← België

Arrest 243466 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/01/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.466 Rolnummer: A. 227203/X-17424 Zaak: Arrest 243466 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/01/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-01-24 Raadplegingen: 160 - laatst gezien 2026-06-27 16:23 Fiche Arrest nr 243.466 van 23 januari 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 243.466 van 23 januari 2019 in de zaak A. 227.203/X-17.

  1. In zake : Dariya BEZUGLA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sander Kaïret en Pieter Van Assche kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het BRUSSELSE HOOFDSTEDELIJKE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordig door advocaten Stijn Butenaerts en Andy Hoedenaeken kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de NV DROH!ME EXPLOITATION bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Filip De Preter, François Tulkens en Bert Van Herreweghe kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  2. De vordering, ingesteld op 16 januari 2019, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het besluit van de gemachtigde ambtenaar van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 6 december 2018 waarbij aan de nv Droh!me Exploitation de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend “voor de inrichting van een actief vrijetijdspark, op terreinen gelegen aan de Terhulpsesteenweg 51 – 53 en de Terhulsesteenweg 61”. X-17.424-1/15 II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Met een verzoekschrift van 18 januari 2019 heeft de nv Droh!me Exploitation gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 januari 2019, om 11.30 uur. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sander Kaïret, die verschijnt voor verzoekster, advocaat Andy Hoedenaeken, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaten Filip De Preter en François Tulkens, die verschijnen voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoekster woont aan de Terhulpsesteenweg 114 te Brussel, recht tegenover een op het gewestelijk bestemmingsplan aangeduid bosgebied. Ten oosten van dit bosgebied toont hetzelfde bestemmingsplan een gebied voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten (hierna: de zone voor openbaar nut). Verspreid binnen de zone voor openbaar nut staan gebouwen X-17.424-2/15 die aanhorigheden waren van de renbaan van Bosvoorde, waar tot in 1987 paardenrennen werden georganiseerd. In de feiten bevindt er zich tegenover het woongebouw van verzoekster een ongeveer 50 meter brede en ongeveer 200 meter diepe open plek (hierna: de open plek in het bosgebied), daar de westelijke rand van de zone voor openbaar nut bebost is en er in de oostelijke rand van het bosgebied slechts enkele geïsoleerde bomen staan. Zoals werd vastgesteld in ’s Raads arrest nr. 241.563 van 22 mei 2018 staan er zowel in de zone voor openbaar nut als op de open plek in het bosgebied meerdere bomen die opgenomen zijn in de wetenschappelijke inventaris van het natuurlijk erfgoed van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Ter verduidelijking volgt hierna een uittreksel van de website “brugis” van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest waarop benaderende aanduidingen zijn aangebracht. X-17.424-3/15 Zowel het bosgebied als de zone voor openbaar nut maken deel uit van het bij koninklijk besluit van 2 december 1959 beschermde landschap Zoniënwoud en zijn, krachtens het meergenoemde bestemmingsplan, gelegen in een gebied van culturele, historische, esthetische waarde of voor stadsverfraaiing. 3.
  6. De tussenkomende partij is concessionaris van de als “de Hippodroom van Bosvoorde” bekend staande site (hierna: de site) en wenst er een “actief vrijetijdspark” op te realiseren dat, zoals zij zelf in haar verzoekschrift tot tussenkomst aangeeft, het volgende omvat: “de aanleg van een sportzone binnen de contouren van de oude renbaan (minigolf, multisportterreinen, grasveld, klimrek), naast de transformatie van bestaande gebouwen in multifunctionele zalen, bureaus, onthaalinfrastructuur, sanitair en douches. Tevens komt er een brasserie en een restaurant. De oude renbaan wordt opgewaardeerd, zodat ze geschikt is als wandel, fiets en skeelerweg. Diverse wandelwegen en ruimten in het bos worden (her)aangelegd. Tevens omvat het project de heraanleg van een bestaande parking. Het project omvat tevens een tijdelijke vergunning voor de plaatsing van een tent voor evenementen”. 3.
  7. Op 27 oktober 2017 verleent het Brussels Instituut voor Milieubeheer aan de tussenkomende partij een milieuvergunning voor de exploitatie van het recreatiepark “Droh!me melting park” op de site. Op 28 februari 2018 bevestigt het Milieucollege deze vergunning onder voorwaarden. De Brusselse Hoofdstedelijke regering bevestigt op haar beurt de voormelde vergunning van 28 februari 2018 middels een stilzwijgende beslissing. Verzoekster (onder andere) heeft een vernietigingsberoep tegen deze laatste beslissing, alsook tegen het besluit van het Milieucollege van 28 februari 2018, ingediend (zaak A. 226.663/VII-40.427). 3.
  8. Op verzoeksters vordering schorst de Raad van State met zijn arresten nrs. 241.563 van 22 mei 2018 en 241.709 van 1 juni 2018 bij uiterst dringende noodzakelijkheid de tenuitvoerlegging van de besluiten van de gemachtigde ambtenaar van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van respectievelijk 6 maart 2018 en 25 mei 2018 waarbij aan de bvba Simply Better X-17.424-4/15 een stedenbouwkundige vergunning voor drie maanden voor de “Organisatie van TO2 2018” wordt verleend. 3.
  9. Met het bestreden besluit van 6 december 2018 verleent de gemachtigde ambtenaar van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest aan de tussenkomende partij een stedenbouwkundige vergunning voor haar onder randnummer 3.2 vermelde project. Het bestreden besluit vergunt, onder meer, in het bosgebied, meer bepaald op de open plek in het bosgebied, tegenover het appartementsgebouw waar verzoekster woont, een parking voor het stallen van 429 voertuigen (hierna: de kwestieuze parking). IV. Tussenkomst
  10. De nv Droh!me Exploitation heeft er als begunstigde van de bestreden vergunning belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg wordt haar verzoek tot tussenkomst ingewilligd. V. Ontvankelijkheid van de vordering - belang Standpunt van de partijen 5.
  11. Verzoekster zet in haar verzoekschrift, wat haar belang betreft, uiteen aan de in- en uitrit van de kwestieuze parking te wonen. Zij stelt “constante mobiliteitshinder door het inrijden en uitrijden van de tot 429 voorziene voertuigen” ter hoogte van haar woning te ondervinden. “Naast parkeerhinder en mobiliteitshinder in de straat, zorgt het manoeuvreren van de honderden voertuigen tevens voor geluidsoverlast en aantasting van de luchtkwaliteit in [haar] onmiddellijke woonomgeving”. Verzoekster meent ook hinder te ondervinden door de bestuurders en passagiers die ter hoogte van de ingang “rondom de geparkeerde voertuigen elkaar treffen en napraten”. Zij stelt voorts ook mobiliteitshinder te ondervinden “wegens de enorme drukte in de X-17.424-5/15 straat tijdens evenementen” en wijst bijkomend op de waardevermindering van haar pand. 5.
  12. De verwerende partij betwist in haar nota verzoeksters belang. Zij betoogt dat verzoekster zich in hoofdzaak beperkt tot “een verwijzing naar de zogezegde overlast in het verleden”, maar dat zij niet in staat is om de Raad van State “precies te informeren over de hinder die zij ondervindt”. De verwerende partij verwijst in dit verband naar controles die de BIM in 2017 en 2018 inzake “geluidsniveaus” heeft uitgevoerd, waarbij geen overschrijdingen van de norm werden vastgesteld. Zij acht “enige schade van enig belang” in hoofde van verzoekster “weinig waarschijnlijk”, omdat zij “achteraan het appartementsgebouw woont”. Verweerster meent dat “napraten” op de kwestieuze parking niet van aard is om een schorsing te verantwoorden en dat een en ander “langs de geëigende administratiefrechtelijke en strafrechtelijke weg” dient te worden afgedwongen. De effectenstudie wijst volgens haar uit dat het project inzake geluidshinder op de woningen tegenover de site “slechts weinig impact zal hebben”, “voornamelijk wegens de bestaande geluidsomgeving verbonden aan het autoverkeer”. 5.
  13. De tussenkomende partij gedraagt zich voor wat verzoeksters belang betreft naar de wijsheid van de Raad van State. Beoordeling 6.
  14. Met ’s Raads arresten nrs. 241.563 van 22 mei 2018 en 241.709 van 1 juni 2018, die verzoeksters vorderingen tegen de tijdelijke stedenbouwkundige vergunningen voor de “Organisatie van TO2 2018” betreffen (zie randnummer 3.4), werd telkens de mobiliteitshinder in haren hoofde aangenomen. 6.
  15. De Raad van State ziet dit met betrekking tot het bestreden project, dat in de oprichting van een “actief vrijetijdspark” met tegenover verzoeksters woongebouw een parking voor 429 voertuigen voorziet, niet anders. X-17.424-6/15 Verzoekster overtuigt ervan dat ook dit project een belangrijke toestroom van motorvoertuigen voor haar woongebouw zal genereren, en dat er, zodra de op de parking voorziene parkeerplaatsen volzet zijn, getracht zal worden om langs de openbare weg te parkeren, hetgeen voor haar ernstige mobiliteitshinder zal meebrengen. 6.
  16. Met haar in randnummer 5.2 weergegeven argumenten slaagt de verwerende partij er niet in om de aangevoerde mobiliteitshinder te ontkrachten. Haar betoog inzake het gebrek aan geluidshinder en het feit dat verzoekster aan de achterzijde van het appartementsgebouw woont, volstaan daartoe niet: van zodra verzoekster het appartementsgebouw aan de voorzijde verlaat, dreigt zij, daargelaten de geluidshinder, met ernstige mobiliteitshinder te worden geconfronteerd. 6.
  17. De exceptie is ongegrond. VI. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  18. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VII. Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunt van de partijen 8.
  19. Verzoekster betoogt in haar verzoekschrift met de gepaste spoed en diligentie te zijn opgetreden. Zij stelt op 19 december 2018 van de aanplakking van het bestreden besluit kennis te hebben gekregen en van de X-17.424-7/15 inhoud ervan op 27 december
  20. Op 10 januari 2019 heeft zij vastgesteld dat het bestreden besluit andermaal werd aangeplakt, met daarbij de aankondiging van de aanvang van de werken “met ingang van maandag 14 januari 2019”. Verzoekster meent dat een eerdere schorsingsvordering voorbarig zou zijn geweest, “[g]elet op de schorsende wachttermijn van dertig dagen na kennisgeving van [de bestreden vergunning] aan het college van burgemeester en schepenen”, waardoor “de vergunning onuitvoerbaar [was] tot minstens 7 januari 2019”. Verzoekster betoogt dat de schorsing volgens de gewone schorsingsvordering te laat zou komen, nu de werken op 14 januari 2019 effectief zijn aangevat en “naar verwachting van de vergunninghouder klaarblijkelijk volledig uitgevoerd zullen zijn op 30 april 2019 om 20u”. 8.
  21. De verwerende partij betoogt inzake de betwisting van de “hoogdringendheid” van de vordering hetgeen zij onder randnummer 5.2 heeft gesteld. 8.
  22. De tussenkomende partij gedraagt zich inzake naar de wijsheid van de Raad van State. Beoordeling 9.
  23. Hoger (randnummer 6.1 en volgende) werd reeds aangenomen dat verzoekster door het kwestieuze project ernstige mobiliteitshinder zal ondergaan. 9.
  24. Met haar uiteenzetting onder randnummer 8.1 overtuigt verzoekster ervan dat zij bij het instellen van haar vordering met de vereiste spoed en dilligentie is opgetreden, en dat een beroep op de gewone schorsingsvordering – de werken zijn inmiddels aangevat – te laat zou komen. De verwerende en de tussenkomende partij lijken dit ook niet te betwisten. X-17.424-8/15 9.
  25. De voorwaarde van een uiterst dringende noodzakelijkheid is vervuld. VIII. Ernst van het eerste middel Standpunt van de partijen 10.
  26. Verzoekster voert in haar eerste middel onder meer de schending aan van artikel 28 van het Brussels Wetboek Ruimtelijke Ordening (hierna: het BWRO) en van de artikelen 0.7 en 15 van het besluit van 3 mei 2001 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot goedkeuring van het gewestelijk bestemmingsplan (hierna: het GBP). Zij zet onder meer uiteen dat het opleggen van de voorwaarde dat de door het bestreden besluit vergunde parking op de open plek in het bosgebied “ook bereikbaar dient te blijven voor bezoekers van het bos uiteraard niet wegneemt dat de voorziene parking […] kadert in een stedenbouwkundige vergunningsaanvraag die helemaal niet ten dienste staat van het bosgebied”. Een “gebruikelijke aanvulling van en het toebehoren bij de bestemming” conform artikel 0.7 GBP kan volgens haar “in geen geval een parking ten behoeve van een vrijetijdsparking gelegen buiten het bosgebied […] zijn”. Het gegeven dat de onvergunde parking reeds lang zou bestaan en werd aangelegd voor het stallen van paardenwagens, is volgens haar “geen dienstig motief […] om in strijd met de geldende voorschriften van het GBP een uitgebreide parking (inclusief verhardingen, afsluitingen, etc.) voor 429 motorvoertuigen […] te vergunnen”. 10.
  27. De verwerende partij repliceert in haar nota dat de kwestieuze parking een gebruikelijke aanvulling op de bestemming bosgebied betreft. De parking bevindt zich naast het Zoniënwoud dat dagelijks bezoekers lokt en is noodzakelijk om de talloze voertuigen van de bezoekers van het bos een parkeerplaats te bieden. Zonder de bestemming van het GBP aan te tasten, zullen ook de bezoekers van de evenementen hun voertuig op de kwestieuze parking kunnen parkeren. De verwerende partij betoogt dat die parking “een dubbel X-17.424-9/15 gebruik [heeft], hetgeen blijkt uit de bestreden beslissing”. Zij zal “te allen tijde toegankelijk en bereikbaar blijven voor iedereen met in het bijzonder de bezoekers van het bos”. Omwille van “de noodzakelijke rol [die] de parking speelt voor de functie van de hippodroom van Bosvoorde als ontvangstpoort van het Zoniënwoud, is de parking rechtstreeks aanvullend bij de economische en sociale functie van het woud”. Verweerster betoogt dat het bestreden besluit uitdrukkelijk overweegt dat “de dimensionering is afgestemd op de dimensie van het woud, en dat het gebruik gedurende bepaalde periodes of uren voornamelijk ten behoeve van het bos zal staan, en het daarom ook een toebehoren is van het woud”. 10.
  28. De tussenkomende partij doet in haar verzoekschrift tot tussenkomst gelden dat “de vergunde parking een bestaande parking is” die sinds ze bestaat “tegelijk door de bezoekers van het Zoniënwoud en door de bezoekers van de site van de hippodroom [wordt gebruikt]” en dat dit ook zo zal blijven. Er “is dus sprake van een dubbel gebruik”. Zij betoogt voorts dat de Brusselse Regering bij de totstandkoming van het GBP “[heeft] erkend dat ook in het [b]osgebied bepaalde activiteiten kunnen worden toegelaten”. Omwille van “de noodzakelijke rol [die] de parking speelt voor de functie van de hippodroom van Bosvoorde als ontvangstpoort van het Zoniënwoud, is de parking rechtstreeks aanvullend bij de economische en sociale functie van het woud”. De tussenkomende partij meent verder dat het bestreden besluit terecht motiveert dat de kwestieuze parking “ook kan worden gerechtvaardigd op basis van het voorschrift 0.7 van het GBP” en betoogt dat dit besluit nergens een spanningsveld tussen de parkeerbehoefte van de gebruikers van het bos en die van de site van de hippodroom erkent. Zij stelt dat er al meerdere parkings in bosgebied bestaan en dat de kwestieuze parking “ook voorzien [wordt] in [het] ontwerp-schema van de Structuurvisie van het Zoniënwoud”. Ook zou “het bestek van de concessie” erin voorzien dat de kwestieuze parking op de huidige locatie moet blijven. Het bestreden besluit houdt volgens de tussenkomende partij “rekening met de dimensionering van het woud”. Het gegeven “dat dezelfde parking op andere momenten voor andere functies dienstig is”, staat er volgens haar “niet aan in de weg dat de parking een aanhorigheid is van het woud”. Zij betoogt dat “de X-17.424-10/15 hippodroom in zijn geheel te beschouwen [is] als onthaalinfrastructuur voor het Zoniënwoud”, overeenkomstig de “Structuurschets” voor het Zoniënwoud. In die zin acht zij “de hele site rechtstreeks aanvullend […] op de sociale functie van het bos”. Beoordeling 11.
  29. Artikel 28 BWRO bepaalt dat “[a]lle bepalingen van het gewestelijk bestemmingsplan [...] bindende kracht en verordenende waarde [hebben]”. Artikel 15 GBP bepaalt: “Bosgebieden Die gebieden zijn bestemd voor beboste of te bebossen ruimten en wateroppervlakten die de essentiële elementen van het landschap vormen. Ze worden onderhouden of ingericht met het oog op de vrijwaring van de harmonieuze coëxistentie van de ecologische, economische en sociale functies van bossen en wouden. Enkel handelingen en werken noodzakelijk voor de bestemming van deze gebieden of rechtstreeks aanvullend bij de ecologische, economische en sociale functies zijn toegelaten.” Artikel 0.7 GBP bepaalt: “Voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten kunnen in alle gebieden worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de hoofdbestemming van het betrokken gebied en met de kenmerken van het omliggende stedelijk kader. In de groengebieden, de groengebieden met hoogbiologische waarde, de bosgebieden, de parkgebieden en de landbouwgebieden kunnen die voorzieningen, evenwel, slechts de gebruikelijke aanvulling van en het toebehoren bij hun bestemmingen zijn. [...]”. 11.
  30. Uit de overweging in het bestreden besluit “dat het gebruik [van de parking de open plek in het bosgebied] gedurende bepaalde periodes of uren voornamelijk ten behoeve van het bos zal staan” lijkt voorshands te volgen dat deze parking voor meerdere periodes – zo niet hoofdzakelijk – ten dienste staat van het “vrijetijdspark” in de naastgelegen zone voor openbaar nut, meer bepaald X-17.424-11/15 tijdens de openinguren van de in dit “vrijetijdspark” opgenomen restaurant, brasserie, “multifunctionele zalen, bureaus”, minigolf, “multisportterreinen” en evenemententent. 11.
  31. Artikel 15 GBP legt prima facie een uitdrukkelijk verband tussen de toegestane handelingen en werken en de bestemming bosgebied. Enkel handelingen en werken die noodzakelijk zijn voor de bestemming bosgebied, of die rechtstreeks aanvullend zijn bij de ecologische, economische en sociale functies van bossen en wouden zijn toegelaten. Op het eerste gezicht verbiedt artikel 15 GBP dan ook de aanleg en het gebruik van een parking voor motorvoertuigen die voor langere periodes zo niet hoofdzakelijk bestemd is voor de bezoekers van het in het vorig randnummer genoemd “vrijetijdspark”. Prima facie kan de strijdigheid met het bestemmingsvoorschrift voor bosgebied niet worden goedgemaakt door het feit dat de parking “gedurende bepaalde periodes of uren” voornamelijk gebruikt zal worden door bezoekers van het bos. 11.
  32. Op het eerste gezicht legt ook artikel 0.7 GBP een duidelijk verband tussen de toegestane voorzieningen en de bestemming bosgebied, waar dit voorschrijft dat voorzieningen van collectief belang “slechts” de gebruikelijke aanvulling van en het toebehoren bij “hun bestemming”, te dezen bosgebied, kunnen vormen. 11.
  33. Aan het voormelde wordt prima facie geen afbreuk gedaan door het betoog van de tussenkomende en verwerende partij dat op de kwestieuze locatie in de feiten al lang een parking bestaat, dat de Structuurvisie van het Zoniënwoud en “het bestek van de concessie” op die locatie een parking vereisen, dat de Brusselse Regering bij de totstandkoming van het GBP “erkend [heeft] dat ook in het [b]osgebied bepaalde activiteiten kunnen worden toegelaten” en dat het bestreden besluit rekening houdt met de “dimensionering” van het woud. 11.
  34. Het middel is in de aangegeven mate ernstig. X-17.424-12/15
  35. Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State om de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid toe te wijzen. IX. Belangenafweging Standpunt van de verwerende partij
  36. De verwerende partij vraagt in haar nota om verzoeksters’ belang af te zetten “tegen het maatschappelijk belang dat […] aan de bestreden beslissing [kleeft]”. Zij betoogt dat het bestreden besluit aan de tussenkomende partij “de mogelijkheid [geeft] om aan duizenden mensen, zowel bezoekers van het Zoniënwoud als die van de diverse evenementen die zullen plaatsvinden, een parkingplaats voor hun voertuig te voorzien”. De verwerende partij acht het voorts “tekenend” dat slechts één persoon een vordering tegen het bestreden besluit heeft ingesteld. Beoordeling 14.
  37. Luidens artikel 17, § 2, tweede lid, van de RvS-Wet dient de afdeling bestuursrechtspraak op verzoek van de verwerende partij of de tussenkomende partij thans rekening te houden met de vermoedelijke gevolgen van de schorsing van de tenuitvoerlegging voor alle belangen die kunnen worden geschonden, alsook met het openbaar belang, en kan ze besluiten de schorsing niet te bevelen indien de nadelige gevolgen ervan op een kennelijk onevenredige wijze zwaarder doorwegen dan de voordelen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de Raad van State de belangenafweging alleen kan maken als de negatieve gevolgen van de schorsing voor de Raad kennelijk onredelijk blijken in het licht van de voordelen ervan (Parl. St. Senaat 2012-2013, nr. 5-2277/1,16). X-17.424-13/15 14.
  38. Gelet op de hoger aangenomen impact van het bestreden besluit op verzoeksters leefwereld (randnummer 6.1 en volgende), heeft zij er alle belang bij dat de tenuitvoerlegging ervan wordt geschorst. 14.
  39. Het algemene betoog van de verwerende partij dat het bestreden besluit aan de tussenkomende partij de mogelijkheid biedt om voor duizenden mensen in een parkingplaats te voorzien, kan er de Raad van State geenszins van overtuigen dat de negatieve gevolgen van de schorsing in het licht van de voordelen ervan voor verzoekster kennelijk onredelijk zouden zijn. Dit geldt nog meer nu de tussenkomende partij zelf niet om een belangenafweging verzoekt. Verweersters loutere betoog dat het “tekenend” is dat slechts één persoon een vordering heeft ingesteld, overtuigt de Raad van State er evenmin van dat het aangewezen zou zijn om de schorsing van het bestreden besluit niet te bevelen. 14.
  40. Het verzoek wordt niet ingewilligd. BESLISSING
  41. Het verzoek van de nv Droh!me Exploitation tot tussenkomst wordt ingewilligd.
  42. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het besluit van de gemachtigde ambtenaar van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 6 december 2018 waarbij aan de nv Droh!me Exploitation de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor de inrichting van een actief vrijetijdspark op terreinen gelegen aan de Terhulpsesteenweg 51 – 53 en de Terhulsesteenweg
  43. X-17.424-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig januari 2019, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Stephan De Taeye, wnd. voorzitter, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Stephan De Taeye X-17.424-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.466 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.641 geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.156 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.