← België

Arrest 243472 - Kansspelen - 24/01/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.472 Rolnummer: A. 224626/VII-40210 Zaak: Arrest 243472 - Kansspelen - 24/01/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-02-04 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-25 03:19 Fiche Arrest nr 243.472 van 24 januari 2019 Justitie - Kansspelen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 243.472 van 24 januari 2019 in de zaak A. 224.626/VII-40.

  1. In zake :
  2. de NV BLANKENBERGE CASINO-KURSAAL
  3. de NV CASINO KURSAAL OOSTENDE
  4. de NV CASINOS AUSTRIA INTERNATIONAL BELGIUM
  5. de NV GRAND CASINO DE DINANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Soete kantoor houdend te 8400 Oostende Kerkstraat 8, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jürgen Vanpraet en Yannick Peeters kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  6. Het beroep, ingesteld op 26 februari 2018, strekt tot de nietigverklaring van artikel 1 van het koninklijk besluit van 22 december 2017 betreffende de bijdrage in de werkings-, personeels- en oprichtingskosten van de Kansspelcommissie verschuldigd door de houders van de vergunningen klasse A, A+, B, B+, C, E, F1, F1+, F2, G1 en G2 voor het burgerlijk jaar
  7. VII-40.210-1/5 II. Verloop van de rechtspleging
  8. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 januari
  9. Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bram Van Den Berghe, die loco advocaat Jürgen Vanpraet verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  10. III. Feiten
  11. Luidens artikel 19 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers bepaalt de Koning de bijdrage van de houders van een vergunning klasse A, B, C VII-40.210-2/5 en E in de werkings-, personeels- en oprichtingskosten van de Kansspelcommissie, alsook de jaarlijkse bijdrage en, desgevallend, de bijdrageverhoging aan de FOD Economie verschuldigd door de kansspelinrichtingen, en legt hij aan de wetgevende kamers een ontwerp van wet voor dat gericht is op de bekrachtiging van dit besluit. Bij het bestreden besluit van 22 december 2017 betreffende de bijdrage in de werkings-, personeels- en oprichtingskosten van de Kansspelcommissie verschuldigd door de houders van de vergunningen klasse A, A+, B, B+, C, E, F1, F1+, F2, G1 en G2 stelt de Koning de bijdragen van de kansspelinrichtingen voor het burgerlijk jaar 2018 vast. Dit koninklijk besluit is bekrachtigd bij de wet van 25 juni 2018 tot bekrachtiging van het koninklijk besluit van 22 december 2017 betreffende de bijdrage in de werkings-, personeels- en oprichtingskosten van de Kansspelcommissie verschuldigd door de houders van de vergunningen klasse A, A+, B, B+, C, E, F1, F1+, F2, G1 en G2 voor het burgerlijk jaar 2018, met uitwerking op de dag van zijn inwerkingtreding. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie
  12. De verwerende partij betoogt in haar memorie van antwoord dat een wetsontwerp is ingediend bij de Kamer van volksvertegenwoordigers ter bekrachtiging van het bestreden besluit, en dat, indien het wetsontwerp wordt aangenomen door de wetgever, de Raad van State niet langer bevoegd is om kennis te nemen van de voorliggende vordering tot nietigverklaring.
  13. De verzoekende partijen stellen in hun memorie van wederantwoord en in hun laatste memorie dat er geen discussie over kan bestaan dat de Raad van State bevoegd was op het ogenblik van het instellen van de VII-40.210-3/5 vordering tot nietigverklaring en ontvankelijkheid en bevoegdheid op die datum dienen te worden beoordeeld. Voorts, dat een latere bekrachtigingswet het bestreden koninklijk besluit niet opheft. Beoordeling
  14. Door voormelde bekrachtiging is het bestreden koninklijk besluit in de loop van de procedure een wetskrachtige norm geworden met terugwerkende kracht vanaf zijn inwerkingtreding. Het bestreden besluit, in de vorm van een besluit genomen door een administratieve overheid, bestaat bijgevolg niet meer. Gelet op artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, is de Raad van State niet langer bevoegd om het bestreden besluit te vernietigen. De omstandigheid dat de Raad van State initieel daartoe wel bevoegd was, verandert daar niets aan.
  15. De verwerping van het beroep is het gevolg van het optreden van de verwerende partij. In die omstandigheden past het wel om de kosten van het beroep te haren laste te leggen. BESLISSING
  16. De Raad van State verwerpt het beroep.
  17. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 800 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verzoekende partijen. VII-40.210-4/5 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig januari tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.210-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.472 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.