id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.417 Rolnummer: A. 223488/XIV-37531 Zaak: Arrest 243417 - Penitentiair recht - 17/01/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-01-21 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-25 02:07 Fiche Arrest nr 243.417 van 17 januari 2019 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 243.417 van 17 januari 2019 in de zaak A. 223.488/XIV-37.531 In zake: Wim MINNAERT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gunter Fransis kantoor houdend te 3000 Leuven Naamsestraat 165 tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minster van Justitie kantoor houdend te 1000 Brussel Waterloolaan 115 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 9 oktober 2017, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van de directeur van de strafinrichting Leuven Centraal […] genomen op 3 oktober 2017 waarbij verzoeker de volgende tuchtsanctie werd opgelegd: 20 dagen afzondering van 01/10/2017 13u30 tot 21/10/2017 13u30.” II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 239.406 van 13 oktober 2017 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. XIV-37.531-1/5 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend die door verzoeker geacht wordt ontvangen te zijn op 19 januari
- Op respectievelijk 17 april 2018 en 19 april 2018 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan verzoeker en de verwerende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14bis, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟. Verzoeker heeft gevraagd om te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 januari
- Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Britt Vanluyten, die loco advocaat Gunter Fransis verschijnt voor verzoeker, en attaché Eva De Cock, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Beoordeling
- Naar luid van artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, stelt de Raad van State het ontbreken XIV-37.531-2/5 van het vereiste belang vast als de verzoekende partij de termijn voor het toesturen van de memorie van wederantwoord niet eerbiedigt. Bij het versturen aan verzoeker van een kopie van de memorie van antwoord heeft de hoofdgriffier melding gemaakt van het genoemde artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State en van artikel 14bis, § 1, van voormeld besluit van de Regent. Verzoeker heeft geen memorie van wederantwoord aan de griffie toegestuurd binnen de termijn van zestig dagen gesteld in artikel 7 van voormeld besluit van de Regent.
- Ter verantwoording hiervan, voert de raadsman van verzoeker zowel ter terechtzitting als in het verzoek van 1 mei 2018 om te worden gehoord, aan dat er, na een kantoorwijziging, vanaf 1 januari 2018 geen mogelijkheid meer was om de e-mails te controleren waarop de berichtgeving inzake de elektronische procedure gebeurde. Dit was, luidens het verzoek om te worden gehoord, pas mogelijk na technische interventies “sinds afgelopen weekend”, i.e. derhalve sinds het laatste weekend van april
- Zulks verklaart volgens verzoeker waarom hij pas dan kennisnam van de memorie van antwoord. Voorts benadrukt verzoeker in zijn verzoek tot voortzetting dat zijn belang nog steeds blijkt uit zijn verzoekschrift en uit zijn verzoek tot voortzetting en wijst hij erop dat alle rolrechten steeds stipt werden betaald.
- Deze argumenten overtuigen de Raad van State niet. Verzoeker heeft bij het indienen van zijn beroep gekozen voor de elektronische procesvoering zoals voorzien in artikel 85bis van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟ (hierna: de algemeneprocedureregeling). Luidens § 13 van die bepaling deelt de Raad van XIV-37.531-3/5 State de processtukken, alsook de betekeningen, kennisgevingen en oproepingen mee via neerlegging in het elektronisch dossier. De keuze voor de elektronische procedure houdt bijgevolg in dat verzoeker erover moet waken dat zijn informaticamiddelen hem toelaten kennis te nemen van de processtukken, alsook van de betekeningen, kennisgevingen en oproepingen die door de Raad van State worden neergelegd in het elektronisch dossier. Verzoeker brengt geen enkel begin van bewijs bij van het feit dat hij tot eind april 2018 geen mogelijkheid had om het elektronisch dossier te raadplegen, noch van het feit dat hij de mogelijkheid niet meer had om de elektronische berichten van neerlegging te controleren. Evenmin legt hij enig bewijsstuk voor die zijn aangehaalde IT-problemen en de daartoe volgens hem noodzakelijke technische interventies aannemelijk maken. In elk geval vermag de uitleg van verzoeker ter terechtzitting en in zijn verzoek tot horen met betrekking tot de IT-problemen die hij heeft ondervonden om kennis te nemen van de elektronische berichten van de griffie van de Raad van State waarbij hij op de hoogte werd gebracht dat de memorie van antwoord in het elektronisch dossier is neergelegd, alleszins niet te verklaren waarom hij de voorgeschreven termijn om een memorie van wederantwoord in te dienen - die voor hem reeds verstreek op 20 maart 2018 - niet heeft kunnen respecteren. Het blijkt in ieder geval helemaal niet dat het buiten zijn mogelijkheden lag om de bedoelde IT-problemen, zo nodig, tijdig daarvoor aan te (laten) passen. Dat verzoeker in zijn verzoek tot voortzetting uiteenzet dat zijn belang blijkt uit zijn verzoekschrift en verzoek tot voortzetting, alsook dat hij steeds de rolrechten stipt heeft betaald, doet niets af aan de toepassing van artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Die bepaling maakt bij het bepalen van het gevolg van het laattijdig toesturen van de memorie van wederantwoord, geen onderscheid al naargelang verzoeker doet blijken van het vereiste belang en/of heeft voldaan aan de overige procedurele vereisten. XIV-37.531-4/5 Uit wat voorafgaat blijkt dat er derhalve geen grond is om de in artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalde sanctie niet toe te passen.
- Krachtens het voormelde artikel 21, tweede lid, dient derhalve te worden vastgesteld dat het vereiste belang ontbreekt om de gevorderde vernietiging te verkrijgen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien januari tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.531-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.417 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.406 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div