id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.471 Rolnummer: A. 219590/VII-39699 Zaak: Arrest 243471 - Milieuvergunningen - 24/01/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-02-04 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-25 03:19 Fiche Arrest nr 243.471 van 24 januari 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 243.471 van 24 januari 2019 in de zaak A. 219.590/VII-39.
- In zake : Gert LAURIJSSEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jef Peeters kantoor houdend te 2300 Turnhout Gemeentestraat 4, bus 6 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 Oostende Archimedesstraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de BVBA BRUVARKO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Surmont en Koen Van den Wyngaert kantoor houdend te 2300 Turnhout de Merodelei 112 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 27 juni 2016, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 2 mei 2016 waarbij het bestuurlijk beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 9 juni 2011, houdende de weigering van de milieuvergunning aan de BVBA Bruvarko voor de verandering van een varkenshouderij, gelegen aan de Hofstraat 4 te Ravels, VII-39.699-1/14 gegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de gevraagde vergunning wordt verleend. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 236.001 van 6 oktober 2016 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 oktober
- Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht. Advocaat Veerle Huysman, die loco advocaat Jef Peeters verschijnt voor verzoeker, advocaat Clive Rommelaere, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Koen Van den Wyngaert, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. VII-39.699-2/14 Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De tussenkomende partij exploiteert een varkensbedrijf, gelegen aan de Hofstraat 4 te Ravels. De inrichting werd op 15 april 2008 vergund voor het houden van 400 varkens. 3.
- Op 29 november 2010 dient zij een aanvraag in voor het verkrijgen van een milieuvergunning om de varkenshouderij te veranderen door toevoeging, wijziging en uitbreiding. Het voorwerp van die aanvraag bestaat in essentie uit de uitbreiding van de inrichting met een nieuwe stal voor het houden van in totaal 2.880 “andere varkens”. 3.
- Bij besluit van 9 juni 2011 weigert de deputatie van de provincieraad van Antwerpen de gevraagde vergunning. 3.
- Tegen deze beslissing stelt de tussenkomende partij bestuurlijk beroep in bij de Vlaamse regering. 3.
- Met een besluit van 8 februari 2012 verklaart de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur het beroep gegrond, heft zij de beroepen beslissing op en verleent zij de gevraagde vergunning. 3.
- Voormeld besluit wordt door de Vlaamse minister ingetrokken op 20 augustus
- Tegelijk wordt aan de tussenkomende partij een nieuwe milieuvergunning verleend. VII-39.699-3/14 3.
- Bij besluit van 19 augustus 2013 trekt de Vlaamse minister van Leefmilieu het, intussen door de Raad van State geschorste, besluit van 20 augustus 2012 in. Tegelijk verleent zij aan de tussenkomende partij andermaal de gevraagde milieuvergunning. 3.
- Bij arrest nr. é.723 van 4 februari 2016 vernietigt de Raad van State de op 19 augustus 2013 verleende milieuvergunning. 3.
- In het kader van de herneming van de beroepsprocedure wordt een aantal adviezen ingewonnen. Vervolgens neemt de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw op 2 mei 2016 het thans bestreden besluit waarbij het bestuurlijk beroep van de tussenkomende partij gegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 9 juni 2011 wordt opgeheven en aan de tussenkomende partij de gevraagde milieuvergunning, mits het opleggen van een aantal bijzondere voorwaarden, wordt verleend. Dit is het bestreden besluit. Het bevat, met betrekking tot de geurhinder, de volgende motieven: “Overwegende dat er nu dus gekozen wordt voor een ecocombiwasser als luchtwassysteem voor de nieuwe mestvarkensstal voor 2.880 varkens; dat de combiwasser bestaat uit een aaneenschakeling van 2 biologische wassers, waardoor de geurhinder 85 % en de ammoniakemissie 85% wordt gereduceerd; dat er een aanvullend bijkomend geuronderzoek op 30 maart 2016 uitgevoerd werd, rekening houdend met bovenstaande maatregelen en waarbij een stand still inzake hinder werd nagestreefd; Overwegende dat hieruit blijkt dat, indien de nieuwe stal wordt uitgerust met een ecocombisysteem en het aantal biggen wordt afgebouwd tot 2.250 stuks, er een stand still inzake geurhinder bekomen wordt ten opzichte van de huidig vergunde situatie; dat de ammoniakemissie ten opzichte van de vergunde situatie van 1.898 kg NH3/j tot 1.806 NH3/j daalt; Overwegende dat de aangevulde bijkomende nota geuronderzoek van 30 maart 2016 in tabel 1 verwijst naar een geurmodellering van 27 november 2009, waaruit bleek dat in het agrarisch gebied respectievelijk 13 woningen een gering negatief effect, 9 woningen een matig negatief effect en 0 woningen een negatief effect ondervonden in de huidige toestand; VII-39.699-4/14 Tabel 1 Effectbeoordeling Huidig Gewenst* Woongebied 0,5 - 1 OUE/m3 Gering negatief 0 0 1 - 1,5 OUE/m3 Matig negatief 0 0 3 > 1,5 OUE/m Negatief effect 0 0 Woongebied met landelijk karakter 1 - 1,5 OUE/m3 Gering negatief 0 16 3 1,5 - 3 OUE/m Matig negatief 0 0 3 > 3 OUE/m Negatief effect 0 0 Overig 1,5 - 3 OUE/m3 Gering negatief 13 35 3 - 10 OUE/m3 Matig negatief 9 17 3 > 10 OUE/m Negatief effect 0 0 * 2.880 andere varkens met een combiwasser met 70 % geurreductie en 2.550 biggen in een AEA stal met systeem V-1.5 Overwegende dat er een verschil is met het tweede geuronderzoek van 30 maart 2016 naar aanleiding van de huidige milieuvergunningsaanvraag waar de cijfers van de huidige en vergunde toestand respectievelijk 29, 10 en 1 woning bedroegen (zie tabel 2 van het bijkomende geuronderzoek van 30 maart 2016); Tabel 2 Effectbeoordeling Vergund Oorspronkelijk Alternatief** Stand gewenst* still*** Woongebied 0,5 - 1 Gering negatief 0 0 0 0 OUE/m3 1 - 1,5 Matig negatief 0 0 0 0 OUE/m3 > 1,5 OUE/m3 Negatief effect 0 0 0 0 Woongebied met landelijk karakter 1 - 1,5 Gering negatief 4 16 7 2 OUE/m3 1,5 - 3 Matig negatief 0 0 0 0 OUE/m3 > 3 OUE/m3 Negatief effect 0 0 0 0 Overig 1,5 - 3 Gering negatief 29 35 27 27 OUE/m3 3 - 10 OUE/m3 Matig negatief 10 16 14 10 3 > 10 OUE/m Negatief effect 1 1 1 1 * 2.880 andere varkens met een combiwasser met 70 % geurreductie en 2.550 biggen in een AEA stal met systeem V-1.5 ** 2.880 andere varkens met een combiwasser met 85 % geurreductie i.p.v. 70 % en 2.550 biggen in een AEA stal met systeem V-1.5 *** 2.880 andere varkens met een combiwasser met 85 % geurreductie i.p.v. VII-39.699-5/14 70 % en 2.250 biggen i.p.v. 2.550 biggen in een AEA stal met systeem V-1.5 Overwegende dat uit de tabellen 1 en 2 van het bijkomende geuronderzoek van 30 maart 2016 dus blijkt dat de cijfers in de huidige situatie en de oorspronkelijk gewenste situatie niet overeenkomen; dat in de huidige vergunde situatie het aantal gehinderden in de eerste geurstudie (tabel 1) merkelijk lager is dan in de tweede geurstudie (tabel 2); Overwegende dat volgens het bijkomende geuronderzoek van 30 maart 2016 het verschil te verklaren is doordat in de eerste geurstudie de 800 biggen foutief niet mee opgenomen zijn in de modellering; dat in de 2de modellering de biggen zowel in de huidige als de gewenste situatie in rekening zijn gebracht en daarom de 2de uitgevoerde modellering ook de correcte modellering is; Overwegende dat volgens tabel 5 van het bijkomende geuronderzoek van 30 maart 2016 de geuremissie door het bedrijf in de huidige situatie 28.502 ouE/S bedraagt; Overwegende dat volgens tabel 6 van het bijkomende geuronderzoek van 30 maart 2016 de geuremissie door het bedrijf in de gewenste situatie 31.514 ouE/S bedraagt; dat deze som op de volgende manier wordt bereikt : 2.250 biggen x 8,4 ouE/S = 18.900 ouE/S 2.880 vleesvarkens x 4,38 ouE/S = 12.614 ouE/S 18.900 ouE/S + 12.614 °ouE/S = 31.514 ouE/S; Overwegende dat uit het bijkomende geuronderzoek van 30 maart 2016 (tabel 2) blijkt dat in de aangepaste situatie (laatste kolom) er 2 woningen minder in woongebied met Iandelijk karakter worden teruggevonden in de zone waar er 1-1,5 OUE/m3 wordt waargenomen; dat voor woningen in agrarisch gebied tussen 1,5 OUE/m3 en 3 OUE/m3 de geur als gering negatief wordt aanzien en dat in de nieuwe situatie zich 27 woningen in deze zone zullen bevinden (-2 ten opzichte van de vergunde situatie); dat 10 woningen hier een matig negatief effect zullen ondervinden (= idem met vergunde situatie) en 1 woning een negatief effect (> 10 OUE/m3) (= idem met vergunde situatie); dat het risico op geurhinder bijgevolg tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt; Overwegende dat uit het bijkomende geuronderzoek van 30 maart 2016 moet worden besloten dat de standstill op geurgehinderden gerealiseerd kan worden in de nieuwe gewenste toestand; dat doorslaggevend in deze modellering de omschakeling van natuurlijke naar mechanische ventilatie in de bestaande stal is en het feit dat de nieuwe stal zal uitgerust worden met een ecocombiwasser met 85 % geurreductie waarbij de emissie op 1 punt met een aanzienlijke luchtsnelheid de stal verlaat; dat hierdoor de uitgaande lucht krachtig uitgestoten wordt, waardoor er een betere menging met de omgevingslucht optreedt en aldus een grotere verdunning; dat dit zal resulteren in relatief lage geurconcentraties, ondanks de toename in emissie. Overwegende dat een eigen controle-onderzoek (individuele geurraming) uitgevoerd werd door de adviesverlener van de afdeling Milieuvergunningen op 21 maart 2016; dat dit onderzoek werd uitgevoerd door het plaatsen van een overlay op een luchtfoto; dat vervolgens het aantal geurgehinderde woningen werd geteld; dat opgemerkt moet worden dat deze individuele geurraming slechts een individueel en een benaderend resultaat weergeeft van het aantal geurgehinderde woningen; dat uit deze individuele geurraming blijkt dat er in het landelijk woongebied zich geen geurgehinderde woningen bevinden; dat in VII-39.699-6/14 het agrarisch gebied zich circa 30 geurgehinderde woningen bevinden; dat de cijfers van het aantal geurgehinderde woningen lager liggen dan de geurstudie van 30 maart 2016; dat wegens de vrij gelijklopende resultaten van de individuele geurraming van 21 maart 2016 en het bijkomende geuronderzoek van 30 maart 2016 kan geconcludeerd worden dat de cijfers van het bijkomende geuronderzoek van 30 maart 2016 correct zijn”. IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen
- In het eerste middel voert verzoeker de schending aan van artikel 17 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), en het redelijkheidsbeginsel. Verzoeker voert aan dat de verwerende partij ten onrechte beslist dat de hinder en de risico’s voor de externe veiligheid veroorzaakt door de inrichting, mits naleving van de milieuvergunningsvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt, zodat de vergunning kan worden toegekend, terwijl zij op grond van manifest onjuiste en onredelijke overwegingen tot deze beslissing kwam die bovendien niet berust op een draagkrachtige motivering. Met betrekking tot de geurhinder verwijst verzoeker naar de voorgaande procedures voor de Raad van State en de aldaar vastgestelde verschillen tussen de diverse geurstudies. Hij betoogt dat de motivering van de bestreden beslissing nagenoeg identiek is aan deze van de vernietigde beslissing op dit punt, zodat nog steeds geen redelijke verantwoording wordt gegeven voor het verschil in uitgangspunt in de studies. Voorts blijkt niet dat de juistheid van de uitgevoerde studies werd nagegaan in de bestreden beslissing. De controle die werd doorgevoerd, gebeurde op een niet nader gespecifieerde luchtfoto waarop een overlay werd aangebracht. Het kan niet worden ingezien hoe dergelijke VII-39.699-7/14 niet-wetenschappelijk gefundeerde raming beschouwd kan worden als een afdoende controle op een uitgevoerde geurstudie. Hoe dan ook lopen de resultaten van de individuele geurraming en het bijkomend geuronderzoek uiteen, in tegenstelling tot wat in de bestreden beslissing wordt beweerd. Er wordt dan ook ten onrechte overwogen dat de geurhinder aanvaardbaar is en er sprake is van een standstill. Uit de berekeningen van verzoeker blijkt dat sprake is van een stijging van de ouE/s en geenszins van een standstill. Momenteel is er reeds sprake van een penetrante geurhinder. Er wordt niet aangetoond dat de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau zal worden beperkt.
- De verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord dat na het arrest van de Raad van State de verwerende partij de administratieve procedure heeft hernomen, zodat de adviesverlenende instanties binnen dat kader ook opnieuw advies hebben verleend. Het is hierbij belangrijk op te merken dat de adviesverlenende instanties alle in kennis zijn gesteld geweest van de diverse geurstudies, waaronder ook de derde en meest recente geurstudie van 30 maart
- Mede gelet op deze stukken hebben zowel de afdeling Milieuvergunningen als de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie -met eenparigheid van stemmen- respectievelijk op 1 april 2016 en 5 april 2016 een gunstig advies verleend. Verzoeker verwijst steeds opnieuw naar het standpunt van de afdeling Milieuvergunningen zoals weergegeven in haar advies van 11 augustus 2009, en gaat alzo ten onrechte voorbij aan het meest recente en herziene standpunt van de afdeling Milieuvergunningen. Het bestreden besluit concludeert dan ook dat een standstill inzake geurhinder kan worden verwacht. Er dient te worden benadrukt dat bij het beoordelen hoeveel geurhinder een woning zal ondervinden, alleen de immissiewaarden inzake geur van belang zijn. Er is helemaal geen vaste correlatie tussen immissiewaarden en de emissiewaarden. De immissiewaarden worden beïnvloed door diverse technische en omgevingsfactoren, waarbij zelfs bij gelijk blijvende emissiewaarden een gunstig effect kan worden bekomen op de immissiewaarden, door bijvoorbeeld betere vermenging van de omgevingslucht als gevolg van andere ventilatie- of staltechnieken. Bij het berekenen van de immissiewaarden van de geur die woningen in de omgeving van het bedrijf zullen VII-39.699-8/14 ondervinden, moet rekening gehouden worden met al die factoren, en dit vereist complexe berekeningen die volgens een geurmodel moeten worden uitgevoerd. Er bestaat geen eenvoudig mathematisch verband tussen het aantal gehouden varkens en de immissiewaarden. De twee meest recente studies gaan daarenboven beide uit van de correcte (en uitdrukkelijk in de beide studies vermelde) parameters, waarbij als uitgangspunt voor het toepassen van het geurmodel de modelleringsafspraken met de dienst MER (Immissie Frequentie Distributie Model of IFDM-verspreidingsmodel) worden genomen. Het is mede op basis daarvan afdoende duidelijk dat wel een correcte inschatting werd gemaakt van de geurhinder en van het aantal geurgehinderde woningen in de omgeving. De juistheid van de eindconclusie dat er na wijziging en uitbreiding van de exploitatie een standstill kan worden bereikt inzake geurhinder en ammoniakdepositie, blijkt trouwens ook afdoende uit de adviezen van de afdeling Milieuvergunningen en de Milieuvergunningscommissie daaromtrent. Bovendien heeft de afdeling Milieuvergunningen een eigen, weliswaar benaderende geurraming uitgevoerd, wat ook moge blijken uit de motivering van de bestreden beslissing. Deze benaderende geurstudie levert zelfs een fraaier beeld op van de te verwachten geurhinder, in de mate dat er minder geurgehinderde woningen worden vastgesteld dan in vergelijking met de conclusies uit de meer wetenschappelijk benaderende studies die werden aangebracht door de exploitant, waarbij aan de hand van allerlei parameters wordt geconcludeerd dat er in het algemeen meer geurgehinderde woningen zullen zijn. Dit doet evenwel geen afbreuk aan de vaststelling dat er te dezen een standstill inzake geurhinder zal worden bewerkstelligd in de gewenste toestand en de naar voren gebrachte geurstudies correct zijn.
- De tussenkomende partij benadrukt dat uit de stukken van het dossier blijkt dat niet alleen de geurstudie van 30 maart 2016 de enige juiste en betrouwbaar is, maar ook dat er zelfs na uitbreiding een standstill inzake geurhinder kan worden bereikt. Voorts, dat dit tevens blijkt uit een eigen nieuw en recent onderzoek van de afdeling Milieuvergunningen waarin een nog gunstiger eindresultaat werd genoteerd. Mede op basis van de geurstudie van 30 maart 2016 hebben zowel de afdeling Milieuvergunningen als de Gewestelijke VII-39.699-9/14 Milieuvergunningscommissie een gunstig advies verleend, zodat het pijnpunt dat in het arrest van 4 februari 2016 was blootgelegd, is verholpen. De berekeningen die verzoeker maakt zijn naast de kwestie omdat er geen mathematisch verband bestaat tussen het aantal gehouden varkens en de emissiewaarden en er ook rekening dient te worden gehouden met de immissiewaarden waarbij rekening wordt gehouden met alle omgevingsfactoren, ingevoerd in het IFDM-verspreidingsmodel.
- In de laatste memorie benadrukt de verwerende partij dat de eenmalige vaststelling van een penetrante mestgeur op 300 meter van de inrichting niet toelaat om te besluiten dat er nu reeds onaanvaardbare geurhinder zou uitgaan van de huidige exploitatie, te meer daar er tal van oorzaken kunnen zijn zoals bemesting op landbouwpercelen in de buurt, een tijdelijke storing in de werking van de installaties, of een zeer korte geurpiek. Beoordeling
- De beoordelingsbevoegdheid over een aanvraag voor een milieuvergunning impliceert dat de vergunningverlenende overheid, rekening houdend met alle concrete gegevens van de zaak en de erbij betrokken uiteenlopende belangen, de hinder en de risico’s voor de mens en het leefmilieu onderzoekt en de passende eindconclusies trekt. De motiveringsplicht als vervat in de motiveringswet verplicht de overheid ertoe, in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen, die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een afdoende wijze. Het bovenstaande veronderstelt dat de overheid moet kunnen uitgaan van gegevens die op het ogenblik van de beslissing over de vergunningsaanvraag een voldoende hoge graad van zekerheid vertonen. Dat bewoners in een agrarisch gebied een hogere graad van hinder moeten aanvaarden, doet daaraan geen afbreuk. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij haar oordeel betreffende de aanvaardbaarheid van de geurhinder VII-39.699-10/14 in hoofdzaak steunt op een “aanvullend bijkomend geuronderzoek” dat op 30 maart 2016 uitgevoerd werd. Het bestuur leidt uit deze studie af dat er, niettegenstaande een stijging van de geuremissie, op het vlak van geurimmissie een standstill wordt behouden, zodat wordt aangenomen dat het risico op geurhinder veroorzaakt door de gevraagde inrichting tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt. Daarbij wordt de omschakeling van natuurlijke naar mechanische ventilatie in de bestaande stal en het feit dat de nieuwe stal zal worden uitgerust met een ecocombiwasser met 85% geurreductie als doorslaggevend beschouwd. Voorts wordt verwezen naar een eigen controle-onderzoek uitgevoerd door de adviesverlener van de afdeling Milieuvergunningen op 21 maart 2016 door het plaatsen van een overlay op een luchtfoto waarna het aantal geurgehinderde woningen werd geteld. Een identieke motivering wat de geurhinder betreft is terug te vinden in de gunstige adviezen van de afdeling Milieuvergunningen en de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie van 1 april 2016 en 5 april
- De Raad van State heeft reeds in het kader van de voorgaande procedures vastgesteld dat omtrent de vergunningsaanvraag twee geurstudies werden opgesteld (in 2009 en in 2012) die grondige verschillen vertonen, met name op het vlak van hun respectieve uitgangspunten, en dat daarvoor geen deugdelijke verklaring wordt bijgebracht. De thans in de bestreden beslissing opgenomen verklaring voor het verschil in de twee geurstudies, met name omdat de 800 biggen foutief niet mee zijn opgenomen in de modellering, gaat terug naar de door de BVBA farMER, in opdracht van de milieuaanvrager, opgemaakte “bijkomende nota geuronderzoek” van 10 augustus
- Het zogenaamde “bijkomend” geuronderzoek van 30 maart 2016 betreft een letterlijke overname van deze nota van 10 augustus 2012, thans weergegeven met vermelding van een correct emissiecijfer in tabel 6, zonder verdere invloed op de berekeningen. Het eigen controle-onderzoek uitgevoerd door de afdeling Milieuvergunningen op 21 maart 2016 betreft een loutere controle van het aantal geurgehinderde woningen, en geen eigen geurstudie of controle ter plaatse. VII-39.699-11/14
- Nog daargelaten of de gegeven verklaring van de grondige verschillen tussen de twee voormelde geurstudies thans aldus wel nader is onderzocht, moet worden vastgesteld dat het gehanteerde “aanvullend bijkomend geuronderzoek van 30 maart 2016”, dat klaarblijkelijk het decisief element uit de motivering van het bestreden besluit vormt, zelf de nodige voorbehouden formuleert. Er wordt immers onder meer op gewezen dat het gehanteerde IFDM-model “in werkelijkheid niet gemaakt [is] om emissies van landbouwbedrijven te modelleren”, dat “het gedetailleerde onderzoek [...] niet volledig betrouwbaar [is]”, en dat “de betrouwbaarheid van het model [bovendien] daalt naarmate dichter bij de bron gekeken wordt”, terwijl “dit [...] net de zone [is] waar de invloed van het bedrijf het grootst is”, om vervolgens te benadrukken “dat conclusies op geurconcentratieniveau (absolute cijfers) niet betrouwbaar zijn”, en het model bovendien “diverse onzekerheden [bevat] en […] als input van het model [wordt] gewerkt met een aantal aannames”, zodat “de resultaten van het model […] dan ook met de nodige voorzichtigheid behandeld [dienen] te worden”. Bovendien zullen, blijkens tabel 2 van het bijkomend geuronderzoek van 30 maart 2016, zich onder de nieuw gewenste situatie nog steeds woningen bevinden die een (gering, matig of negatief) effect zullen ondervinden, met name 2 woningen in woongebied met landelijk karakter, en in totaal 38 woningen in agrarisch gebied. Voorst wordt vastgesteld dat in de bestreden beslissing de vermindering van de geurimmissie als gevolg van de omschakeling van natuurlijke naar mechanische ventilatie in de bestaande stal en de uitrusting van de nieuwe stal met een ecocombiwasser louter wordt aangenomen, zonder verdere motivering. De stelling in de bestreden beslissing “dat het risico op geurhinder bijgevolg tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt” wordt dan ook onvoldoende onderbouwd. Er wordt niet gemotiveerd of deze woningen in een aanvaardbare toestand verkeren wat geurhinder betreft, zelfs al zijn ze gelegen in VII-39.699-12/14 agrarisch gebied. Mede in het licht van de, weliswaar eenmalige, vaststelling door de afdeling Milieuvergunningen, van een penetrante mestgeur op 300 meter van de inrichting, wat in eerste aanleg aanleiding gaf tot een ongunstig advies, zijn voornoemde formele motieven in de bestreden beslissing niet afdoende om thans met voldoende zekerheid aannemelijk te maken dat, ondanks de gevoelige uitbreiding van het aantal varkens en (niet-vergunningsplichtige) biggen en een stijging van de geuremissie, het risico op geurhinder tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt.
- Het eerste middel is gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 2 mei 2016 waarbij het bestuurlijk beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 9 juni 2011, houdende de weigering van de milieuvergunning aan de BVBA Bruvarko voor de verandering van een varkenshouderij, gelegen aan de Hofstraat 4 te Ravels, gegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de gevraagde vergunning wordt verleend.
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan verzoeker. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-39.699-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig januari tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-39.699-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.471 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.001 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div