse Zaken uitspraak moet doen over een aanvraag tot het verkrijgen van een identificatiekaart. Wanneer geen wettelijke of reglementaire bepaling een termijn oplegt voor het nemen van een beslissing, moet een redelijke termijn in acht worden genomen. Het gegrond bevinden van het middel waarin wordt aangevoerd dat de bestreden beslissing niet binnen een redelijke termijn werd genomen, zou evenwel tot gevolg hebben dat de minister zijn bevoegdheid heeft verloren om nog uitspraak te doen over de aanvraag van verzoeker. De vaststelling dat de redelijke beslissingstermijn werd overschreden zou bovendien niet impliceren dat de beoogde vergunning geacht moet worden te zijn verleend. Bovendien wordt vastgesteld dat, voor zover verzoeker aanvoert dat de schending van de redelijke termijn inhoudt dat de verwerende partij een nieuwe beslissing moet nemen en daarbij verplicht zal zijn de zogenaamde “oude” feiten anders te beoordelen, het middel er verkeerdelijk -zoals hoger is gebleken- vanuit gaat dat de “oude” feiten uit 1997 als dusdanig aan verzoeker worden verweten.
  22. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, niet gegrond. VII-39.804-7/8 BESLISSING
  23. De Raad van State verwerpt het beroep.
  24. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 200 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien januari tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-39.804-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.412 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.