id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.467 Rolnummer: A. 226272/XIV-37824 Zaak: Arrest 243467 - Commissie voor bank- financie- en verzekeringswezen - 23/01/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-01-28 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-25 02:56 Fiche Arrest nr 243.467 van 23 januari 2019 Economische zaken - Commissie voor bank- financie- en verzekeringswezen Beslissing : afvoering Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 243.467 van 23 januari 2019 in de zaak A. 226.272/XIV-37.824 In zake : de BVBA B.D.S. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Konstantijn Roelandt kantoor houdend te 2221 Heist-op-den-Berg Dorpsstraat 91 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de AUTORITEIT VOOR FINANCIËLE DIENSTEN EN MARKTEN (FSMA) -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 25 september 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de FSMA van 4 september 2018 om, in toepassing van artikel 292, § 1, van de wet van 4 april 2014 ‘betreffende de verzekeringen” de inschrijving van de verzoekende partij te schrappen uit het register van de verzekeringstussenpersonen. II. Verloop van de rechtspleging 2. De hoofdgriffier heeft op 28 september 2018 de verzoekende partij uitgenodigd het voor het indienen van een beroep tot nietigverklaring verschuldigde rolrecht te kwijten door middel van een overschrijving of een storting op rekening IBAN nr. BE09-6792-0030-1057 en dit binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de ontvangst van het overschrijvingsformulier, zoals bedoeld in artikel 71, tweede lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling XIV-37.824-1/10 bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedure- regeling). 3. Op 30 oktober en nogmaals op 8 november 2018 heeft de hoofdgriffier aan de verzoekende partij de mededeling verstuurd dat de voormelde rekening niet (tijdig) was gecrediteerd en dat de aangewezen kamer de zaak van de rol zal afvoeren, tenzij de verzoekende partij vraagt om te worden gehoord. De zending van 30 oktober 2018 werd door de diensten van BPost teruggezonden met de vermelding “ontvangt de briefwisseling niet (meer) op het aangeduide adres”. De zending van 8 november 2018 werd afgeleverd en ondertekend voor ontvangst op 19 november 2018. Op 28 november 2018 heeft de verzoekende partij gevraagd om te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 januari 2019 om 10.00 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Konstantijn Roelandt, die verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. XIV-37.824-2/10 III. Afvoering van de rol 4. Naar luid van artikel 71, vierde lid, van de algemene procedureregeling, wordt de proceshandeling waarop de kwijting betrekking heeft als niet verricht beschouwd indien de in artikel 71, eerste lid van de algemene procedureregeling vermelde rekening niet binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de ontvangst van het overschrijvingsformulier is gecrediteerd door middel van een overschrijving of van een storting die de op dit formulier vermelde gestructureerde mededeling bevat. De proceshandeling waarop de kwijting betrekking heeft is het indienen van een verzoekschrift tot nietigverklaring. Artikel 71, vierde lid, van de algemene procedureregeling is krachtens artikel 3, § 7, van het koninklijk besluit van 15 mei 2003 ‘tot regeling van de versnelde procedure in geval van beroep bij de Raad van State tegen sommige beslissingen van de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten en de Nationale Bank van België’ (hierna: het koninklijk besluit van 15 mei 2003) eveneens van toepassing op het voorliggende beroep. 5. De voornoemde rekening werd buiten de termijn van dertig dagen gecrediteerd. Overeenkomstig artikel 71, vierde lid, van de algemene procedureregeling dient de voormelde proceshandeling aldus als niet verricht te worden beschouwd. 6. Bij zijn verzoek van 28 november 2018 om te worden gehoord voegt de verzoekende partij een geschrift dat zij een “verzoekschrift om gehoord te worden” noemt en waaraan een aantal overtuigingsstukken zijn toegevoegd. Met datzelfde verzoek om te worden gehoord wenst de raadsman van de verzoekende partij er de “aandacht op te vestigen dat ik de keuze van woonplaats wijzig naar mijn kantoor gevestigd te 2221 Heist-op-den-Berg, Dorpsstraat 91”. XIV-37.824-3/10 In het bij dat verzoek gevoegde “verzoekschrift” zet de verzoekende partij uiteen dat de raadsman van de verzoekende partij op 19 november 2018 een schrijven van de Raad van State van 30 oktober 2018 heeft ontvangen op het adres te 2221 Booischot, Dorpsstraat 91. Dit wordt volgens hem “bevestigd door BPost (Stuk 1)” en “blijkt uit de enveloppe zelf (Stuk 2)”. Hij stelt dat hij diezelfde dag nog een klacht bij BPost heeft ingediend “met het hele feitenrelaas (Stuk 3)”. De fouten worden door BPost “niet ontkend” doch “wel integendeel ‘bevestigd’ (Stuk 1)” zodat het, aldus de verzoekende partij, “ontegensprekelijk ‘overmacht’ in hoofde van de raadsman van Verzoekende partij uitmaakt”. In datzelfde “verzoekschrift” wordt nog gesteld dat er “zeer recent” nog een fout is gebeurd door Bpost en dat de raadsman van de verzoekende partij ook die fout onmiddellijk bij Bpost heeft gemeld met een klacht op 23 oktober 2018. Ook toen heeft Bpost de fout erkend. Hieruit volgt volgens de raadsman van de verzoekende partij dat hij “het slachtoffer is van een slecht functionerende postbedeling”. Hij zet uiteen dat hij gebruik maakt van het systeem van automatische doorverzending van brieven op zijn naam naar het adres te 2221 Booischot, Dorpsstraat 91. Dit systeem wordt volgens hem echter door Bpost “niet consequent toegepast”, de briefjes van aangetekende zendingen worden bij niet-aanwezigheid “niet consequent in de bus achtergelaten” en het postpakket zelf wordt “niet behoorlijk bewaard en verloren gedaan”. De raadsman van de verzoekende partij stelt nog dat hij na contact met de griffie te weten is gekomen dat er op 28 september 2018 een schrijven met vraag tot betaling van rolrechten aan hem is gericht. Dit zou zijn betekend op 1 oktober 2018 en teruggestuurd naar de Raad van State op 17 oktober 2018 wegens “niet afgehaald”. Deze brief werd niet doorgezonden naar het adres 2221 Booischot, Dorpsstraat 91. De raadsman van de verzoekende partij stelt dat dan nog de fout in principe kan worden verholpen, ware het niet dat de postbode dan ook nog eens niet consequent de briefjes in de bus van Recollettenlei nr. 9 achter laat, “zoals ook nu het geval moet zijn geweest”. XIV-37.824-4/10 Hij stelt dat hij “zeer frequent aanwezig [is] op het kantoor te Gent en van zodra er een briefje ligt gaat hij de dag zelf nog naar de post … Bovendien is Mr. [V.L.] dagelijks aanwezig en hij bevestigt dat hij steeds de briefjes die voor de raadsman van verzoekende partij bestemd zijn, altijd op de afgesproken plaats legt (Stuk 5)”. Beoordeling 7. Artikel 84, § 2 van de algemene procedureregeling voorziet dat, met uitzondering van de Belgische administratieve overheden, elke partij in een procedure in haar eerste processtuk woonplaats in België kiest. Alle kennis- gevingen, mededelingen en opmerkingen door de griffie worden rechtsgeldig op de gekozen woonplaats gedaan. De woonplaatskeuze geldt voor alle daarop- volgende procedurestukken. Elke wijziging van woonplaatskeuze moet, voor elk beroep afzonderlijk, uitdrukkelijk worden geformuleerd en bij aangetekend schrijven ter kennis worden gebracht van de hoofdgriffier met inachtneming van de in artikel 84, § 2, vierde lid, gestelde eisen. De verplichting om uitdrukkelijk woonplaatskeuze te doen, dient de rechtszekerheid en strekt ertoe betwistingen over de rechtsgeldigheid en de ontvangst van betekeningen van procedurestukken zoveel als mogelijk uit te sluiten. Een verzoekende partij wordt op grond van het mandaat ad litem geacht de woonplaatskeuze bij haar raadsman stilzwijgend te hebben gelast, aanvaard of bekrachtigd. Aangezien elke betekening door de griffie rechtsgeldig wordt gedaan op het gekozen adres, en dit onafhankelijk van de effectieve ontvangst ervan, heeft een verzoekende partij er alle belang bij de woonplaatskeuze zo nauwkeurig en volledig mogelijk te formuleren teneinde ieder risico op verwarring te voorkomen en te vermijden dat men een rechtsgeldige betekening zou mislopen. XIV-37.824-5/10 Het volstaat voor een verzoekende partij om keuze van woonplaats bij haar raadsman te doen wanneer zij zich wil ontdoen van het overzenden van de procedurestukken. Eventuele fouten of tekortkomingen van de raadsman van de verzoekende partij waar keuze van woonplaats werd gedaan, bijvoorbeeld in de organisatie van zijn kantoor, kunnen door de verzoekende partij, behoudens aan te tonen overmacht, niet worden ingeroepen om aan de door de wet voorgeschreven sancties te ontsnappen. Een vergissing of tekortkoming van de advocaat maakt immers geen geval van overmacht uit, een gerezen betwisting of communicatieprobleem bijvoorbeeld binnen de kantoororganisatie evenmin. 8. De door de (raadsman van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.