id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.429 Rolnummer: A. 227177/XIV-37917 Zaak: Arrest 243429 - Politie (federale reglementen) - 17/01/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-01-18 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-25 02:16 Fiche Arrest nr 243.429 van 17 januari 2019 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie (federale reglementen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 243.429 van 17 januari 2019 in de zaak A. 227.177/XIV-37.917 In zake: David HILAERTS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Siegfried De Mulder kantoor houdend te 1730 Asse Stationsstraat 35 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de POLITIEZONE 5344 SCHAARBEEK – EVERE – SINT-JOOST-TEN-NODE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Eyskens kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 11 januari 2019, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van het Politiecollege de Politiezone Schaarbeek/Evere/Sint-Joost-ten-Node, ook gekend als politiezone Brussel Noord of BruNo, PZ 5344, van 13/12/2018, ter kennis gebracht aan verzoeker bij ongedateerde brief, per-mail ter kennis gebracht aan diens beroepsorganisatie VSOA op 20/12/2018, houdende de beslissing tot ontslag van ambtswege wegens onregelmatige afwezigheid van meer dan 10 dagen.” XIV-37.917-1/9 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 januari 2019, om 11 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Dieter Vanelverdinghe, die loco advocaat Siegfried De Mulder verschijnt voor verzoeker, en advocaat Thomas Eyskens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker was inspecteur van politie bij de lokale politiezone 5344 Schaarbeek – Evere – Sint-Joost-ten-Node (BruNo). 3.
- Met een aangetekende brief van 23 november 2018 meldt de korpschef aan verzoeker dat hij afwezig is wegens ziekte sinds 11 november 2018 en dat er tot op die datum geen enkel medisch getuigschrift betreffende die afwezigheid was overgemaakt. Voorts worden de toepasselijke regelgevende bepalingen aangehaald en wordt gesteld dat de termijn van tien dagen bedoeld in artikel 125 van de wet van 7 december 1998 „tot organisatie van een geïntegreerde XIV-37.917-2/9 politiedienst, gestructureerd op twee niveaus‟ wordt berekend vanaf 11 november
- Tevens wordt verzoeker gevraagd om binnen de tien dagen na de kennisgeving van deze brief, de korpschef in kennis te stellen van zijn argumenten “of enig ander gegeven dat toelaat zich uit te spreken over het al dan niet definitieve karakter van [verzoekers] afwezigheid.” Tot slot wordt vermeld dat, “bij ontstentenis zal [verzoekers] afwezigheid als definitief beschouwd worden en [zal verzoeker] van ambtswege uit uw ambt ontslagen worden, waarbij [verzoeker] de hoedanigheid van personeelslid van de politiezone zult verliezen.” Verzoeker antwoordt met een brief van 28 november
- Bij deze brief voegt hij onder meer een medisch attest voor de periode van 11 november 2018 tot en met 30 november
- 3.
- Op 13 december 2018 stelt het politiecollege het ambtshalve ontslag van verzoeker vast wegens onregelmatige afwezigheid van meer dan tien dagen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. XIV-37.917-3/9 V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
- Verzoeker zet uiteen dat de kennisgeving van het ontslag werd verricht op 20 december 2018 en in principe onmiddellijk uitwerking heeft. Volgens hem zijn de gevolgen van dat ontslag navenant, op persoonlijk, financieel en professioneel vlak. Het eensklaps verliezen van zijn tewerkstelling en de beëindiging van zijn hoedanigheid als inspecteur van politie en ambtenaar brengt onherstelbare schade toe aan zijn reputatie en zijn carrière. De bestreden beslissing kent een enorme financiële impact. Er is de onbetwistbare terugval in inkomen terwijl er vaste kosten zijn die verzoeker detailleert. Verzoeker wijst er voorts op dat het ontslag financieel niet slechter kan vallen - hetgeen hij detailleert - in het bijzonder gelet op de specifieke omstandigheden van zijn recente echtscheiding en de financiële gevolgen ervan en het alleen instaan voor de kosten van de woning en de kosten van het verblijf van de kinderen. Zijn wedde is zijn enige bron van inkomsten. Hij heeft geen enkele zekerheid op het bekomen van een werkloosheidsuitkering noch onmiddellijk uitzicht op een nieuwe tewerkstelling. Zijn eigen zichtrekening vertoont een negatief saldo en zijn eigen spaarrekening bevat een zeer miniem positief saldo waarvan hij het bedrag aangeeft. Verzoeker besluit dat de schorsing bij uitdrukkelijk dringende noodzakelijkheid levensnoodzakelijk is omdat hij geen middelen heeft om zich te beredderen tijdens de duur van de normale schorsingsprocedure. Beoordeling
- De toepassing van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid brengt een ernstige verstoring teweeg in het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en brengt de uitoefening van het recht van de verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang. Daarom moet de aanwending van die procedure zeer uitzonderlijk blijven. XIV-37.917-4/9 De toepassing ervan kan alleen worden aanvaard indien de schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone schorsingsprocedure te laat zal komen. Dit impliceert dat de verzoekende partij met de vereiste spoed en diligentie moet optreden. Diligent optreden is vervat in de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid.
- Een verzoekende partij - die haar belangen door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing immers dermate nadelig aangetast weet dat zij de afwikkeling van de procedure ten gronde en zelfs de gewone schorsing niet kan afwachten - dient al het nodige te doen om de schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State. Weliswaar is de diligentie waarmee een verzoekende partij tegen een haar grievende rechtshandeling opkomt met een vordering tot schorsing of een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, niet noodzakelijk af te lezen uit het tijdsverloop tussen de kennisname van de bestreden handeling en het instellen van die vordering. De regelgeving laat immers toe dat de schorsing “op elk moment” wordt gevorderd (artikel 17, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State) en de situatie is denkbaar dat een zaak door gewijzigde omstandigheden pas dringend wordt - of zelfs uiterst dringend - nádat reeds eerder een annulatieberoep aanhangig werd gemaakt. Het is dus vanaf het ogenblik waarop de uiterst dringende noodzakelijkheid ontstaat, dat een verzoekende partij met passende voortvarendheid moet optreden. Dit ogenblik moet niet - maar kan nog wel - samenvallen met het ogenblik waarop de verzoekende partij kennis krijgt van de bestreden rechtshandeling. Het valt aan een verzoekende partij toe om op heldere en overtuigende wijze de (nieuwe of veranderde) feiten en omstandigheden, die tot gevolg hebben dat de zaak niet (langer) verenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing, uiteen te zetten, ze aannemelijk te maken en ze in de tijd te situeren. Dit laatste is van belang omdat dan de tussenkomst van XIV-37.917-5/9 die gewijzigde feiten en omstandigheden het uitgangspunt vormt om de diligentie van de verzoekende partij te beoordelen.
- Verzoeker geeft in het verzoekschrift aan dat “de kennisgeving van dit ontslag werd verricht dd. 20/12/2018”, hetgeen ter terechtzitting wordt beaamd. De bestreden beslissing is niet zomaar een beslissing die plots of onverwachts over verzoeker is genomen. Ze is het resultaat van een administratieve procedure ingesteld door de administratieve overheid met een aangetekende brief van 23 november 2018 waaruit duidelijk blijkt dat een procedure tot ontslag van ambtswege ten aanzien van verzoeker werd opgestart (zie supra, punt 3.2.) en waarvan hij in de ene of andere zin de eindbeslissing kortelings mocht verwachten. Er wordt voorts niet betwist dat de bestreden beslissing onmiddellijke uitwerking heeft. Integendeel, verzoeker onderstreept zelf in het verzoekschrift dat “de kennisgeving van dit verslag werd verricht dd. 20/12/2018, en […] in principe onmiddellijk uitwerking [heeft].”
- Uit verzoekers uiteenzetting inzake de vereiste van de dringende noodzakelijkheid blijkt dat verzoeker ter adstructie van de spoedeisendheid, wijst op professionele, morele en financiële gevolgen die de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing veroorzaken. Centraal in die uiteenzetting staat de enorme impact die de bestreden beslissing volgens hem heeft op zijn financiële draagkracht en het ontbreken van de middelen om zijn bestaan te bekostigen, hetgeen, naar hij stelt, impliceert dat de voorliggende schorsing voor hem “levensnoodzakelijk” is. Zodra verzoeker derhalve kennis kreeg van de bestreden beslissing wist hij onmiddellijk dat hij ambtshalve uit het ambt werd ontslagen en wist hij of moest hij weten dat derhalve de in het verzoekschrift uiteengezette XIV-37.917-6/9 volgens hem uiterst nadelige gevolgen van die tenuitvoerlegging - en dus ook de aangevoerde ernstige en onherroepelijke financiële impact ervan op zijn bestaan - zich onmiddellijk vanaf die kennisneming zullen voordoen. De uiterst dringende noodzakelijkheid is derhalve bij de kennisgeving van de bestreden beslissing ontstaan. De Raad van State dient dan ook ter beoordeling van verzoekers diligent optreden, rekening te houden met het tijdsverloop tussen de kennisname van de bestreden beslissing en het indienen van de voorliggende vordering.
- De voorliggende vordering is, onder de vorm van een enig verzoekschrift bevattende een beroep tot nietigverklaring en de voorliggende vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, op vrijdagavond 11 januari 2019 om 18:01 uur op het elektronische platform geplaatst. Verzoeker geeft in het verzoekschrift geen enkele verantwoording voor het tijdsverloop tussen de kennisneming van de bestreden beslissing en het indienen van de vordering. Op de terechtzitting betoogt verzoeker ter zake, in essentie, dat de omvang van de financiële penurie waarin hij zich bevindt, pas is beginnen dagen wanneer hij eind december 2018 vaststelde dat zijn rekeningen hem niet toelieten zijn bestaan te bekostigen. Dat kan de Raad van State niet overtuigen. Er kan door de Raad van State immers alleen rekening worden gehouden met hetgeen daarover in het verzoekschrift wordt uiteengezet en gestaafd. De Raad van State mag geen acht slaan op hetgeen ter zake ter terechtzitting nog door verzoeker wordt bijgebracht. Overigens bemerkt de Raad van State dat verzoekers bewering geen steun vindt in de door hem overgelegde stukken, alsook dat het daadwerkelijk vaststellen of ondergaan van de aangevoerde gevolgen op zich niet het talmen van verzoeker kan XIV-37.917-7/9 verklaren indien, zoals is vastgesteld, de door verzoeker aangevoerde gevolgen zich vanaf de kennisname van de bestreden beslissing zullen voordoen.
- In de gegeven omstandigheden van de zaak blijkt derhalve dat te dezen het tijdsverloop tussen de kennisneming van de bestreden beslissing - zijnde het ogenblik waarop voor verzoeker de uiterst dringende noodzakelijkheid bleek of moest blijken - en het instellen van de voorliggende vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, haaks staat op de uitermate hoge graad van urgentie die thans door verzoeker aan de zaak wordt toegeschreven en de negatie vormt van de eis tot diligent optreden. Indien verzoeker nu wel een uitermate hoge graad van urgentie aan de zaak meent te kunnen toeschrijven omwille van de thans beweerde onherroepelijke schadelijke gevolgen van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, dan had hij zonder talmen, en zeker niet pas op 11 januari 2019, zijn vordering moeten instellen.
- Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat hij na kennisname van de bestreden beslissing met passende voortvarendheid is opgetreden om de beweerde onherroepelijk schadelijke gevolgen veroorzaakt door de bestreden beslissing te voorkomen. Verzoeker is niet met de vereiste spoed opgetreden.
- De uiterst dringende noodzakelijkheid is niet aangetoond. VI. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. XIV-37.917-8/9 VII. Kosten
- Wat de vraag van de verwerende partij tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft, wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien januari tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.917-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.429 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.119 ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.623 ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.196 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div